Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BX4456

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
200.090.680-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek man eenhoofdig gezag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 13 december 2011 in de zaak met zaaknummer 200.090.680/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. N.H.G. Beltman te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 12 juli 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 13 april 2011 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 451671/FA RK 10 1347 (gezag) en 453257/FA RK 10 1895 (omgang) (MN CH).

1.3. De man heeft op 29 september 2011 nadere stukken ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 30 september 2011 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 10 oktober 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw F.L.M. Huizinga, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een relatie gehad. Partijen zijn in 2002 feitelijk uiteengegaan. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [het kind]) [in] 2001. De man heeft [het kind] erkend. De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over [het kind]. [het kind] verblijft bij de vrouw en haar partner.

2.2. Bij de bestreden beschikking is als voorlopige omgangsregeling bepaald dat de man [het kind] eenmaal per twee weken gedurende drie uren bij zich zal hebben, alsmede bepaald dat de omgangsregeling zal worden opgebouwd onder begeleiding van de Opvoedpoli, waarbij de Opvoedpoli tijdstip, duur en frequentie zal bepalen en waarbij partijen zich dienen aan te melden bij de Opvoedpoli. Voorts is iedere verdere beslissing omtrent de omgangsregeling aangehouden.

2.3. Bij de stukken bevindt zich een rapport van de Raad van 3 december 2010.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de man hem alleen met het gezag over [het kind] te belasten, afgewezen.

3.2. De man verzoekt, naar het hof begrijpt met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking van dit hof alleen met het gezag over [het kind] zal worden belast.

3.3. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253c lid 3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wordt het verzoek van de vader hem alleen met het gezag te belasten slechts toegewezen, indien dit in het belang van het kind wenselijk wordt geoordeeld.

4.2. De man stelt dat het in het belang van [het kind] is wanneer hij alleen met het gezag wordt belast. Volgens de man is de vrouw, gelet op haar psychische situatie, periodiek niet in staat om voor [het kind] te zorgen en laat zij in dat geval de zorg voor [het kind] over aan derden, hetgeen niet in het het belang van [het kind] is. Voorts neemt de vrouw onder invloed van haar psychische stoornis regelmatig beslissingen die niet in het belang van [het kind] zijn. De man wil, in zodanig voorkomende situaties, wanneer de vrouw daartoe niet in staat is, gezagsbeslissingen over [het kind] kunnen nemen.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4.3. De Raad heeft ter zitting het hof geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het gaat goed met de vrouw. Zij heeft een stabiele situatie weten te creëren. De terugval in 2008/2009 was eenmalig. De Raad verwacht niet dat een dergelijke situatie zich opnieuw zal voordoen.

4.4. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een verzoek als bedoeld in artikel 1:253c lid 3 BW, in het licht van hetgeen in het belang van het kind wenselijk is, de mogelijkheden die ieder van de ouders aan het kind biedt of kan bieden, dienen te worden afgewogen en aan de hand daarvan dient te worden beoordeeld aan wie van de ouders het ouderlijk gezag het best kan worden opgedragen. Hierbij zal tevens rekening moeten worden gehouden met mogelijke nadelen die voor het kind verbonden kunnen zijn aan het enkele feit van een verandering van het ouderlijk gezag en een daarmee verband houdende wijziging van de verzorgingssituatie.

4.5. Vaststaat dat [het kind] na de beëindiging van de samenleving van partijen bij de vrouw is blijven wonen en dat partijen destijds in onderling overleg de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [het kind] hebben verdeeld.

Voorts staat vast dat de vrouw lijdt aan een bipolaire- en angststoornis. In de periode van eind 2008 tot oktober 2009 kon de vrouw, als gevolg van haar psychische toestand, tijdelijk niet zelf de dagelijkse zorg voor [het kind] dragen en is [het kind] tweemaal gedurende enkele maanden in een gastgezin ondergebracht.

4.6. Het hof overweegt dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep genoegzaam is gebleken dat de thuissituatie van [het kind] bij de vrouw stabiel is en dat het goed gaat met [het kind] bij de vrouw. Voorts volgt het hof de Raad in zijn standpunt dat de vrouw destijds een verantwoorde beslissing heeft genomen door tijdig hulpverlening in te schakelen en opvang voor [het kind] te regelen, toen zij deze zelf niet kon bieden. De vrouw heeft, sinds het uiteengaan van partijen, als hoofdopvoeder van [het kind] gefungeerd en zij heeft, uitgezonderd voormelde periodes, altijd de benodigde dagelijkse zorg voor [het kind] geboden, waaronder begrepen de extra zorg die [het kind] gelet op haar medische situatie behoeft. Het hof acht het reeds hierom niet in het belang van [het kind] dat in deze situatie, waarin de vrouw als hoofdopvoeder de gezagsbeslissingen neemt, wijziging wordt gebracht. Dat de man zich op het standpunt stelt geen verandering te willen brengen in de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vrouw, maakt dit niet anders. Het hof overweegt in dit verband nog dat, zoals uit het onderzoek van de Raad blijkt, de rol van de man in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [het kind] steeds beperkt is geweest en de man weinig inzicht heeft in de ontwikkelingstaken en behoeften van [het kind].

Gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking genomen het advies van de Raad, is het hof van oordeel dat het in het belang van [het kind] niet wenselijk is om de man alleen met het gezag te belasten.

4.7. Voor zover de man, met een beroep op de door hem in het geding gebrachte jurisprudentie, betoogt dat een gezagswijziging is aangewezen als uiterste middel om in het belang van [het kind] omgang te bewerkstelligen, leidt dit betoog niet tot een ander oordeel. Het hof merkt op dat, nog afgezien van de vraag of een dergelijke situatie in dezen tot een wijziging van het gezag zou dienen te leiden, uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat de man thans eenmaal per twee weken omgang met [het kind] heeft en dat derhalve geen sprake is van een situatie als die waarop de man doelt.

4.8. Voor zover de man betoogt dat hij uitsluitend in de gevallen dat de vrouw daartoe gezien haar psychische gesteldheid niet in staat zou zijn, alleen het gezag over [het kind] wenst uit te oefenen, overweegt het hof dat het bepaalde in artikel 1:253c lid 3 BW niet voorziet in de situatie waarin een ouder al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen.

4.9. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Kleene Eijk, C.E. Buitendijk en J. Kok in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2011.