Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BY2059

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2011
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-005602-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag (met snelheid inrijden op opsporingsambtenaar)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005602-09

datum uitspraak: 29 augustus 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 november 2009 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-410675-09 en 13-510262-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 november 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 15 augustus 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-410675-09:

hij op of omstreeks 13 augustus 2009 te Naarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1], buitengewoon opsporingsambteanaar van politie Gooi en Vechtstreek van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van diens functie, met dat opzet met een personenauto met hoge snelheid op die [slachtoffer 1] (die zich op dat moment op de rijbaan van de Rijksweg bevond en hem, verdachte, een stopteken gaf) is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 13-510262-09:

feit 1:

hij op of omstreeks 13 augustus 2009 te Naarden, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1200 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

feit 2:

hij op of omstreeks 13 augustus 2009 te Naarden, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op voor openbaar openstaande wegen, binnen de gemeente Naarden,

* op/over de weg, de Rijksweg, (komende uit de richting van Godelindeweg) gaande in de richting van de Rijksweg A1, alwaar hij, verdachte, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid heeft overschreden, en/of een stopteken heeft genegeerd,en/of

* op/over de weg, de Rijksweg A6, (komende uit de richting van de Rijksweg A1) gaande in de richting van Almere Haven, alwaar hij, verdachte, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid heeft overschreden, en/of bij het afslaan geen richting heeft aangegeven, en/of bij het wisselen van rijbaan geen richting heeft aann het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid heeft overschreden, en/of bij het afslaan geen richting heeft aangegeven, en/of bij het wisselen van rijbaan geen richting heeft aangegeven, en/of

* op/over de weg, de Noorderdreef, (komende uit de richting van de Rijksweg A6) gaande in de richting van de Oosterdreef, alwaar verdachte ter hoogte van de kruising Noorderdreef/Lindengouw, een rood stralend verkeerlicht heeft genegeerd;

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft hij, verdachte, gereden met een te hoge snelheid, en/of eenmaal en/of meerdere malen een stopteken genegeeerd, en/of bij het afslaan en/of wisselen van rijstrook geen richting aangegeven en/of een rood stralend verkeerlicht genegeerd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 13-510262-09 onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Daarbij overweegt het hof in het bijzonder het volgende.

Niet is komen vast te staan dat de verdachte daadwerkelijk de toegestane maximumsnelheid heeft overschreden, nu het politievoertuig waarmee de auto van de verdachte werd achtervolgd, niet over een geijkte snelheidsmeter beschikte. Voorts blijkt de gerelateerde bevindingen van de verbalisanten onvoldoende concreet, hoe de specifieke verkeerssituatie was op de momenten dat de verdachte geen richting aangaf bij het afslaan en/of bij het wisselen van rijbaan.

Derhalve acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van het veroorzaken van gevaar dan wel het hinderen van het verkeer op de in de tenlastelegging bedoelde wegen, ook niet in samenhang met de omstandigheid dat de verdachte op enig moment eveneens een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

13-410675-09 en in de zaak met parketnummer 13-510262-09 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak met parketnummer 13-410675-09:

hij op 13 augustus 2009 te Naarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1], buitengewoon opsporingsambteanaar van politie Gooi en Vechtstreek van het leven te beroven gedurende de rechtmatige uitoefening van diens functie, met dat opzet met een personenauto met hoge snelheid op die [slachtoffer 1] (die zich op dat moment op de rijbaan van de Rijksweg bevond en hem, verdachte, een stopteken gaf) is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak met parketnummer 13-510262-09:

feit 1:

hij op 13 augustus 2009 te Naarden, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1200 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 13-410675-09 en in de zaak met parketnummer

13-510262-09 onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13-410675-09 ten laste gelegde heeft de raadsman aan de hand van pleitnotities, die als hier ingelast gelden, de volgende verweren gevoerd, zakelijk weergegeven.

1) De verklaring en bevindingen van aangever [slachtoffer 1] vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Verbalisant [verbalisant] maakt geen melding van feiten zoals [slachtoffer 1] zegt dat deze zich hebben voorgedaan.

2) Er is geen bewijs dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer 1].

Het hof overweegt het volgende.

Ad 1) Daargelaten de betekenis van artikel 244, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neemt het hof het volgende in aanmerking. [slachtoffer 1], buitengewoon opsporingsambtenaar heeft op 13 augustus 2009 aangifte gedaan van poging to doodslag dan wel zware mishandeling (doorgenummerde blz. 7 en 8) en in een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2009038139-5 gerelateerd dat de bestuurder van een auto (het hof begrijpt: de verdachte) met hoge snelheid op hem af kwam rijden waarna hij net voordat het voertuig hem kon raken in de berm is gesprongen. De verklaring en bevindingen van [slachtoffer 1] worden naar het oordeel van het hof bevestigd door de bevindingen van [verbalisant]. Het op 14 augustus 2009 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen ( proces-verbaal nummer 2009038139-5, doorgenummerde blz. 11-14) houdt voor wat betreft de bevindingen van [verbalisant] het volgende in: [verbalisant] was ten tijde van het incident op ongeveer 5 meter van [slachtoffer 1], zag hem een sprong opzij maken en hoorde [slachtoffer 1] zeggen: Hij stopt niet Ewoud, negeren stopteken. Voorts heeft [verbalisant] op 9 september 2009 zelfstandig een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (proces-verbaalnummer 2009038139-12), waarin laatstgenoemde relateert dat hij ten tijde van het voorval in het dienstvoertuig zat, vanuit zijn rechterooghoek [slachtoffer 1] naar links zag springen, kennelijk om te voorkomen dat hij zou worden aangereden. Aldus vormen de verklaringen van [vebalisant] summier als zij zijn nietttemin op wezenlijke onderdelen een bevestiging van het relaas van [slachtoffer 1] en ontbeert de stelling van de raadsman dat het bewijs slechts uit één getuigenverklaring bestaat en dat dit, gelet op artikel 342, 2e lid, van het Wetboek van Strafvordering, onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen, feitelijke grondslag zodat het verweer reeds op deze grond faalt.

