Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:1586

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
106.002.177-02
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:1505
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 106.002.177/02
3 juli 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER


ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],
wonende te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. A. Glijnis, te Alkmaar,


t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid REPLA B.V., gevestigd te Alkmaar, 2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2], wonend te [woonplaats], GEÏNTIMEERDEN, advocaat: mr. A. de Groot, te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Appellant en geïntimeerden worden hierna [appellant] en Repla c.s. genoemd, geïntimeerden afzonderlijk Repla en [geïntimeerde sub 2].

1.2

Het hof heeft op 29 november 2011 tussen partijen een incidenteel arrest uitgesproken. Voor het verloop van de procedure tot die dag verwijst het hof naar dat arrest.

1.3

Repla c.s. hebben vervolgens bij memorie van antwoord de grieven bestreden, alsmede een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding, die van het incident daaronder begrepen.

1.4

Partijen hebben hun zaak op 25 april 2012 doen bepleiten bij monde van hun procesadvocaten, mr. Glijnis mede aan de hand van pleitnotities. Partijen hebben bij die gelegenheid nog inlichtingen verschaft. Ook hebben partijen over en weer aanvullende producties in het geding gebracht.

1.5

Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.



2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.



3. Behandeling van het hoger beroep

3.1

Tussen partijen staan de volgende feiten en omstandigheden vast, omdat zij niet dan wel onvoldoende bestreden zijn.

3.1.1

[geïntimeerde sub 2] heeft bedrijfsruimte te Obdam verhuurd, drie verschillende objecten telkens gelegen aan de [straat]. De panden aan de [adres 1] en [adres 2] heeft hij namens Repla verhuurd. [geïntimeerde sub 2] is bestuurder van Repla.
Het pand aan de [adres 3] heeft hij in persoon verhuurd.

3.1.2

Met betrekking tot het pand [adres 3] heeft [geïntimeerde sub 2] de huurovereenkomst mondeling gesloten. Huurder is [appellant]. De huur is in maart/april 2003 ingegaan. De huurprijs bedroeg € 1.000,- per maand.

3.1.3

Met betrekking tot het pand [adres 2] heeft Repla de huurovereenkomst gesloten. De huurovereenkomst is neergelegd in een schriftelijk stuk. In dat stuk wordt de huurder aangeduid met “NZ Classics en Styling P.B. 1459 3600 BL Maarssen”. De huurovereenkomst is op 11 juli 2002 aan huurderskant ondertekend door [appellant]. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaren met ingang van 1 juni 2002. In de huurovereenkomst staat dat de huurprijs € 1.758,40 per maand bedraagt, over welk bedrag geen BTW is verschuldigd.

3.1.3

Met betrekking tot het pand [adres 2] is namens Repla de huurovereenkomst mondeling gesloten. Vanaf juni 2003 is [appellant] huurder. De huurprijs bedroeg
€ 741,60 per maand.

3.1.4

[geïntimeerde sub 2] heeft de drie huurovereenkomsten bij brief van 15 juli 2003 opgezegd tegen 31 augustus 2003, wat betreft de panden [adres 2] namens Repla. [geïntimeerde sub 2] heeft de opzeggingsbrief gericht aan [appellant].
Aanleiding voor de opzegging vormden huurachterstand en de omstandigheid dat in het pand [adres 3] een wietplantage was aangetroffen.

3.1.5

[appellant] heeft erkend het pand [adres 2] vanaf juni 2003 te hebben gehuurd. Hij heeft ingestemd met beëindiging van de huur per 31 augustus 2003.

3.1.6

Wat betreft het pand [adres 3] heeft [appellant] betoogd dat met instemming van [geïntimeerde sub 2] per juni 2003
[X] in zijn plaats het pand is gaan huren.
Wat betreft het pand [adres 2] heeft [appellant] betoogd dat niet hij maar de heren H. Nout en A. Zeewoester het pand huurden.
Zijns inziens komt dan ook de huurachterstand waarop [geïntimeerde sub 2] zich wat betreft deze twee panden heeft beroepen, niet voor zijn rekening.

3.2

[geïntimeerde sub 2] en Repla vorderen in dit geding betaling door [appellant] van huurachterstand, als volgt:
- voor [adres 3] € 4.000,- aan huur voor de maanden mei tot en met augustus 2003 en € 4.000,- wegens gederfde huur over september tot en met december 2003;
- voor [adres 2] € 3.516,80 aan huur voor de maanden juli en augustus 2003 en € 12.308,80 wegens gederfde huur over september tot en met maart 2004;
- voor [adres 2] € 1.483,20 aan huur voor de maanden juli en augustus 2003 en € 741,60 wegens gederfde huur over september 2003.
Verder vorderen [geïntimeerde sub 2] en Repla schadevergoeding, als volgt
- voor aan het pand [adres 3] toegebrachte schade, een bedrag groot € 8.437,10 met inbegrip van opruimkosten, - voor aan het pand [adres 2] toegebrachte schade, een bedrag groot € 1.950,- alsmede vergoeding van een verdwenen heftruck, een bedrag van € 700,-.
Ten slotte vordert elk van hen een vergoeding voor de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, in beide gevallen een bedrag van € 662,52.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde sub 2] en Repla voor het overgrote deel toegewezen.

