Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BX6025

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
200.090.301/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zwarte inkomsten onderhoudsgerechtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 15 november 2011 in de zaak met zaaknummer 200.090.301/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S.G.B.M. Schönhage te Almere,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.J. Wedemeijer te Alkmaar.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 6 juli 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 7 april 2011 van de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 117623/ES RK 10 203.

1.3. De vrouw heeft op 20 juli 2011 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De man heeft op 30 augustus 2011 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.5. De zaak is op 29 september 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

-de man, bijgestaan door zijn advocaat;

-de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 2004 gehuwd. Partijen zijn medio 2009 feitelijk uiteengegaan. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken. Uit een eerdere relatie van de vrouw zijn geboren een thans meerderjarige dochter [in] 1990 en [de minderjarige] [in] 1996. De vrouw oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige].

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1962. Hij is alleenstaand.

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgave over 2009 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 47.782,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man bewoonde woning betaalt hij € 825,- per maand aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 191,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. Het eigenwoningforfait bedraagt € 990,- per jaar.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 124,-.

2.3. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1972. Zij vormt met haar kinderen een eenoudergezin.

Zij ontvangt sedert december 2009 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand. In de periode van 1 maart 2009 tot 1 september 2009 was zij werkzaam als masseuse bij […] (hierna: [bedrijf]). Haar (vaste) salaris bedroeg € 200,- netto per maand.

3. Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van € 979,- bruto per maand met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking. Deze beslissing is gegeven op het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man € 1.000,- per maand als uitkering tot haar levensonderhoud zal voldoen.

3.2. De man verzoekt, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering tot haar levensonderhoud alsnog af te wijzen, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum te bepalen als het hof juist zal achten.

3.3. De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep het verzoek van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In incidenteel hoger beroep verzoekt zij, naar het hof begrijpt, voor zover het principaal hoger beroep van de man gegrond wordt verklaard en van een hoger bedrag aan inkomsten aan de zijde van de vrouw wordt uitgegaan, een nieuwe behoefteberekening te maken en een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen van € 979,- per maand.

3.4. De man verzoekt in incidenteel hoger beroep de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans het door haar verzochte af te wijzen.

4. Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1. De draagkracht van de man tot het betalen van de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw wordt door partijen niet betwist en staat derhalve vast.

4.2. Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud. De man stelt in principaal hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw van € 200,- netto per maand. De vrouw heeft tijdens het huwelijk altijd gewerkt en had naast haar vaste inkomen van € 200,- netto per maand zogenoemde zwarte inkomsten, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het bepalen van haar verdiencapaciteit. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd en betwist dat haar verdiencapaciteit hoger is dan € 200,- netto per maand.

De vrouw stelt in incidenteel hoger beroep dat, voor zover het hof tot het oordeel zou komen dat aan haar zijde van een hoger inkomen dan € 200,- netto per maand dient te worden uitgegaan, de rechtbank ten onrechte een netto gezinsinkomen van € 2.300,- per maand tot uitgangspunt heeft genomen en mitsdien het resultaat van de door de rechtbank gemaakte behoefteberekening onjuist is. De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en gesteld dat de vrouw in staat moet worden geacht een inkomen van € 1.800,- netto per maand te genereren. De behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud bedraagt dan € 262,- per maand, aldus de man.

4.3. Het hof zal in het navolgende eerst de grief van de man in principaal hoger beroep bespreken en overweegt hiertoe als volgt.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat haar werkgever maandelijks € 200,- overmaakte op haar bankrekening. De man heeft, ter nadere onderbouwing van zijn stelling dat de vrouw naast voormeld bedrag zwarte inkomsten had, aangevoerd dat de vrouw de gehele week van huis was om te werken als masseuse, althans dat zij gemiddeld vier dagen per week van 12.00 uur tot 19.00 uur werkte, en dat zij voor die werkzaamheden extra inkomsten moet hebben ontvangen. Voorts stelt de man dat hij, volgens de afspraak die partijen tijdens hun samenwoning hadden gemaakt, alle vaste lasten van de echtelijke woning voldeed en de vrouw de kosten van levensonderhoud betaalde. De man stelt dat voormeld maandsalaris van de vrouw ontoereikend is om die kosten ten behoeve van een gezin met twee kinderen te kunnen voldoen. De man heeft betoogd dat de vrouw regelmatig contante geldbedragen, zijnde haar zogenoemde zwarte inkomsten, op haar bankrekening stortte en heeft een aantal bankafschriften in het geding gebracht.

