Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BX7728

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
200.072.123-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kredietverzekering. Premie wordt berekend op basis van omzet. Verschuldigdheid en hoogte onvoldoende betwist. Onbekendheid met de inhoud staat niet aan gebondenheid aan algemene voorwaarden in de weg. Polisvoorwaarde dat incasso binnen 90 dagen wordt overgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOLLAND JOB BETONSTAAL B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

APPELLANTE,

advocaat: mr. W.J. Vroegindeweij te Katwijk,

t e g e n

de naamloze vennootschap ATRADIUS CREDIT INSURANCE N.V., gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M. Spaa te Voorburg.

De partijen worden hierna Betonstaal en Atradius genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 27 juli 2010 is Betonstaal in hoger beroep gekomen van een vonnis van de ¬rechtbank Amsterdam van 19 mei 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 429085 /HA ZA 09-1760 gewezen tussen haar als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en Atradius als eiseres in conventie en verweerster in reconventie.

Bij tussenarrest van 31 augustus 2010 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze heeft geen doorgang gevonden.

Betonstaal heeft bij memorie twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, haar eis vermeerderd, producties overgelegd en bewijs aangeboden, met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de vorderingen van Atradius alsnog zal afwijzen, Atradius zal veroordelen tot betaling van primair € 52.564,07, subsidiair € 45.051,97, dan wel meer subsidiair € 12.313.06, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, met veroordeling van Atradius in de kosten van het geding in beide instanties en tot terugbetaling van hetgeen Betonstaal ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep reeds aan Atradius heeft voldaan.

Daarop heeft Atradius bij memorie de grieven en de vermeerderde eis bestreden, producties overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Betonstaal in de kosten van het geding in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling

3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 7 mei 2001 heeft Betonstaal een kredietverzekering, genaamd de (ING Bank) MKB-Debiteurenpolis, gesloten met de rechtsvoorgangster van Atradius. Voor de beoordeling van het geschil moet ervan worden uitgegaan dat de verzekerings¬overeenkomst bestaat uit de volgende documenten: Algemene Voorwaarden nr. 433/02 (hierna: Algemene voorwaarden) en het Overzicht Specifieke Voorwaarden gedateerd 18 mei 2007 (hierna: Specifieke voorwaarden). De Algemene voorwaarden en de Specifieke voorwaarden worden hierna gezamenlijk als de polisvoorwaarden aangeduid.

3.2. Per 1 januari 2008 heeft Atradius de kredietverzekering beëindigd.

3.3. In eerste aanleg heeft Atradius in conventie gevorderd dat Betonstaal wordt veroordeeld tot betaling van € 16.978,21, vermeerderd met rente en kosten. Deze vordering is gebaseerd op door Atradius aan Betonstaal gefactureerde bedragen ter zake van premies en kosten in verband met de inning door Atradius van vorderingen van Betonstaal.

3.4. In reconventie heeft Betonstaal aanspraak gemaakt op een uitkering onder de kredietverzekering ter zake van haar vordering op [X] Betonijzer B.V. (hierna: [X]), vermeerderd met rente en kosten. Uit hoofde van deze tegenvordering heeft Betonstaal zich in conventie beroepen op verrekening, althans een opschortingsrecht.

3.5. De rechtbank heeft de vordering van Atradius voor een bedrag van € 15.105,15 toegewezen, vermeerderd met rente. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. De vordering van Betonstaal in reconventie is in eerste aanleg geheel afgewezen. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is Betonstaal veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie.

3.6. Grief I heeft betrekking op een deel van de (gedeeltelijk) toegewezen vordering van Atradius. Het gaat om de verschuldigdheid van premiefactuur 06754585 van 30 augustus 2007 ten bedrage van € 7.692,00. Het betreft een naheffing van de premie over het jaar 30 april 2006 tot 1 mei 2007. Betonstaal betoogt dat bij de berekening van de hoogte van deze premienaheffing ten onrechte is uitgegaan van de gehele omzet van Betonstaal, terwijl maar een beperkt deel daarvan is verzekerd.

3.7. Het hof overweegt dat niet in geschil is dat Atradius voorschotpremies in rekening heeft gebracht op basis van de verwachte jaarpremie. De daadwerkelijk verschuldigde jaarpremie dient volgens de polisvoorwaarden te worden berekend op basis van de door Betonstaal opgegeven omzet. De aldus vastgestelde daadwerkelijk verschuldigde premie wordt vervolgens verrekend met de betaalde voorschotpremie. Dit kan ertoe leiden dat Betonstaal nog een premiebedrag verschuldigd is dat door Atradius kan worden nageheven. Atradius heeft gesteld dat zij uitgaande van deze systematiek en op deze grond (aanvullende) premie in rekening heeft gebracht.