3.3

Met zijn eerste grief stelt [appellant] de kwestie aan de orde of hij vanaf juni 2003 als huurder van pand [adres 3] moet worden beschouwd.

3.4

[appellant] heeft betoogd dat [geïntimeerde sub 2] tijdens een bespreking in juni 2003 waarbij behalve [geïntimeerde sub 2], [appellant] en [X] aanwezig waren heeft ingestemd met [X] als huurder van pand [adres 3] in plaats van [appellant] en wel met ingang van juni 2003.
Ter ondersteuning van zijn stelling heeft [appellant] zich beroepen op zijn brief aan [geïntimeerde sub 2] van 10 juni 2003, op de verklaring die hij, [appellant], ten overstaan van de politie heeft afgelegd op 22 juli 2003 alsmede op de schriftelijke verklaring van [X] van 10 juli 2007 en de schriftelijke verklaring van R.G. de Waard van 21 juni 2005 alsmede op de omstandigheid dat [geïntimeerde sub 2] zelf de sleutel van pand [adres 3] aan [X] heeft overhandigd.
Aan dit materiaal kan tegenover de betwisting door [geïntimeerde sub 2] geen afdoende bewijs voor de stelling van [appellant] worden ontleend. [appellant] heeft evenwel aangeboden om zijn stelling door middel van getuigen aanvullend te bewijzen. [appellant], op wie de bewijslast rust, krijgt de gelegenheid om overeenkomstig zijn aanbod door middel van getuigen te bewijzen dat [geïntimeerde sub 2] in juni 2003 heeft ingestemd met [X] als huurder van pand [adres 3] in plaats van [appellant].

3.5

Zou [appellant] er niet in slagen het van hem verlangde bewijs te leveren, dan moet nog de vraag onder ogen worden gezien, hoeveel [appellant] nog aan [geïntimeerde sub 2] aan huur moet betalen voor pand [adres 3]. Met de grieven III, IV en V is die vraag aan de orde.
In de stellingen van [appellant] ligt besloten dat de huurovereenkomst na de opzegging door [geïntimeerde sub 2] tegen 31 augustus 2003 is geëindigd. Dat betekent dat [appellant] huur verschuldigd zou zijn tot en met de maand augustus 2003. [appellant] heeft in dit verband nog benadrukt dat deze huurtermijnen zijn voldaan door [X], gedeeltelijk door middel van verrekening met de door [X] aan [geïntimeerde sub 2] betaalde borgsom. Verder heeft [appellant] betoogd dat hij gerechtigd is de betaling van deze huurtermijnen op te schorten, omdat het pand [adres 3] door [geïntimeerde sub 2] aan [X] en niet aan hem ter beschikking is gesteld. Deze stellingen geven geen aanleiding voor afzonderlijke bewijslevering. Zij maken deel uit van het bewijsthema dat het hof hierboven al heeft vastgesteld.

3.6

Voor vergoeding van huurderving over de maanden september tot en met december 2003 is plaats als zou komen vast te staan dat [appellant] het pand gedurende die maanden niet naar behoren zou hebben ontruimd. [appellant] heeft betwist dat hij het pand niet behoorlijk heeft ontruimd. Het ligt op de weg van [geïntimeerde sub 2] om daartegenover te bewijzen dat [appellant] zijn opleveringsverplichting in de periode september tot en met december 2003 niet is nagekomen door auto’s in het pand te stallen.
Deze kwestie zal het hof laten rusten in afwachting van de hierboven bedoelde bewijslevering door [appellant].

3.7

Grief II die een verwante kwestie aan de orde stelt, te weten de schade die [geïntimeerde sub 2] zou hebben geleden doordat het pand niet leeg werd opgeleverd, laat het hof ook rusten in afwachting van de bewijslevering door [appellant]. Hetzelfde geldt voor het beroep van [appellant] op de schadebeperkings-plicht van [geïntimeerde sub 2]. Wel is nu al vermeldenswaard dat onbestreden is gebleven dat de schade waarop [geïntimeerde sub 2] zich beroept pas na 1 juni 2003 is ontstaan.

3.8

[appellant] heeft verder nog aangevoerd dat genoemde [X] voor hem de huur voor de maand mei 2003 heeft betaald. Het ligt op de weg van [appellant] om die betaling van [X] tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde sub 2] te bewijzen. Het hof zal hem hiervoor de gelegenheid bieden.