Blijkens die bankafschriften, welke betrekking hebben op de periode van 20 december 2007 tot en met 27 augustus 2009, heeft de vrouw regelmatig contante geldsommen, variërend van € 250,- tot € 800,- per keer, op haar rekening gestort. De vrouw betwist dat deze geldstortingen zwarte inkomsten betreffen en stelt dat zij die bedragen contant van de man ontving als huishoudgeld. De man betwist deze stelling van de vrouw gemotiveerd.

De vrouw heeft niet betwist dat zij zorg droeg voor de dagelijkse boodschappen ten behoeve van het gezin. Het hof acht het, met de man, niet aannemelijk dat hij het beweerdelijke huishoudgeld eerst van zijn bankrekening zou halen en contant aan de vrouw zou verstrekken, terwijl de vrouw dat geld vervolgens op haar bankrekening zou storten. Dit is te meer niet aannemelijk, nu de man onbetwist heeft gesteld dat hij andere bijdragen, zoals ten behoeve van een vakantie van de vrouw en haar kinderen in [land], rechtstreeks van zijn rekening op de bankrekening van de vrouw overmaakte. Voorts volgt het hof de stelling van de man dat de vrouw de dagelijkse kosten van de huishouding contant betaalde, nu uit de door de man overgelegde bankafschriften van de vrouw niet is gebleken van betalingen via de pinautomaat van supermarkten.

In het licht van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de stelling van de vrouw, dat voormelde contante stortingen door de man aan de vrouw verstrekt huishoudgeld betroffen, onvoldoende aannemelijk is geworden. Nu de vrouw onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft ter zake van de aard en herkomst van voormelde stortingen, acht het hof de stelling van de man dat de vrouw ten tijde van het huwelijk nog andere dan de door de rechtbank aangenomen inkomsten moet hebben gehad, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het hof acht derhalve voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw ten tijde van het huwelijk van partijen een hoger bedrag dan € 200,- netto per maand aan eigen inkomsten had.

4.4. Het hof is met de man van oordeel dat de vrouw ook thans redelijkerwijs in staat moet worden geacht een hoger inkomen dan € 200,- netto per maand te verwerven. De vrouw heeft in hoger beroep niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat zij destijds gemiddeld vier dagen per week bij [bedrijf] werkzaam was. Blijkens het proces verbaal van de op 2 februari 2011 gehouden terechtzitting bij de rechtbank heeft de vrouw gesteld dat zij drie tot vier keer per week bij [bedrijf] was, doch niet altijd aan het werk was. Voorts heeft zij gesteld dat zij rond 12.00 uur begon en om 19.00 uur naar huis ging. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij thans niet in staat is om gedurende gemiddeld vier dagen per week op voormelde werktijden werkzaam te zijn als masseuse. Haar stelling dat zij de zorg voor de kinderen heeft, doet hieraan niet af, nu zij deze zorg ten tijde van het huwelijk eveneens had. Dit geldt evenzeer voor haar stelling dat zij verplicht is onderwijs te volgen in het kader van haar inburgeringsexamen, nu ter zitting in hoger beroep is gebleken dat zij slechts drie ochtenden per week van 9.00 uur tot 12.00 uur naar school gaat.

Nu de grief van de man in principaal hoger beroep slaagt, komt het hof toe aan de bespreking van de grief van de vrouw in incidenteel hoger beroep. Het hof zal derhalve in het navolgende eerst, met inachtneming van bovenstaande, het netto gezinsinkomen van partijen bepalen en vervolgens de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud.