3.8. Betonstaal heeft op haar beurt geen gegevens verstrekt op grond waarvan het hof kan vaststellen dat Atradius ten onrechte premie heeft nageheven. Daarvoor was op z’n minst nodig geweest dat Betonstaal inzicht had gegeven in de voorschotpremie die zij heeft betaald en in de hoogte van de omzetdeclaratie. Dat heeft zij evenwel nagelaten. Ook de stelling van Betonstaal dat teveel premie is gefactureerd, omdat deze zou zijn berekend over de gehele omzet terwijl slechts een klein deel daarvan is verzekerd, heeft Betonstaal niet onderbouwd. Betonstaal had concreet aan de hand van de omzetopgave dienen toe te lichten welk deel van de opgegeven omzet volgens haar bij de premieberekening buiten beschouwing diende te worden gelaten en waarom dat had gemoeten. Omdat de genoemde onderbouwing ontbreekt, heeft Betonstaal de verschuldigdheid en de hoogte van de haar in rekening gebrachte premie onvoldoende betwist. Het hof kan daarom niet tot de conclusie komen dat Atradius in strijd met de polisvoorwaarden premie heeft nageheven. Het in dit verband gedane beroep van Betonstaal op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid faalt, omdat dat gebaseerd is op dezelfde hiervoor reeds verworpen stelling, namelijk dat Atradius premies in rekening zou hebben gebracht in strijd met hetgeen door partijen is overeengekomen.

3.9. Grief I is met het voorgaande vergeefs voorgesteld.

3.10. Grief II heeft betrekking op de aanspraak tot uitkering onder de kredietverzekering in verband met een vordering van Betonstaal op [X]. De in hoger beroep vermeerderde eis van Betonstaal ziet op de aanspraak tot een verzekeringsuitkering in verband met een vordering op [Y] Beheer B.V. (hierna: [Y]). Het hof zal deze aanspraken hierna (zoveel als mogelijk) gezamenlijk bespreken.

3.11. De aanspraken tot verzekeringsuitkering moeten in beginsel worden beoordeeld aan de hand polisvoorwaarden. Niet in geschil is dat de polisvoorwaarden zoals die door Betonstaal zijn overgelegd als productie 3 bij de inleidende dagvaarding van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst.

3.12. Betonstaal heeft aangevoerd dat Atradius wijzigingen in de polisvoorwaarden heeft aangebracht waarvan zij niet op de hoogte was. Het hof begrijpt dat Betonstaal het oog heeft op de wijziging die in artikel 14f van de Algemene voorwaarden is doorgevoerd. Met artikel 23150 van de Specifieke voorwaarden is onder andere artikel 14f van de Algemene voorwaarden gewijzigd en in verband daarmee is artikel 14e van de Algemene voorwaarden komen te vervallen. Artikel 23150 van de Specifieke voorwaarden maakt - onbestreden - onderdeel uit polisvoorwaarden zoals deze door Betonstaal zijn overgelegd als productie 3 bij de inleidende dagvaarding. De stelling van Betonstaal dat zij met de genoemde wijziging niet bekend was of had kunnen zijn, kan daarmee niet worden gevolgd.

3.13. Betonstaal stelt verder dat ‘de algemene voorwaarden’ van Atradius onredelijk bezwarend, onduidelijk en ingewikkeld zijn. Verder vindt zij het verwarrend dat er twee verschillende ‘algemene voorwaarden’ zijn, namelijk de Algemene voorwaarden en de Specifieke voorwaarden.

3.14. Het hof overweegt dat ook als de polisvoorwaarden algemene voorwaarden bevatten zoals bedoeld in Titel 5, afdeling 3 van Boek 6 BW, de door Betonstaal aangevoerde omstandigheden niet aan de toepasselijkheid daarvan op de verzekering in de weg kunnen staan. De genoemde omstandigheden kunnen ook niet leiden tot vernietiging van dergelijke algemene voorwaarden. Het volgende is van belang.