3.9

Grief VI gaat over de vraag of [appellant] als huurder van pand [adres 2] moet worden aangemerkt.
Bij de bespreking van deze grief stelt het hof voorop dat onbetwist is dat [appellant] een stuk met het opschrift “HUUROVEREENKOMST” heeft ondertekend aan de zijde van de huurder welk stuk een huurovereenkomst voor pand [adres 2] inhoudt en waarin als huurder staat vermeld “NZ Classics en Styling”. In de visie van [appellant] mag hij door Repla desalniettemin niet als huurder worden beschouwd. Huurders zijn sedert eind 2002 Nout en Zeewoester, aldus [appellant]. Hij, [appellant], zou het stuk slechts op verzoek van Repla namens Nout en Zeewoester hebben ondertekend voor fiscale doeleinden. [appellant] was onderhuurder dan wel bruiklener van een gedeelte van het pand en heeft Nout en Zeewoester geholpen door de door Nout en Zeewoester aan Repla verschuldigde huur in contanten van hen in ontvangst te nemen en door te betalen aan [geïntimeerde sub 2] van Repla.
In dit verband wil [appellant] steun ontlenen aan de schriftelijke verklaring van F. Ordelman.
Het hof is van oordeel dat Repla er voorshands in geslaagd is om in rechte waar te maken dat zij met betrekking tot pand [adres 2] een huurovereenkomst heeft gesloten met [appellant]. Bij dit oordeel heeft het hof zich in hoge mate laten leiden door de omstandigheid dat [appellant] een schriftelijke huurovereenkomst heeft ondertekend waarin een huurder wordt vermeld die niet goed valt te traceren alsmede door de feitelijke betrokkenheid van [appellant] bij het pand welke betrokkenheid bestond uit zowel gebruik van het pand als uit betaling van huurpenningen. De door [appellant] in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van F. Ordelman legt daartegenover niet veel gewicht in de schaal, omdat daarin slechts staat dat Nout en Zeewoester hun bedrijf NZ Classics en Styling in het pand hadden gevestigd. Daaruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat zij de huurders waren.
Dat alles brengt mee dat in dit geding voorshands tot op tegenbewijs als bewezen moet worden aanvaard dat [appellant] het pand [adres 2] heeft gehuurd. [appellant] zal daartegen tegenbewijs mogen leveren. Het hof zal [appellant] de gelegenheid bieden om door middel van getuigen tegenbewijs te leveren.

3.10

Grieven VII, IX en X (grief VIII bestaat niet) gaan over de door Repla met betrekking pand [adres 2] gevorderde huurachterstand en schadevergoeding.
Wat betreft deze vorderingen gelden gelijksoortige overwegingen als met betrekking tot pand [adres 3].
Als zou moeten worden vastgesteld dat [appellant] huurder van het pand [adres 2] is, is hij slechts huur verschuldigd tot het einde van de huurovereenkomst, te weten tot en met augustus 2003. Voor schadevergoeding is slechts plaats als zou moeten worden vastgesteld dat het pand niet tijdig door [appellant] is ontruimd alsmede dat [appellant] aan het pand schade heeft toegebracht. Een uitzondering is op zijn plaats voor de verdwenen vorkheftruck. Onbetwist is gebleven dat deze is verkocht en dat dit een schade van
€ 700,- voor Repla heeft opgeleverd. Op het verschuldigde moet tot slot in mindering worden gebracht de waarborgsom (volgens [appellant] groot € 1.588,-) in het geval zou komen vast te staan dat deze waarborgsom aan Repla is betaald.
Al deze kwesties laat het hof in deze fase van het geding rusten.

3.11

Grief XI gaat over de huur over de maand september 2003 voor het pand 218AR welke huur Repla zou hebben gederfd. De door Repla gestelde huurderving komt haar slechts toe, als [appellant] het pand 218AR niet tijdig heeft ontruimd. Het ligt op de weg van Repla om tegenover de gemotiveerde betwisting door [appellant] te bewijzen dat tijdige ontruiming van pand 218AR is uitgebleven.
Deze bewijslevering zal het hof uitstellen in afwachting van het door [appellant] bij te brengen bewijs.

3.12

De grieven XII en XIII betreffen de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Bespreking daarvan stelt het hof uit tot na de bewijslevering.



4. Slotsom


4.1 [appellant] krijgt de gelegenheid om bewijs door getuigen bij te brengen zoals hieronder in het dictum nader omschreven.

4.2

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.



5. Beslissing

Het hof:

laat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stellingen

- dat [geïntimeerde sub 2] in juni 2003 heeft ingestemd met [X] als huurder van pand [adres 3] in plaats van [appellant];
- dat genoemde [X] voor [appellant] de huur voor de maand mei 2003 voor pand [adres 3] heeft betaald;

alsmede tot het tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen aanvaarde stelling dat de omstreden huurovereenkomst met betrekking tot pand [adres 2] door Repla is gesloten met [appellant];

bepaalt, voor het geval [appellant] (tegen)bewijs door getuigen wil leveren, dat op vrijdag 27 juli 2012 te 9.00 uur een getuigenverhoor zal worden gehouden in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam ten overstaan van mr. G.B.C.M. van der Reep, die hierbij tot raadsheercommissaris wordt benoemd;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] dient na te
(laten) gaan of partijen en hun raadslieden op de hierboven
bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo
dat niet het geval mocht zijn – ter rolle van 17 juli 2012 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de maanden oktober 2012 en november 2012 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, J.W. Hoekzema en E.J.H. Schrage en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2012 door de rolraadsheer.