4.5. Vaststaat dat het netto inkomen van de man ten tijde van het huwelijk € 2.100,- bedroeg. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw naast haar vaste inkomen van € 200,- netto per maand extra inkomsten ter hoogte van € 1.600,- netto per vier weken moet hebben verdiend. Ter zake van die extra inkomsten heeft de man tot uitgangspunt genomen dat de vrouw ter zitting in eerste aanleg te kennen heeft gegeven dat zij € 25,- per uur van de klant ontving. Uitgaande van vier werkdagen per week en van gemiddeld vier klanten per dag komt de man tot voormeld bedrag van € 1.600,-. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep bevestigd dat zij per klant € 25,- ontving. Voorts heeft zij gesteld dat de klant € 50,- voor een behandeling diende te betalen en dat zij daarvan de helft kreeg.

Bij gebreke van nadere gegevens van de zijde van de vrouw en gelet op haar werktijden, acht het hof aannemelijk dat de vrouw de door de man genoemde inkomsten uit gemiddeld vier klanten per dag genereerde. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw (subsidiair) gesteld dat de man ten onrechte ervan uitgaat dat zij die extra inkomsten gedurende 52 weken per jaar zou kunnen verwerven. Zij betoogt in dat verband dat zij, indien zij niet werkt, ook geen zwarte inkomsten zal ontvangen, zodat uitgegaan moet worden van 40 werkweken per jaar. Anders dan de man acht het hof het redelijk om, voor zover het de genoemde andere inkomsten van de vrouw betreft, uit te gaan van 40 werkweken per jaar. Het hof zal derhalve rekening houden met € 16.000,- per jaar aan extra inkomsten. Hoewel voormelde inkomsten van € 16.000,- per jaar moeten worden geacht medebepalend te zijn geweest voor de welstand tijdens het huwelijk, acht het hof het niettemin redelijk om deze als bruto inkomsten te beschouwen, nu deze in het navolgende mede bepalend zijn voor de opnieuw vast te stellen verdiencapaciteit van de vrouw, en daarbij rekening dient te worden gehouden met het feit dat de vrouw alsdan eveneens inkomstenbelasting verschuldigd zal zijn. Het hof zal derhalve een netto bedrag van € 1.059,- per maand aan extra inkomsten in aanmerking nemen. Dit brengt met zich dat aan de zijde van de vrouw rekening dient te worden gehouden met een totaal netto inkomen van € 1.259,- per maand.

Het hof zal bij het bepalen van de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud derhalve een netto gezinsinkomen van € 3.359,- tot uitgangspunt nemen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van de kinderen in totaal € 463,- per maand bedroegen, zodat het hof deze kosten in mindering zal brengen op voormeld netto gezinsinkomen. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de netto behoefte van de vrouw kan worden bepaald op 60% van het restant. Het hof zal de totale netto behoefte van de vrouw aldus bepalen op € 1.738,- netto per maand, zijnde € 2.490,- bruto per maand.

4.6. Nu de vrouw, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ook thans redelijkerwijs in staat moet worden geacht voormeld inkomen te verwerven, zal het hof bij het bepalen van de behoefte van de vrouw aan een (aanvullende) uitkering tot haar levensonderhoud rekening houden met een verdiencapaciteit van € 1.259,- netto per maand, hetgeen neerkomt op een bruto bedrag van € 1.645,- (zijnde € 16.000 / 12 = € 1.333.- per maand, vermeerderd met het bruto loon ad € 312,- per maand bij [bedrijf]). Het hof bepaalt de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud aldus op € 845,- per maand.

4.7. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 845,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor het de daarin bepaalde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man vanaf heden bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op € 845,- (ACHTHONDERD VIJFENVEERTIG EURO) per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E. Buitendijk, M.M.A. Gerritzen Gunst en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2011.