Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BX7845

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
200.040.259-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sport- en spelsituatie. Keeper heeft onvoldoende onderbouwd dat hij niet meer van actie kon afzien. Vond plaats na het maken van het doelschot en kon niet meer voorkomen dat het doel zou treffen. Tegenspeler behoefde er niet op bedacht te zijn. Blijvend letsel. Schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

+15 november 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. A. van Hees, te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats]

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

Bij dagvaarding van 11 mei 2009 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 11 februari 2009 van de rechtbank te Amsterdam, in deze zaak onder num¬mer 148343 / HA ZA 08-961 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

[appellant] heeft bij memorie vier grieven aangevoerd, een productie in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, een productie in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van, naar het hof begrijpt, het hoger beroep.

[appellant] heeft een akte uitlating productie in het geding gebracht.

Ten slotte is het hof verzocht arrest te wijzen.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, onder 2.1 tot en met 2.8, een aantal feiten vermeld. De juistheid hiervan is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen.

3. Beoordeling

3.1. Op 2 oktober 2004 vond in [gemeente] een voetbalwedstrijd plaats tussen een team van de voetbalvereniging Koninklijke HFC (hierna: HFC) en een team van de voetbalvereniging DSC ‘74 (hierna: DSC). [appellant] was tijdens die wedstrijd keeper voor DSC, [geïntimeerde] was veldspeler voor HFC. Een speler van DSC was scheidsrechter van de wedstrijd.

3.2. Tegen het einde van de wedstrijd, bij een stand van 5-0 in het voordeel DSC, zijn [geïntimeerde] en [appellant] met elkaar in botsing gekomen. [geïntimeerde], die scheenbeschermers droeg, heeft daarbij zijn been gebroken.

3.3. Na de botsing is het spel door de scheidsrechter stilgelegd. De scheidsrechter heeft [appellant] geen gele of rode kaart gegeven. Van het incident is geen melding gemaakt bij de KNVB.

3.4. [geïntimeerde] heeft nadien meerdere operaties ondergaan, doch heeft blijvend letstel overgehouden aan de beenbreuk. Inmiddels is in medisch opzicht sprake van een eindtoestand.

3.5. [geïntimeerde] heeft bij brief van zijn raadsman van 3 februari 2006 [appellant] aansprakelijk gesteld voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade.

3.6. Bij brieven van 8 en 15 februari 2006 hebben [appellant] en zijn schadeverzekeraar de aansprakelijkheid voor de schade afgewezen.

3.7. In deze procedure vordert [geïntimeerde] onder meer verklaring voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor alle schade, op te maken bij staat, die [geïntimeerde] als gevolg van de tackle door [appellant] heeft geleden.

3.8. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

3.9. Grief I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde], [getuige 1] en [getuige 2], als getuigen gehoord, eensluidend verklaren dat [appellant] met gestrekt been dan wel met beide benen gestrekt op [geïntimeerde] af kwam, nadat [geïntimeerde] de bal had geschoten en de bal al in het doel lag en terwijl [appellant] nog van zijn actie had kunnen afzien.

3.10. [appellant] legt aan de grief ten grondslag, samengevat, dat [appellant], na het doelschot en nadat de bal het doel trof, niet meer de mogelijkheid had om van zijn actie af te zien. De afstand tussen [appellant] en [geïntimeerde] was te kort, ook gezien de snelheid van [appellant], om nog in te houden. Indien, zo stelt [appellant], de door getuige [getuige 1] genoemde afstand van vier meter voor juist wordt aangenomen, had hij slechts minder dan twee seconden om te beslissen zijn actie af te blazen.