3.15. Voor zover Betonstaal stelt dat zij van de inhoud polisvoorwaarden geen kennis heeft genomen vanwege de ‘ingewikkeldheid’ daarvan en de tussentijdse wijzigingen die daarin zijn doorgevoerd, kan haar dat niet baten. Onbekendheid met de inhoud staat op grond van artikel 6:232 BW niet aan gebondenheid van de wederpartij aan algemene voorwaarden in de weg. Verder kan de omstandigheid dat een wederpartij geen kennis neemt van algemene voorwaarden uiteraard niet tot het oordeel leiden dat deze onredelijk bezwarend zijn. De enkele stelling dat algemene voorwaarden ‘ingewikkeld’ zijn en de omstandigheid dat deze in twee verschillende documenten zijn opgenomen, kunnen op zichzelf genomen niet meebrengen dat deze vernietigbaar zijn in de door Betonstaal bedoelde zin. Betonstaal heeft niet toegelicht welke algemene voorwaarden zij op het oog heeft, wat deze ingewikkeld maakt en waarom het gebruik van twee verschillende documenten ‘verwarrend’ is. Voor het overige heeft Betonstaal onvoldoende concreet toegelicht waarom welke algemene voorwaarden gelet op de aard en overige inhoud van de verzekeringsovereenkomst, de wijze van totstandkoming, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en overige omstandigheden van het geval voor haar onredelijk bezwarend zijn. De stellingen van Betonstaal kunnen daarom niet leiden tot het door haar ingeroepen rechtsgevolg.

3.16. Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van de beide aanspraken tot dekking onder de kredietverzekering overweegt het hof het volgende.

3.17. Atradius heeft in eerste aanleg ter afwering van de aanspraak van Betonstaal in verband met haar vordering op [X] zich erop beroepen dat de verzekerde uiterlijk 90 dagen na de overeengekomen vervaldag van de oudst onbetaald gebleven vordering het incasso van de totale uitstaande vorderingen op de debiteur aan Atradius dient over te dragen (zoals bepaald in artikel 23150 Specifieke voorwaarden). Atradius heeft gesteld dat Betonstaal deze polisvoorwaarde niet in acht heeft genomen. De rechtbank is Atradius daarin gevolgd. Zij heeft geoordeeld dat artikel 15 van de Algemene voorwaarden bij een schending van de termijn van 90 dagen meebrengt dat Betonstaal geen recht op uitkering toekomt. Ten aanzien van de aanspraak tot dekking in verband met de vordering van Betonstaal op [X] betoogt Atradius in hoger beroep dat de uitspraak van de rechtbank daarop van overeenkomstige toepassing is. Ook voor deze vordering geldt dat het incasso niet binnen de genoemde termijn van 90 dagen aan Atradius is overgedragen, aldus Atradius.

3.18. De rechtbank heeft overwogen dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de termijn van 90 dagen waarbinnen de verzekerde het incasso van een vordering aan Atradius dient over te dragen en de termijn van 6 maanden waarbinnen een aanspraak tot schadevergoeding moet worden ingesteld. Deze laatstgenoemde termijn volgt uit artikel 16 van de Algemene voorwaarden en ziet op het instellen van een aanspraak op een verzekeringsuitkering op grond van een verzekerde schadeoorzaak, in dit geval de insolventie van de debiteur. Betonstaal maakt in hoger beroep niet duidelijk dat en waarom dit oordeel onjuist is, zodat ook in hoger beroep van deze uitleg polisvoorwaarden dient te worden uitgegaan.

3.19. Betonstaal betoogt dat ten aanzien van beide aanspraken primair de termijn van 6 maanden en subsidiair de termijn van 90 dagen van toepassing is. Naar het oordeel van het hof heeft Atradius daartegenover terecht aangevoerd dat als de vordering te laat (namelijk niet binnen 90 dagen na de vervaldag van de factuur) ter incasso is overgedragen aan Atradius, de hiervoor genoemde systematiek polisvoorwaarden meebrengt dat Betonstaal geen aanspraak op dekking van deze vordering meer toekomt. De omstandigheid dat zich na het verstrijken van de termijn van 90 dagen, en dus ná het moment waarop geen aanspraak meer uit hoofde van de betreffende vordering geldend gemaakt kan worden, ten aanzien van dezelfde vordering een verzekerde schadeoorzaak voordoet (insolventie) kan daarmee niet alsnog tot dekking onder de kredietverzekering leiden. Het uitgangspunt voor de verdere beoordeling van de beide aanspraken is dat als de genoemde termijn van 90 dagen niet in acht is genomen, naar Atradius stelt, Betonstaal in beginsel geen aanspraak op dekking kan maken, ook niet als zich daarna een verzekerde schadeoorzaak heeft voorgedaan.

