Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BY2029

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-004167-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte (moeder) vrijgesproken van het haar ten laste gelegde feit: opzettelijk haar kind in een hulpeloze toestand brengen of laten, terwijl haar kind jonger was dan zeven maanden, althans een baby en aldus hulpbehoevend en afhankelijk, met als gevolg de dood van haar kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-004167-10

datum uitspraak: 24 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-524233-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonadres].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens de appelschriftuur van het openbaar ministerie en de mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, te weten telkens vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering, zal het hof het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 13 en 14 september 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

feit 3:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 september 2008 tot en met 4 maart 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk haar kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), tot wiens onderhoud en/of verpleging en/of verzorging zij, verdachte en/of haar mededader(s), zijnde de ouder(s)/verzorger(s) van die [slachtoffer], krachtens wet en/of overeenkomst verplicht was/waren, (telkens) in een hulpeloze toestand heeft/hebben gebracht en/of gelaten, terwijl die [slachtoffer] jonger was dan zeven maanden, althans een baby en/of/althans aldus (geheel) hulpbehoevend en/of afhankelijk, hebbende zij, verdachte en/of haar mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer]

- geen en/of onvoldoende en/of niet-constante en/of/althans niet-adequate, verzorging geboden en/of

- niet (tijdig) naar een dokter en/of een ziekenhuis gebracht en/of geen adequate maatregel(en) genomen en/of

- die [slachtoffer] in een situatie gebracht en/of gelaten waarin hij werd mishandeld en/of hem pijn werd aangedaan en/of letsel werd toegebracht en/of die voor zijn gezondheid en/of zijn welbevinden gevaarlijk en/of schadelijk en/of levensbedreigend was,

terwijl er aanwijzingen waren en/of verdachte en/of haar mededader(s) had(den) moeten vermoeden dat die [slachtoffer] (door mishandeling) (ernstig) letsel had opgelopen en/of (ernstig) ziek, in elk geval lichamelijk niet in orde was, welk(e) feit(en) de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft/hebben gehad, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) het misdrijf heeft/hebben begaan tegen haar/hun kind.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - kan niet in stand blijven, omdat het hof andere overwegingen aan de vrijspraak van het de verdachte onder 3 ten laste gelegde ten grondslag legt dan de rechtbank.

Inleiding

De verdachte is op [geboortedaum] bevallen van een zoon genaamd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). De vader van [slachtoffer] is de medeverdachte [MEDEDADER] (hierna: [mededader]). De verdachte was de kostwinner in het gezin en werkte full time; in het kader van dit werk volgde zij tevens een opleiding. Zij ging vaak vroeg de deur uit en kwam laat thuis. [mededader] was illegaal in Nederland en mocht en kon daarom geen betaalde arbeid verrichten. De verdachte en [mededader] hadden afgesproken dat hij de dagelijkse zorg voor de kinderen op zich zou nemen. Ook voor de geboorte van [slachtoffer] ging dat al zo.

Na haar zwangerschapsverlof is de verdachte op 29 december 2008 weer gaan werken. [mededader] bleef thuis om voor [slachtoffer], de drie andere kinderen en het huishouden te zorgen.

Op 4 maart 2009 verliet de verdachte om 7:00 uur de woning om naar haar werk te gaan. [slachtoffer] was voor dat tijdstip al wakker. Hij dronk goed en functioneerde ook overigens normaal. Rond 11:30 uur belde [mededader] naar het werk van de verdachte met de mededeling dat [slachtoffer] een stuip had gehad en dat zij direct naar huis moest komen. De verdachte belde hierop haar ouders om te zeggen dat ook zij direct naar de woning van de verdachte moesten gaan. De verdachte belde [mededader] terug waarbij deze erop aandrong dat zij zou opschieten en zei dat [slachtoffer] niet meer ademde en dat er bloed uit zijn neus kwam. De verdachte zei [mededader] dat hij ?112’ moest bellen. Toen de ambulance arriveerde was de vader van de verdachte bezig [slachtoffer] te reanimeren. Omstreeks 12:30 uur is [slachtoffer] door de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Bij binnenkomst in het ziekenhuis bleek dat [slachtoffer] al in coma was. Op 5 maart 2009 om 9:10 uur werd tijdens het neurologisch onderzoek door de kinderarts de klinische hersendood vastgesteld. Om 18:25 uur op die dag werd de beademing gestopt en is [slachtoffer] overleden.