3.11. Naar het oordeel van het hof gaat het er om of [appellant], na het schot door [geïntimeerde] op het doel, nog de mogelijkheid had zijn ingezette beweging zodanig aan te passen dat hij niet, althans minder gevaarlijk, [geïntimeerde] zou raken. Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling dat daartoe onvoldoende tijd bestond. [appellant] heeft, tegenover de daarover door [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] afgelegde verklaringen, onvoldoende onderbouwd dat hij te weinig tijd te had om van zijn actie af te zien dan wel deze te onderbreken. De getuigenverklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] doen daar niet aan af: de verklaring van [getuige 4] is onvoldoende stellig en de verklaring van [getuige 5] heeft tegenover de andere verklaringen onvoldoende gewicht. [appellant] heeft bovendien de verklaring van [X](productie 1 bij Memorie van Antwoord), die met een berekening onderbouwt dat [appellant] zijn beweging had kunnen aanpassen, bij akte uitlating productie, onvoldoende gemotiveerd bestreden. Het hof acht, gelet op de genoemde verklaringen, bewezen dat [appellant], nadat [geïntimeerde] de bal had geschoten en deze in het doel lag, met gestrekt been dan wel met twee gestrekte benen, tegen [geïntimeerde] botste, terwijl hij daar nog van af had kunnen zien. De grief faalt.

3.12. Met grief II komt [appellant] op tegen de overweging van de rechtbank, dat, kort samengevat, hij zich zodanig heeft gedragen dat hij ondanks de sport- en spelsituatie jegens [geïntimeerde] aansprakelijk is.

3.13. Het hof stelt voorop dat in een sport- en spelsituatie minder snel mag worden aangenomen dat een deelnemer aansprakelijk is voor een gedraging die letsel veroorzaakt. In dit geval acht het hof - onder verwijzing naar hetgeen in 3.11 is overwogen – relevant dat (1) de omstreden gedraging plaatsvond na het maken van het doelschot en niet meer gericht kon zijn op het voorkomen daarvan (2) de omstreden gedraging er evenmin op gericht kon zijn te voorkomen dat dit schot doel zou treffen en (3) [appellant] van die gedraging nog af had kunnen zien. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat sprake was van een zodanige actie van [appellant] dat, ook al was sprake van een sport- en spelsituatie, [geïntimeerde] hierop redelijkerwijs niet bedacht behoefde te zijn. Grief II faalt daarom.

3.14. Grief III is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat [geïntimeerde] bij de door [appellant] weergegeven toedracht zo ernstig letsel zou hebben opgelopen als waarvan klaarblijkelijk sprake is. Er is, zo stelt [appellant] ter onderbouwing van de grief, onvoldoende concrete informatie over het letsel van [geïntimeerde] om de door de rechtbank getrokken conclusie te rechtvaardigen.

3.15. Het hof verwijst allereerst naar hetgeen bij de beoordeling van de eerste grief reeds is overwogen over de toedracht op basis van de verschillende getuigenverklaringen en de verklaring van Hollander. [appellant] heeft daarnaast geen grief gericht tegen de vaststelling door de rechtbank (r.o. 2.5) dat van blijvend letsel sprake is. Het hof verwijst bovendien naar de brief van Prof.dr [Y] van 12 januari 2009 (door [geïntimeerde] bij comparitie in eerste aanleg in het geding gebracht), waarin deze schrijft: “Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat bij een collisie tussen twee scheenbenen een type breuk ontstaat zoals dit bij U gebeurd is”. Het hof ziet in hetgeen [appellant] ter onderbouwing van zijn grief heeft aangevoerd, geen aanleiding om aan de verklaring van [Y]te twijfelen. In zoverre faalt de grief.

3.16. Indien [appellant] met deze grief (ook) heeft willen stellen dat de mogelijkheid van schade onvoldoende is komen vast te staan om de verwijzing naar een schadestaatprocedure te rechtvaardigen, faalt de grief (voor het overige) omdat het bestaan van schade op grond van het hierboven overwogene voldoende is komen vast te staan.

3.17. Grief IV heeft geen zelfstandige betekenis.

3.18. De slotsom is dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en dat [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing;

- verwijst [appellant] in de proceskosten, tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 313,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, C.C. Meijer en W.J. Noordhuizen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 november 2011.