3.20. Ten aanzien van de vordering van Betonstaal op [X] heeft Betonstaal gesteld dat zij het incasso bij brief van 14 september 2006 aan Atradius heeft overgedragen. Vervolgens heeft Betonstaal op 1 februari 2007 een zogenaamde ‘schadeaangifte’ gedaan bij Atradius vanwege het faillissement van [X].

3.21. Atradius heeft deze feitelijke gang van zaken niet weersproken. Zij heeft de aanspraak tot dekking afgewezen, omdat de oudste factuur op [X] dateert van 14 april 2006. De overdracht van het incasso had daarom uiterlijk op 14 augustus 2006 moeten plaatsvinden, dat is 90 dagen na de overeengekomen vervaldag van de factuur, aldus Atradius.

3.22. Ook Betonstaal gaat ervan uit dat de oudste factuur op [X] dateert van 14 april 2006. Zij meent echter dat de door Atradius ingeroepen termijn van 90 dagen niet aan dekking in de weg staat, omdat de termijn voor indiening van de aanspraak 6 maanden bedraagt. Uit het hiervoor overwogene volgt echter dat Betonstaal van een onjuist uitgangspunt uitgaat. Als een factuur vanwege de overschrijding van de termijn van 90 dagen niet meer voor dekking in aanmerking komt, kan een daarna ingetreden verzekerde schadeoorzaak niet meer alsnog tot dekking leiden.

3.23. De omstandigheid dat op 14 september 2006 nog een (verlengde) kredietlimiet van toepassing was op [X], maakt het voorgaande niet anders. De kredietlimiet heeft betrekking op het maximaal verzekerd bedrag op een afnemer en staat los van het polisvereiste dat vorderingen tijdig ter incasso aan Atradius moeten worden overgedragen.

3.24. Betonstaal stelt verder dat Atradius bij haar het vertrouwen heeft opgewekt dat een verzekeringsuitkering zou worden overgegaan. Deze stelling faalt. Hetzelfde geldt voor het in dit verband gedane beroep op de redelijkheid en billijkheid. Uit de door Betonstaal overgelegde correspondentie van de zijde van Atradius kan niet méér worden afgeleid dan dat Atradius de incasso-overdracht in behandeling heeft genomen. Ten aanzien van de dekking onder de verzekering zijn geen toezeggingen gedaan. De enkele verwijzing naar de correspondentie van de zijde van Betonstaal, die dateert van ná de afwijzing van de dekking door Atradius, waarin wordt aangevoerd dat bepaalde toezeggingen door Atradius zijn gedaan, kan niet gelden als een voldoende motivering van het gestelde door Atradius opgewekte vertrouwen. Betonstaal heeft bewijs aangeboden, maar bij gebreke van een voldoende onderbouwing van haar stellingen is voor bewijslevering geen plaats. Het bewijsaanbod is bovendien onvoldoende gespecificeerd.

3.25. Tot slot heeft Betonstaal nog gesteld dat [X] de facturen van 21 april 2006 en 5 mei 2006 wel heeft voldaan. Die omstandigheid leidt eveneens niet tot een ander oordeel. Het verweer van Atradius tegen de aanspraak op dekking is gebaseerd op de omstandigheid dat Betonstaal was gehouden de vordering ter incasso over te dragen binnen 90 dagen na de overeengekomen vervaldag van de oudst onbetaald gebleven factuur. De betaling van andere facturen staat daarmee niet aan de toepasselijkheid van de termijn van 90 dagen in de weg.

3.26. De aanspraak van Betonstaal tot een verzekeringsuitkering ter zake van haar vordering op [X], ziet op het volgende. Atradius heeft gesteld dat zij bij brief van 1 juni 2007 in verband met deze aanspraak een voorstel tot een schadeafrekening heeft gedaan voor een bedrag van € 12.313,06. Betonstaal heeft de bij de schadeafrekening gevoegde akte tot overdracht van de vordering(en) op [X] niet ondertekend en deze niet aan Atradius geretourneerd. Betonstaal stelt dat zij daartoe niet is overgegaan, omdat tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de hoogte van het aan Betonstaal toekomend bedrag.