Uit het dossier komt naar voren dat [slachtoffer], vermoedelijk circa twee weken voor het intreden van de dood, een breuk in het schedeldak heeft opgelopen, die geleid heeft tot een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom). Voorts was op 5 maart 2009 sprake van een recente re-bloeding in het subduraal hematoom. Onduidelijk is nog of [slachtoffer] is overleden aan de gevolgen van de re-bloeding, het oudere letsel of een combinatie van beide letsels.

Het onderzoek in de strafzaak tegen [mededader] is door de rechtbank heropend teneinde hierover uitsluitsel te verkrijgen.

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het haar onder 1 en 2 ten laste gelegde, te weten medeplegen van moord dan wel doodslag en mishandeling (met voorbedachten rade) met dodelijke afloop of (zwaar) lichamelijk letsel als gevolg met betrekking tot [slachtoffer]. Het hoger beroep van het openbaar ministerie is niet gericht tegen die vrijspraken.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de procespartijen desgevraagd meegedeeld dat de precieze doodsoorzaak van [slachtoffer] voor de behandeling en beoordeling van de zaak van de verdachte in het midden kan blijven en dat zij graag zouden zien dat de zaak tegen de verdachte in hoger beroep wordt behandeld en afgedaan. Gelet hierop en voorts gelet op de manier waarop het onder 3 ten laste gelegde is verwoord, is het hof van oordeel dat het in de onderhavige strafzaak niet noodzakelijk is de uitkomst van nader onderzoek naar de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] in de zaak tegen [mededader] af te wachten.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld - zakelijk weergegeven - dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk, in de zin van voorwaardelijk opzet, in hulpeloze toestand heeft achtergelaten, terwijl hij nog een baby was en geheel afhankelijk en hulpbehoevend. De verdachte had [slachtoffer] niet alleen met [mededader] mogen achterlaten in een periode waarin de onmacht en het onbehagen van [mededader] steeds groter werden en het de verdachte door diverse voorvallen duidelijk moet zijn geweest dat hij niet om kon gaan met [slachtoffer] en de afhankelijke en onzekere situatie waarin hij zelf verkeerde. De verdachte wist dat [mededader] geestelijk niet in goeden doen was en zeer hardhandig met de kinderen kon omgaan. Ook wist de verdachte dat hun dochter [dochter] door zijn toedoen letsel had opgelopen. De verdachte heeft volgens de advocaat-generaal willens en wetens de kans aanvaard dat [mededader] gewelddadig met [slachtoffer] zou omgaan, met het fatale letsel als gevolg.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte na bewezenverklaring van het onder 3 (aanhef en onder derde gedachtestreepje, eindigend met de woorden ?schadelijk was”) ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot teruggave aan de verdachte van de onder haar in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld - zakelijk weergegeven - dat de verdachte van het haar onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat de verdachte [slachtoffer] zo veel zij kon zelf en adequaat heeft verzorgd. Ook is de verdachte met [slachtoffer] wanneer daartoe aanleiding was naar de dokter gegaan en is [slachtoffer] steeds op de controles van het consultatiebureau geweest. De verdachte heeft getracht de taak van [mededader] te verlichten. Zij heeft er alles aan gedaan om eventuele mishandelingen van [slachtoffer] door [mededader] te voorkomen. Dat zij de ernst van de situatie verkeerd heeft ingeschat, is de verdachte niet in strafrechtelijke zin te verwijten.

Vrijspraak

Uit de stukken van het geding en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt onder meer het volgende.

[mededader] ervoer de situatie waarin hij zich bevond na de geboorte van [slachtoffer] in relatief korte tijd klaarblijkelijk als steeds uitzichtlozer. Hij kon de verzorging en de opvoeding van de kinderen steeds minder aan en had last van wisselende, overwegend sombere, stemmingen. Vóór die tijd was hij een overwegend zachtaardige, zorgzame en niet agressieve man. De beide oudste kinderen van de verdachte, uit een vorige relatie, waren zeer op hem gesteld en hij op hen.

