Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:CA2170

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
23-00375-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedoogbeleid. Vervolging kleine hoeveelheid cocaïne voor eigen gebruik in strijd met Aanwijzing Opiumwet, leidt tot niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000375-11

datum uitspraak: 13 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-857620-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en - plaats],

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 6 november 2009 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of heeft vervoerd (ongeveer) acht, althans één of meer bolletjes (0,22 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging

Het hof overweegt het volgende.

Op het ten laste gelegde is de (oude) gepubliceerde richtlijn van het Openbaar Ministerie "Aanwijzing Opiumwet" van toepassing welke van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2011 van kracht was.

In deze Aanwijzing - in de paragraaf 'opsporing en vervolging' - staat vermeld dat in het geval er bij de verdachte een geringe hoeveelheid harddrugs (Opiumwet lijst I) voor eigen gebruik wordt aangetroffen, slechts vervolging ter ondersteuning van hulpverlening mag plaatsvinden. Onder een geringe hoeveelheid wordt verstaan: 'een hoeveelheid/dosis die doorgaans wordt aangeboden als gebruikershoeveelheid. Hierbij kan worden gedacht aan bv. één bolletje, één ampul, één wikkel, één pil/tablet; in elk geval een aangetroffen hoeveelheid van maximaal 0,5 gram.'

Aangezien de bij de verdachte aangetroffen hoeveelheid cocaïne (0,22 gram) een hoeveelheid van 0,5 gram niet te boven gaat, en er naar het oordeel van het hof - anders dan de advocaat-generaal stelde - niet is gebleken dat deze cocaïne niet bestemd was voor eigen gebruik, had het openbaar ministerie slechts tot vervolging mogen over gaan in het kader van hulpverlening. Nu hulpverlening in deze zaak niet aan de orde is, en het Openbaar Ministerie zich dus niet heeft gehouden aan de beleidsregels zoals in de "Aanwijzing Opiumwet" opgenomen, dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.F. van Manen, mr. N. van der Wijngaart en mr. J.G. Bulsing, in tegenwoordigheid van mr. A. Wilkens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 oktober 2011.

Mr. J.G. Bulsing is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.