Ad 2) [slachtoffer 1] was in uniform gekleed, stond op de rijbaan en gaf een stopteken in het kader van een verkeerscontrole. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte ongeveer 40 meter van hem vandaan was, toen de verdachte zijn snelheid verminderde tot ongeveer 70 km per uur. De verdachte had oogcontact met [slachtoffer 1], verhoogde zijn snelheid en reed met een snelheid van ongeveer 80 à 90 km per uur (het hof begrijpt: met hoge snelheid) op [slachtoffer 1] af, die pas vlak voordat verdachtes auto hem zou raken opzij kon springen.

Door in een auto met hoge snelheid op een korte afstand recht op [slachtoffer 1] af te rijden heeft de verdachte minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat [slachtoffer 1] niet op tijd weg zou kunnen springen en dodelijk gewond zou raken. Dat de verdachte [slachtoffer 1] niet zou hebben gezien vindt zijn weerlegging vindt in de omstandigheid dat [slachtoffer 1] oogcontact heeft genomen. Ook moet het buitengewoon onaannemelijk worden geacht dat het de verdachte die op een Rijksweg reed geheel zou zijn ontgaan dat zich midden op de weg, een ambtenaar van politie bevond die handelde in overeenstemming met de richtlijnen betreffende veiligheid (doorgenummerde blz. 8) Het hof acht dit te minder aannemelijk nu de verdachte zijn snelheid heeft verhoogd. Het hof merkt in dit verband nog op dat de verdachte bij de politie heeft verklaard zich vaag te herinneren de politieambtenaar (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) hebben gezien (doorgenummerde blz 31)

Derhalve geven de uitvoeringshandelingen van de verdachte minstgenomen blijk van de voorwaardelijke opzet op het van het leven beroven van [slachtoffer 1].

Het hof verwerpt daarom de verweren.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 13-410675-09 onder 1 en in de zaak met parketnummer 13-510262-09 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 13-410675-09 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het in de zaak met parketnummer 13-510262-09 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 13/510262-09 onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur subsididiair 20 dagen hechtenis, met ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 12 maanden.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder de parketnummers 13-410675-09 en onder parketnummer 13-510262-09 onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis, voor het onder parketnummer 13-510262-09 onder 1 ten laste gelegde tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 18 maanden waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en voor het parketnummer

13-510262-09 onder 2 ten laste gelegde tot een geldboete van EUR 300,- subsidiair 6 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de verkeersveiligheid zeer ernstig in gevaar gebracht door na het gebruik van een, gelet op het alcoholgehalte van zijn adem, grote hoeveelheid alcoholhoudende drank als bestuurder van een auto deel te nemen aan het verkeer op de openbare weg. Hij is toen tevens met zijn auto met een hoge snelheid ingereden op een politiebeambte, belast met verkeerscontrole. Het is slechts aan de snelle reactie van deze beambte te danken dat de verdachte hem niet heeft aangereden en hij het leven niet heeft gelaten. Door op voormelde wijze aan het verkeer deel te nemen, wordt een auto een levensgevaarlijk object, zo niet een dodelijk wapen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 augustus 2011 is de verdachte tweemaal eerder veroordeeld ter zake van rijden onder invloed.

Het hof acht een gevangenisstraf van 6 maanden met ontzegging van de rijbevoegheid voor de tijd van 18 maanden in beginsel passend voor de bewezen verklaarde zeer ernstige feiten.

Anderzijds overweegt het hof dat sedert de laatste eerdere veroordeling van de verdachte een periode van meer dan tien jaar is verstreken en dat de verdachte zich in die periode heeft laten behandelen door een verslavingspolikliniek voor zijn alcoholverslaving.

Het hof zal, alles afwegende, de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk opleggen. De raadsman heeft betoogd dat een (gedeeltelijk) onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid de verdachte zwaar zal vallen, aangezien hij voor zijn werkzaamheden als elektromonteur en voor zijn activiteiten als sportinstructeur over zijn rijbewijs moet kunnen beschikken. Het hof is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid geen recht doet aan de ernst van feit 1 van de zaak met parketnummer 13/510262-09. Voorts zal na aftrek van de tijd die het rijbewijs ingevorderd is geweest slechts een betrekkelijk korte periode resteren waarin de verdachte niet mag rijden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-510262-09 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

13-410675-09 en in de zaak met parketnummer 13-510262-09 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-410675-09 en in de zaak met parketnummer

13-510262-09 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte terzake van het in de zaak met parketnummer 13-510262-09 onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. E. Mijnsberge en mr. H.A. Holthuis, in tegenwoordigheid van A.M.M. van Gorp, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 augustus 2011.

Mrs. Mijnsberge en Holthuis zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.