[mededader] streefde een goede, maar strenge opvoeding na en allengs bleek dat hij hardhandig tegen de kinderen, en in het bijzonder tegen de baby [slachtoffer], kon optreden. De verdachte heeft onder meer verklaard tijdens haar bevallingsverlof te hebben gezien dat [mededader] [slachtoffer] enkele malen, om hem te doen stoppen met huilen, op het grote bed, zijn eigen bedje of in zijn wipstoeltje gooide, dan wel van enige hoogte liet vallen. Ook heeft hij [slachtoffer] bij een gelegenheid zo hard in zijn wipstoel geschommeld, dat de verdachte bang was dat de baby er uit zou vallen. De verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer] dan pakte en bij zich hield. De verdachte heeft nooit gezien dat [slachtoffer] aan het gooien door [mededader] iets heeft overgehouden. Zij heeft [mededader] diverse malen aangesproken op zijn gedrag en hem uitgelegd dat men voorzichtig met een baby moet omgaan. De verdachte heeft verklaard dat de laatste maal dat zij [mededader] aansprak op het feit dat hij [slachtoffer] op bed had gegooid, dit bijna in een slaande ruzie tussen haar en medeverdachte [mededader] ontaardde. Daarna heeft zij niet meer gezien dat [mededader] de baby gooide en had ze de overtuiging gekregen dat hij had begrepen dat en waarom hij dat niet moest doen. Zij meende daarom dat er geen beletsel was om weer aan het werk te gaan.

Op oudejaarsdag 2008, na haar werkhervatting, bemerkte de verdachte dat het toch niet goed ging met [mededader], omdat hij hun dochtertje [dochter], in de peuterleeftijd, zo hard in het gezicht had geslagen, dat zij gedurende enige dagen zichtbaar letsel had. Vanaf dat moment vroeg de verdachte een vriendin, [vriendin], of zij af en toe bij [mededader] langs wilde gaan. De verdachte heeft ook haar moeder gevraagd af en toe bij [mededader] langs te gaan.

De verdachte heeft verklaard dat zij er niet helemaal gerust op was dat het thuis goed ging als zij aan het werk was, dat zij [mededader] daarom meermalen vanaf haar werk belde en dat zij zich eenmaal om die reden ziek heeft gemeld bij haar werkgever terwijl haar klachten in werkelijkheid niet dusdanig waren dat zij niet kon werken. Zij had echter niet het idee dat er acuut in haar thuissituatie ingegrepen moest worden. Volgens de verdachte moest er echter wel wat gebeuren en daar was zij inmiddels mee bezig. De verdachte en [mededader] hadden namelijk de hulp van de moeder van [mededader], [moeder], ingeroepen. Zij paste af en toe al op [slachtoffer] en had hem een week in huis toen de verdachte en [mededader] beiden griep hadden. Het was de bedoeling dat zij op de dagen waarop de verdachte werkte als gastouder op de twee jongste kinderen zou gaan passen. De verdachte heeft hiertoe concrete stappen ondernomen, zoals het aanvragen van een oppasvergoeding voor de moeder van [mededader]. In dat kader heeft ook een huisbezoek van de desbetreffende organisatie plaatsgevonden.

Uit het dossier blijkt voorts dat de verdachte inderdaad, zoals ook door de verdediging naar voren is gebracht, met [slachtoffer] telkens naar de huisarts is gegaan wanneer er sprake was van mogelijke gezondheidsproblemen. Voorts is [slachtoffer] telkens met de gebruikelijke intervallen gepresenteerd bij het consultatiebureau en werd daar op 2 februari 2009 zelfs geconstateerd dat er sprake was van een ?tevreden baby’.

Het hof heeft kennis genomen van de tripelrapportage Pro Justitia van 22 februari 2010, opgemaakt door drs. G.M. Jansen, psycholoog, en J.M.J.F. Offermans, psychiater, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte intellectueel op benedengemiddeld niveau functioneert en hierdoor enige problemen zal ervaren met het overzien van complexe situaties. Zij komt uit het onderzoek naar voren als iemand die impulsief en chaotisch is en weinig structuur kan aanbrengen in haar bestaan.

Het hof stelt voorop dat het, evenals de advocaat-generaal en de raadsvrouw, niet bewezen acht dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen haar wordt verweten onder de eerste twee gedachtestreepjes van het als feit 3 ten laste gelegde, kort gezegd het niet voldoende verzorgen en/of niet tijdig naar een dokter en/of ziekenhuis brengen van [slachtoffer]. Hetzelfde geldt voor de strafverzwarende omstandigheden die zijn opgenomen in de laatste vijf regels van feit 3 van de tenlastelegging. Er is geen bewijs dat er - kort gezegd - aanwijzingen waren en/of dat de verdachte had moeten vermoeden dat [slachtoffer] vóór 4 maart 2009 (ernstig) letsel had opgelopen en/of (ernstig) ziek was.