3.27. In het kader van de onderhavige procedure, onder andere op grond van afspraken die door partijen zijn gemaakt ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg, heeft Betonstaal omstreeks oktober 2009 aan Atradius een historisch overzicht verstrekt ter zake van haar debiteur [X]. Uit die stukken heeft Atradius afgeleid dat de overzichten die Betonstaal haar eerder in het kader van de aanspraak tot dekking had verstrekt niet juist waren. Het voorstel tot de schadeafrekening dat Atradius had gedaan, was daarmee in haar visie eveneens onjuist. Bij brief van 19 oktober 2009 heeft Atradius dit voorstel ingetrokken. Atradius heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat zij niet is gehouden dekking te verlenen, omdat het haar uit de verstrekte overzichten is gebleken dat Betonstaal niet binnen 90 dagen na de overeengekomen vervaldag van de oudst onbetaald gebleven vordering op [X] het incasso van haar totale vordering op [X] aan Atradius heeft overgedragen.

3.28. Betonstaal stelt in hoger beroep primair dat Atradius de vordering ter zake van [X] heeft erkend en niet meer van de (voorgestelde) schadeafrekening kan terugkomen.

3.29. Het hof overweegt dat de aard van de verzekeringsovereenkomst in beginsel meebrengt dat de verzekeraar de verzekerde niet dan na behoorlijk onderzoek dient mee te delen dat dekking voor een aanspraak wordt verleend. Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien, dat wanneer de verzekeraar zich eenmaal bereid heeft verklaard dekking te verlenen, hij daarvan niet kan terugkomen in het geval hem nadien is gebleken dat is uitgegaan van onjuiste of onvolledige informatie. Of het de verzekeraar niet meer vrijstaat terug te komen van een aanvankelijk gegeven bereidheid om dekking te verlenen, zal afhangen van de omstandigheden van het geval.

3.30. Vaststaat dat Betonstaal niet wilde instemmen met de door Atradius voorgestelde schadeafrekening. Het geschil zag met name op de hoogte van het aan Betonstaal toekomende bedrag. Overeenstemming over schadeafrekening bestond daarmee niet tussen partijen. Dit geschil heeft Betonstaal zelf aan de orde gesteld met haar in eerste aanleg in reconventie ingestelde vordering. In het kader van dit geschil heeft Betonstaal uiteindelijk openheid van zaken gegeven over de debiteurenpositie van [X]. Op grond van die informatie heeft Atradius vervolgens reden gezien haar aanvankelijke voorstel tot schadeafrekening in te trekken en zich op het ontbreken van dekking te beroepen. Het hof is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gezegd dat Atradius bij Betonstaal het gerechtvaardigde vertrouwen heeft opgewekt dat zij ook bereid was het bedrag als vermeld in de voorgestelde schadeafrekening uit te keren als in de loop van de procedure zou blijken dat dit voorstel op onjuiste gegevens was gebaseerd. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat ervan moet worden uitgegaan dat Betonstaal van meet af aan de beschikking had over de juiste en volledige informatie ten aanzien van de debiteurenpositie van [X]. Atradius heeft haar beroep op het ontbreken van dekking dan ook niet gebaseerd op voor Betonstaal nieuwe of onbekende gegevens. Nu Atradius pas in de loop van de procedure volledige openheid van zaken is gegeven, mocht Betonstaal tot dat moment niet gerechtvaardigd ervan uitgaan dat Atradius haar aanvankelijke voorstel tot schadeafrekening hoe dan ook gestand zou doen. Het beroep van Betonstaal op de artikelen 6:2 en 6:248 BW faalt daarmee.

3.31. In hoger beroep staat onbestreden vast dat Betonstaal niet binnen 90 dagen na de overeengekomen vervaldag van de oudst onbetaald gebleven vordering op [X] het incasso van haar totale vordering op [X] aan Atradius heeft overgedragen. Voor zover Betonstaal stelt dat niet de genoemde termijn van 90 dagen van toepassing is, maar de termijn van 6 maanden van artikel 16 van de Algemene voorwaarden, faalt dat betoog. Het hiervoor in r.o. 3.18 tot en met 3.22 overwogene ten aanzien van de vordering op [X] is op de vordering op [X] van overeenkomstige toepassing.

3.32. Met het voorgaande is grief II vergeefs voorgesteld en kan de in hoger beroep vermeerderde vordering niet toegewezen worden. Met deze stand van zaken kunnen de overige stellingen van Betonstaal onbesproken blijven.

3.33. Betonstaal heeft bewijs aangeboden, maar dit aanbod niet betrokken op voldoende concrete feitelijke stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Het aanbod wordt daarom gepasseerd.

3.34. De slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De in hoger beroep vermeerderde vordering van Betonstaal zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Betonstaal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de in hoger beroep door Betonstaal vermeerderde vordering af;

verwijst Betonstaal in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Atradius gevallen, op € 455,00 aan verschotten en € 1.631,00 aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en op 1 november 2011 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.