Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BX7934

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
200.080.993-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2010:BO9350
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Persoonsgebonden budget is rechtstreeks uitbetaald aan firma die het beheer ging voeren over de financiën. Voor ongeveer de helft van het budget is geen verantwoording afgelegd. Zorgkantoor dat dit terugvordert had wellicht bewindvoerder als procespartij in het geding moeten betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ACHMEA ZORGKANTOOR N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. H. Post te Helmond,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.B. Biezen te Zaandam.

1.Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna (ook) Achmea en [geïntimeerde] genoemd.

Bij dagvaarding van 18 januari 2011 is Achmea in hoger beroep gekomen van het vonnis van de ¬rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem van 21 oktober 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 460328/ CV EXPL 10-3898 gewezen tussen haar als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Bij memorie van grieven heeft Achmea drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, haar vordering zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden, een productie in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen en Achmea zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep (waaronder de nakosten).

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1 tot en met 7, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan.

2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2.1. Per 26 mei 2006 heeft [geïntimeerde] een coachingsovereenkomst gesloten met BenT te Hillegom, een firma die onder meer het beheer ging voeren over haar financiën. Zij heeft BenT daartoe schriftelijk gemachtigd.

2.2.2. Op aanvraag, namens [geïntimeerde] door BenT verricht, heeft het Zorgkantoor bij beschikkingen van 12 februari 2007, nrs [nummer] en [nummer] aan haar een persoonsgebonden budget (PGB) toegekend en de in die beschikkingen genoemde bedragen aan [geïntimeerde] uitgekeerd. Het Zorgkantoor heeft deze bedragen rechtstreeks aan BenT betaald. BenT beheerde deze bedragen.

2.2.3. Ingevolge de beschikkingen diende [geïntimeerde] binnen zes weken na het einde van een voorschotperiode een formulier aan het Zorgkantoor te verstrekken waarin zij verantwoording aflegde over de besteding van het PGB. [geïntimeerde] heeft voor een bedrag van € 3.487,18 geen verantwoording afgelegd.

2.2.4. Op 26 mei 2008 heeft Achmea een beschikking subsidievaststelling PGB 2007 afgegeven, inhoudende dat van het vastgestelde budget van € 7.266,48 een bedrag van € 3.779,30 is verantwoord zodat € 3.487,18 te veel is ontvangen. Tegen deze beschikking, verstuurd aan Postbus 229, 2180 AE Hillegom, is geen bezwaar gemaakt.

2.2.5. Op 2 juni 2009 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage het faillissement uitgesproken van BenT.

2.2.6. Het Zorgkantoor heeft [geïntimeerde] bij herhaling gesommeerd het toegekende budget ten belope van € 3.487,18 terug te betalen; [geïntimeerde] heeft geen betaling gedaan aan het Zorgkantoor.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid in het hoger beroep

3.1 [geïntimeerde] heeft betoogd dat Achmea niet ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de kantonrechter te Haarlem op 7 april 2010 de goederen van [geïntimeerde] ex artikel 1:431 BW onder bewind gesteld heeft, met benoeming van de heer [X] tot bewindvoerder. De door Achmea ingestelde vordering heeft betrekking op de zaken die behartigd moeten worden door de bewindvoerder. Achmea was van het bewind en de persoon van de bewindvoerder op de hoogte, nu deze als gemachtigde van [geïntimeerde] verweer heeft gevoerd in de procedure in eerste aanleg. Achmea had de bewindvoerder daarom als procespartij in het geding moeten betrekken, doch heeft dat nagelaten, zodat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep.

3.2 Alvorens op dit onderdeel te beslissen zal het hof Achmea in de gelegenheid stellen zich daarover bij akte ter rolle uit te laten. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4. Beslissing

Het hof:

laat Achmea toe zich bij akte uit te laten over het in rechtsoverweging 3.1 verwoorde betoog van [geïntimeerde];

verwijst de zaak daartoe naar de rol van 27 december 2011;

iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.C. Meijer en J.C. Toorman en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 29 november 2011 door de rolraadsheer.