Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:1846

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
200.102.395/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2013:1872
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2013:3242
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging ondercuratelestelling na deskundigenonderzoek; instelling bewind en mentorschap.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 378, geldigheid: 2013-11-14
Burgerlijk Wetboek Boek 1 431, geldigheid: 2013-11-14
Burgerlijk Wetboek Boek 1 432, geldigheid: 2013-11-14
Burgerlijk Wetboek Boek 1 450, geldigheid: 2013-11-14
Burgerlijk Wetboek Boek 1 451, geldigheid: 2013-11-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector familierecht

Uitspraak: 7 augustus 2012

Zaaknummer: 200.102.395/01

Zaaknummer eerste aanleg: 499741 CB VERZ 11-16 mrc

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. M.A.A. van der Loo te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant wordt hierna [x] genoemd.

1.2.

[x] is op 21 februari 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 november 2011 van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter) met kenmerk 499741 CB VERZ 11-16 mrc.

1.3.

De heer […] (hierna: [y]) heeft op 15 mei 2012 een schriftelijke reactie met bijlagen ingediend.

1.4.

De zaak is op 24 mei 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [x], bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer […] (hierna: de broer);

- mevrouw Y.F. van Rooyen en de heer M. Muller, namens GGZ inGeest te Haarlem (hierna: GGZ).

1.6.

[y] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, met voorafgaand bericht niet ter terechtzitting verschenen. Mevrouw […] (hierna: de zuster) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, evenmin ter terechtzitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

[x] is geboren [in] 1955. In de periode van 1 augustus 1997 tot 24 april 2012 heeft hij in een zogenoemde begeleid zelfstandig wonen-woning van GGZ gewoond. Tot medio 2010 deelde hij die woning met vijf medebewoners. Met ingang van 31 oktober 2011 heeft GGZ, zijnde de eigenaar van die woning, de huurovereenkomst beëindigd, omdat de woning zal worden gesloopt. Sedert 24 april 2012 woont [x] in een zelfstandige woning te [a].

2.2.

Ter terechtzitting van de kantonrechter van 8 april 2011 is de zaak aangehouden, teneinde te bezien of de problematiek omtrent de herhuisvesting van [x] in onderling overleg zou kunnen worden opgelost. Ter terechtzitting van de kantonrechter van 20 mei 2011 is de zaak verder aangehouden tot na het verhoor van [x] op zijn (toenmalige) woonadres. Op 10 juni 2011 is [x] aldaar gehoord, waarna de zaak verder is aangehouden.

2.3.

Vanaf het moment dat de herhuisvesting van [x] aan de orde kwam tot zijn ondercuratelestelling hebben de broer en de zuster beiden het mentorschap ten behoeve van hem uitgeoefend.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

In eerste aanleg heeft de officier van justitie verzocht [x] onder curatele te stellen met benoeming van de heer [z] tot curator.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, [x] onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis, met benoeming van [y] tot curator.

3.2.

[x] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de officier van justitie alsnog af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:378 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld wegens een geestelijke stoornis, waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:432 lid 2 en 1:451 lid 3 BW kan de rechter bij wie een verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is, bij afwijzing daarvan ambtshalve overgaan tot instelling van het bewind respectievelijk het mentorschap.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 BW, voor zover thans van belang, kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet‑vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, te zijnen behoeve een mentorschap instellen.

4.2.

[x] betwist dat sprake is van een geestelijke stoornis die hem verhindert zijn belangen te behartigen. Evenmin is volgens hem sprake van financiële problematiek. Hij stelt dat uitsluitend vanwege de huisvestingskwestie om ondercuratelestelling is verzocht en dat ondercuratelestelling een te zwaar middel is om hem te bewegen ter zake van de vervangende woonruimte een beslissing te nemen. Voorts heeft GGZ bij de voorbereiding van de beëindiging van de huurovereenkomst onzorgvuldig jegens hem gehandeld, aldus [x]. Hij stelt voorts dat oneigenlijk gebruik is gemaakt van de maatregel van ondercuratelestelling, omdat GGZ er als eigenaar belang bij had dat [x] de woning zou verlaten.

4.3.

[y] heeft zich op het standpunt gesteld dat handhaving van de ondercuratelestelling van [x] gewenst is. In de afgelopen maanden is volgens [y] gebleken dat [x] door zijn handicap niet in staat is de noodzakelijke beslissingen te nemen. [x] houdt vast aan regelmaat en zal alles in het werk stellen om veranderingen tegen te houden, aldus [y]. Voorts is [x] volgens [y] moeilijk begeleidbaar en laat hij zich niet beïnvloeden. [y] stelt daarnaast dat vanwege de nieuwe huisvesting sprake is van hogere woonlasten, waardoor minder geld beschikbaar is voor levensonderhoud.

4.4.

GGZ heeft zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat handhaving van de ondercuratelestelling gewenst is, zodat [x] zelfstandig kan blijven wonen. [x] heeft moeite met veranderingen en het nemen van beslissingen, aldus GGZ. Voorts stelt GGZ dat [x] in zijn huidige woonsituatie een kleiner budget heeft en er meer beslissingen op hem afkomen, die door een bewindvoerder niet kunnen worden teruggedraaid.

4.5.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof zich in dit stadium - in aanmerking genomen dat de problematiek omtrent de herhuisvesting van [x] zich thans niet meer voordoet en diens woonsituatie is gewijzigd - onvoldoende voorgelicht om een oordeel te kunnen geven over de vraag of de gronden voor ondercuratelestelling van [x] dan wel bewind en/of mentorschap aanwezig zijn. Alvorens een beslissing te nemen, zal het hof het Openbaar Ministerie (het resortsparket) verzoeken een onderzoek in te (doen) stellen, dat zal worden uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en psychologie (NIFP), aan de hand van de volgende vragen:

  • -

    is [x] - in aanmerking genomen zijn huidige woonsituatie - wegens een geestelijke stoornis, al dan niet met tussenpozen, niet in staat of wordt hij deswege bemoeilijkt zijn vermogensrechtelijke en andere (niet‑vermogensrechtelijke) belangen behoorlijk waar te nemen?;

  • -

    is [x] - in aanmerking genomen zijn huidige woonsituatie - als gevolg van zijn geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen?;

  • -

    is [x] - in aanmerking genomen zijn huidige woonsituatie - als gevolg van zijn geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat of wordt hij deswege bemoeilijkt zijn belangen van niet‑vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen?

De kosten van dit onderzoek komen ten laste van het Openbaar Ministerie (het resortsparket).

4.6.

Het Openbaar Ministerie (het resortsparket) zal tevens worden verzocht het hof schriftelijk omtrent de resultaten van het onderzoek te rapporteren. In afwachting van deze resultaten zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Na ontvangst van dit schriftelijk rapport zal het hof bepalen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt het Openbaar Ministerie (het resortsparket) een onderzoek in te (doen) stellen zoals omschreven onder 4.5;

verzoekt het Openbaar Ministerie (het resortsparket) vóór 11 november 2012 omtrent de resultaten van dit onderzoek schriftelijk rapport uit te brengen aan het hof en houdt de behandeling tot die datum pro forma aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, C.A. Joustra en P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2012.