Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:1680

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
200.065.089-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Vervolg van tussenarrest 27 december 2011. Deskundigenbericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.065.089/01

17 juli 2012

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ZEVENTIENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de vennootschap naar Duits recht

[appellante]

gevestigd te [plaats], [plaats],

APPELLANTE,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

t e g e n

1. [geïntimeerde sub 1],

2. De vennootschap onder firma [geïntimeerde sub 2]V.O.F.
en haar vennoten

3. [Vennoot A] voornoemd en

4. [Vennoot B]

wonende onderscheidelijk gevestigd te [woonplaats], [gemeente],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. M.C. Schepel te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerden] genoemd. Geïntimeerde sub 1 zal worden aangeduid als [geïntimeerde sub 1].

1.1.

Voor het procesverloop tot 27 december 2011 verwijst het hof naar het op die datum in deze zaak uitgesproken tussenarrest.

1.2.

Na dat tussenarrest hebben beide partijen eerst een akte uitlating genomen en vervolgens een antwoordakte.

1.3.

Daarna is wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

In het tussenarrest van 27 december 2011 heeft het hof overwogen behoefte te hebben aan nadere deskundige voorlichting over een aantal, in rechtsoverweging 3.9 van dat arrest omschreven vragen. Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de formulering van de vragen en de persoon van de te benoemen deskundige. Dit hebben partijen bij de hiervoor genoemde akten gedaan en vervolgens hebben zij op elkaars standpunten gereageerd.

2.2.

[appellante] heeft voorgesteld de vraagstelling te splitsen en eerst de vraag te stellen of pasteus schilderen met olieverf op de manier zoals dat door [geïntimeerde sub 1] werd gedaan, in de periode 1991-1995 als normaal gebruik van de verf kan worden aangemerkt. [appellante] meent dat deze vraag – die zelfstandig beslissend kan zijn voor de beslechting van het geschil – zich eenvoudiger laat beantwoorden en minder (internationale) studie vergt dan de vraag naar de bekendheid met het verschijnsel van het druipen van de olieverf.

2.3.

Het hof zal [appellante] volgen in haar voorstel. Het komt het hof doelmatig voor de vraag naar het normaal gebruik eerst te stellen. Daarbij komt dat het betoog van [appellante] dat voor beantwoording van de vragen veeleer een deskundige op het vakgebied van de beeldende kunsten - met inzicht in materiaalkennis en techniek - is aangewezen, het hof vooralsnog heeft overtuigd voor zover het gaat om de vraag naar de bekendheid met het verschijnsel van het druipen van de olieverf. Voor zover het de vraag naar het normaal gebruik betreft, is het hof van oordeel dat een kunsthistoricus als deskundige kan worden aangezocht.

2.4.

Er is onvoldoende reden een buitenlandse deskundige aan te zoeken indien binnen Nederland een deskundige te vinden is die over de benodigde kennis beschikt en vrij staat ten opzichte van de partijen in deze zaak. [geïntimeerde sub 1] heeft als mogelijke deskundige prof. Carel Blotkamp genoemd, emeritus hoogleraar moderne kunst aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en (sinds 1967) tevens werkzaam als kunstenaar. Het hof verwerpt de door [appellante] tegen deze deskundige opgeworpen bezwaren. Prof. Blotkamp heeft laten weten [geïntimeerde sub 1] niet te kennen.

2.5.

[appellante] heeft verzocht naast een eventuele Nederlandse deskundige ook – op haar kosten – een internationale deskundige te benoemen. Het hof ziet hiertoe, na hetgeen hiervoor is overwogen, echter geen aanleiding.

2.6.

Wat de formulering van de vraag betreft zal het hof de formulering aanhouden zoals deze in rechtsoverweging 3.9 van het tussenarrest is verwoord. Wat in dit verband onder “pasteus schilderen op de manier zoals dat door [geïntimeerde sub 1] werd gedaan” wordt verstaan, blijkt genoegzaam uit de stukken en wordt ook nog eens kort omschreven in rechtsoverweging 3.1(iii) van het tussenarrest. Het hof zal aan de vraag het verzoek toevoegen de beantwoording zo veel mogelijk te motiveren. Het hof ziet aanleiding het voorschot voor de deskundige bij helfte voor rekening van elk van partijen te brengen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

gelast een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vraag:

Kan pasteus schilderen met olieverf op de manier zoals dat door [geïntimeerde sub 1] werd gedaan, in de periode 1991-1995 als normaal gebruik van de verf worden aangemerkt? Wilt u uw antwoord zo veel mogelijk motiveren?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

Prof. C. Blotkamp,

[adres],

[adres].

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat partijen vóór 7 augustus 2012 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundige zullen doen toekomen en dat zij de deskundige voorts zullen voorzien van aanvullende gegevens indien hij dit noodzakelijk acht voor zijn onderzoek;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig – dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige te bepalen tijd en plaats;

bepaalt dat aan de deskundige een bedrag groot € 750,- als voorschot op zijn loon toekomt;

bepaalt dat partijen elk € 375,- zullen overmaken op rekeningnummer 56.99.90.505 t.n.v. Ministerie van Justitie MvJ ontvangsten Gerechtshof, onder vermelding van zaaknummer 200.065.089/01 ([appellante]/[geïntimeerde sub 1]);

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na deponering van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 18 september 2012, onder indiening van zijn declaratie onder vermelding van zaaknummer 200.065.089/01;

verstaat dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, dat uit het schriftelijke bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan en dat van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken in dit schriftelijke bericht melding wordt gemaakt;

verwijst de zaak naar de rol van 18 september 2012 voor deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, R.J.F. Thiessen en J.E. Molenaar en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2012 door de rolraadsheer.