Wat overblijft is de vraag of de verdachte [slachtoffer] opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten waarin hij - kort gezegd - werd mishandeld en die voor zijn gezondheid en zijn welbevinden gevaarlijk en schadelijk en/of levensbedreigend was (verder: de in de tenlastelegging bedoelde hulpeloze situatie). Op grond van de hiervoor onder het hoofdje ?vrijspraak’ genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, en mede in aanmerking nemend de enigszins beperkte capaciteiten van de verdachte zoals gebleken uit de eerdergenoemde tripelrapportage, acht het hof niet bewezen dat de verdachte hiertoe het opzet - al dan niet in voorwaardelijke vorm - had. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde en overweegt daartoe het volgende.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat de verdachte de wil had om [slachtoffer] in een situatie te brengen en/of te laten waarin hij - kort gezegd - werd mishandeld, zodat het rechtstreeks opzet ontbreekt.

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte zich er weliswaar van bewust is geweest dat er gevaar dreigde voor [slachtoffer]s lichamelijk en geestelijk welbevinden en zijn veiligheid, maar dat niet gezegd kan worden dat zij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in de in de tenlastelegging bedoelde hulpeloze situatie zou (komen te) verkeren. Gezegd kan immers worden dat zij, gelet op haar maatschappelijke en psychische mogelijkheden en zeker in haar eigen ogen, juist haar best heeft gedaan om dit te voorkomen. Daarbij weegt tevens mee dat de periode tussen haar werkhervatting op 28 december 2008 en het overlijden van [slachtoffer] op 5 maart 2009 relatief kort is te noemen. Dat de door haar genomen maatregelen om de zorg voor [slachtoffer] te verbeteren en [mededader] te ontlasten van de zorg voor [slachtoffer] - het inschakelen van een vriendin om af en toe eens langs te gaan, het in werking stellen van een procedure om de moeder van [mededader] in te schakelen voor de dagelijkse zorg voor [slachtoffer], bellen vanaf haar werk en een periode thuisblijven - niet voldoende en/of niet tijdig waren, kan de verdachte in deze omstandigheden niet in de zin van hetgeen artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht beoogt strafbaar te stellen, worden verweten. Het betreft hier immers een opzet- en niet een schulddelict.

Weliswaar had de verdachte als moeder, op grond van de algemene verplichtingen van ouders zoals onder andere neergelegd in het Burgerlijk Wetboek, de plicht om [slachtoffer] tegen het hardhandige optreden van [mededader] te beschermen en is zij daarin tekortgeschoten, maar daarvan kan haar naar het oordeel van het hof, in navolging van de rechtbank, geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Het vorenstaande leidt het hof tot de beslissing dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 3 ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1- 1.00 STK Kleding, k1: wit, Beddegoed (3554161), uit campingbedje,

2- 1.00 STK Niet te definiëren goederen, kl: groen, werkboekje (3554165), vanuit de woonkamer,

3- 1.00 STK Boek, kl: meerkl, Tijdschrift (3554167), vanuit woonkamer onder tv,

4- 2.00 STK Niet te definiëren goederen, papier (3554169), 2 Blaadjes Volgeschreven,

5- 1.00 STK Boek, kl: groen (3554215), in lade onder computer,

6- 1.00 STK Niet te definiëren goederen, k1: wit, Papier (3554220),

Stichtinggastouderbemiddelingsbureau zonneschijn,

7- 1.00 STK Kleding, kl: beige, beddegoed (3554224), uit campingbedje,

8- 1.00 STK Fototoestel, kl: zwart, KODAK COLOR (3562170), serienr.: KCGHA73640875 incl

geheugenkaart in camera,

9- 1.00 STK Bed, kl: blauw, stretch (3562177), babybed opvouwbaar,

10- 1.00 STK Map, ki: zwart (3562178), ringband, daarin 9 post-it, zie pvb bevindingen,

11- 1.00 DVS Drukwerk, kl: blauw (3562180), 0-4 jaar, onv D. [verdachte],

12- 1.00 STK Boek, kl: oranje (3562181), ‘zwanger’, zonder naam erin,

13- 1.00 DVS Papier (3562186), verz. papieren, tussenpers. sentif voor maatsch. Yarde,

14- 1.00 DVS Papier (3562189), verz. papieren, Maatschappij Ardanta,

15- 1.00 DVS Papier (3562190), verz. papieren, oude polis van maatsch. Ardanta,

16- 1.00 STK Boek, kl: blauw (3562199), 0-4 jaar onv jj [verdachte], en

17- 1.00 STK Schrift, kl: blauw (3562200), gedichtenbundel van verd. [verdachte].

Dit arrest is gewezen door de elfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. P.C. Kortenhorst en mr. M.E. Leijten, in tegenwoordigheid van

mr. D. Zeiss, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 november 2011.