Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BY2037

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-004799-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot moord (met pistool kogels afvuren op hoofd slachtoffer)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004799-09

datum uitspraak: 2 maart 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-421666-08 tegen

[ verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonadres],

thans gedetineerd in PI.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 september 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 12 mei 2010 en 16 februari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging op 2 september 2009 is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 07 december 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool (althans een vuurwapen) een of meer kogels (van korte afstand en/of dicht nabij en/of gericht) heeft afgevuurd op en/of in de richting van (het hoofd en/of het bovenlichaam van) die [slachtoffer];

feit 2:

hij op of omstreeks 07 december 2008 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga je schieten, ik ga je doodmaken." en/of"Ik ga naar huis mijn pistool uit de kluis halen. [slachtoffer] je gaat dood vandaag.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3:

hij op of omstreeks 07 december 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen van categorie II of III, te weten een zwart pistool, kaliber 6.35 mm en/of munitie van categorie II of III, te weten een aantal 6.35 mm patronen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich niet verenigt met de strafmaat en de motivering daarvan.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 7 december 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool kogels van korte afstand gericht heeft afgevuurd op het hoofd van die [slachtoffer];

feit 2:

hij op 7 december 2008 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga je schieten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3:

hij op 7 december 2008 te Amsterdam een wapen van categorie II of III, te weten een zwart pistool, kaliber 6.35 mm en munitie van categorie II of III, te weten een aantal 6.35 mm patronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1,2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

poging tot moord

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een strafmaat verweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd, dat de rechtbank de verdachte een te hoge gevangenisstraf heeft opgelegd, gelet op onder meer de omstandigheid dat de verdachte oprecht berouw heeft getoond voor zijn handelen en de gelukkige omstandigheid dat de aangever slechts gering letsel heeft opgelopen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, met een in potentie dodelijk vuurwapen, meer malen van korte afstand gericht op het hoofd van het slachtoffer geschoten. Het hof acht dit een zeer ernstig feit aangezien dergelijk handelen niet alleen tot gevolg had kunnen hebben, dat de aangever hierbij dodelijk gewond was geraakt, maar ook dat door dit gevaarlijke gedrag één van de omstanders geraakt had kunnen worden. Dergelijk gedrag in het openbaar veroorzaakt doorgaans gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 10 november 2010 de verdachte betreffende, opgemaakt door de psycholoog S.J.D. Dijkstra. Uit dit rapport blijkt, dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten, hoewel onder invloed van alcohol en drugs, naar het oordeel van de opsteller van het rapport, als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Er is, naar het oordeel van de opsteller, geen sprake van een stoornis op grond waarvan er een verhoogd risico is op herhaling van soortgelijke feiten.

De verdachte heeft, zoals blijkt uit zijn eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, gehandeld omdat hij ‘doorgedraaid was’, ‘er knapte iets’. Het hof heeft uit deze opmerking van de verdachte opgemaakt, dat hij heeft gehandeld uit razernij en gekrenktheid, als gevolg van het handelen van de portier. In deze gemoedstoestand is hij, met het vuurwapen van zijn broer in zijn jaszak, teruggekeerd naar het café. Hoewel hij zeker de tijd heeft gehad om zich te bezinnen voordat hij schoot, is het hof van oordeel dat in de strafmaat tot uitdrukking moet worden gebracht, dat de verdachte heeft gehandeld in deze gemoedstoestand.

Het hof ziet aanleiding de eis van de advocaat-generaal te volgen en zal daarom een enigszins lagere straf opleggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 januari 2011 is de verdachte eerder veroordeeld, echter niet voor aan geweld gerelateerde delicten.

Het hof acht, alles afwegende, een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. R.C.P. Haentjens en mr. R.E. de Winter, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 maart 2011.