Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BX4450

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
200.086.598-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie; grievende gedragingen onderhoudsgerechtigde; behoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 15 november 2011 in de zaak met zaaknummer 200.086.598/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. C.C.S. Vermeulen te Amstelveen,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A.E. Hooijschuur te Wormerveer.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 3 mei 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 8 februari 2011 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 170369/10 1912.

1.3. De vrouw heeft op 24 juni 2011 een verweerschrift ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 2 september 2011 nadere stukken ingediend.

1.5. De man heeft op 19 september 2011 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 29 september 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1995 gehuwd. Partijen zijn begin 2008 feitelijk uiteengegaan. Hun huwelijk is op 3 mei 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Haarlem van 8 februari 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind A] [in] 1994, [kind B] [in] 1997 en [kind C] [in] 2000 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). Uit de vrouw is voorts geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2009. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De moeder oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige]. Partijen hebben ieder een nieuwe affectieve relatie.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Ten aanzien van de man is onder meer het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1959. Hij is alleenstaand.

De financiële gegevens van de man, waarvan bij de bestreden beschikking is uitgegaan, zijn niet in geschil.

2.3. Ten aanzien van de vrouw is onder meer het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1968. Zij vormt met de kinderen van partijen en [de minderjarige] een eenoudergezin.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op het gewijzigde zelfstandig verzoek van de vrouw bepaald dat de man met ingang van de datum waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal voldoen van € 495,- per maand.

3.2. De man verzoekt met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de vrouw – naar het hof begrijpt – tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum gedurende een zodanige periode te bepalen als het hof juist zal achten.

3.3. De vrouw verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel dat verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De draagkracht van de man tot het betalen van de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw wordt niet betwist en staat derhalve vast.

4.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of van de man kan worden gevergd dat hij een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw voldoet. De man stelt dat het gedrag van de vrouw gedurende de laatste 10 jaren van het huwelijk van partijen voor hem dermate grievend is geweest dat geen sprake meer is van een zodanige lotsverbondenheid tussen hen, dat daaruit een alimentatieplicht voortvloeit, althans dat de rechtbank hiermee bij het bepalen van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw geen rekening heeft gehouden.

Voorts zijn partijen verdeeld over de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud. De man stelt hij dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de (groeiende) verdiencapaciteit van de vrouw. Hij acht de vrouw in staat meer uren te werken dan zij thans doet, nu zij voldoende opleiding heeft genoten en in ieder geval gedurende drie dagen per week niet de zorg heeft voor de kinderen van partijen.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4.3. Het hof stelt voorop dat de lotsverbondenheid tussen partijen, zoals die door het huwelijk is geschapen, haar werking – zij het in beperkte omvang – behoudt ook na het staken van de huwelijksband, in de vorm van een onderhoudsplicht. Bij die uitkering tot levensonderhoud die de rechter op grond van het bepaalde in artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek (BW) kan toekennen, dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zowel financiële als ook niet financiële. Een dergelijke (subjectieve) niet-financiële omstandigheid kan gelegen zijn in grievende gedragingen van de onderhoudsgerechtigde, die van zodanige ernst en aard kunnen zijn dat van de onderhoudsplichtige – naar analogie van het bepaalde in artikel 1:399 BW – in redelijkheid niet (langer) kan worden gevergd dat hij (ten volle) bijdraagt in het levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. Bij die beoordeling kunnen tevens objectieve niet financiële omstandigheden, zoals de duur van het huwelijk en de omstandigheid dat uit het huwelijk wel of geen kinderen geboren zijn, in aanmerking worden genomen.

De man heeft in dit verband onder meer gesteld dat de vrouw vanaf 2002 verscheidene buitenechtelijke relaties heeft gehad en dat uit haar laatste relatie in 2009 [de minderjarige] is geboren, met wiens aanwezigheid hij door de vrouw bij voortduring wordt geconfronteerd, omdat de vrouw het merendeel van de weekdagen met [de minderjarige] in de voormalig echtelijke woning verblijft.

4.4. In hetgeen de man heeft aangevoerd, acht het hof onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat de gedragingen van de vrouw dermate grievend zijn, dat in redelijkheid niet van de man kan worden gevergd dat hij bijdraagt in haar levensonderhoud, dan wel dat die onderhoudsverplichting zou moeten worden gematigd. Het hof hecht in dit verband, evenals de rechtbank, tevens belang aan de lange duur van het huwelijk van partijen en de omstandigheid dat uit dit huwelijk hun drie kinderen zijn geboren. Voorts neemt het hof in aanmerking dat zowel de vrouw als de man op enig moment tijdens hun huwelijk een buitenechtelijke relatie is aangegaan. Tevens is gebleken dat partijen beiden na de beëindiging van hun samenleving ervoor hebben gekozen om in de voormalig echtelijke woning afwisselend voor hun kinderen te zorgen. Dat de vrouw derhalve ook met [de minderjarige] in de voormalig echtelijke woning verblijft, is daarmee een gegeven en levert geen grievend gedrag op van de vrouw jegens de man.

De stelling van de man dat de vrouw hem in het bijzijn van de kinderen verbaal agressief bejegent, acht het hof – nog daargelaten of dit kan worden aangemerkt als grievend gedrag in de vorenbedoelde zin – in het licht van de uitdrukkelijke betwisting door de vrouw, onvoldoende aannemelijk geworden. De eerste grief van de man faalt derhalve.

4.5. De man heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vrouw redelijkerwijs in staat moet worden geacht haar werkzaamheden uit te breiden en een hoger inkomen te verdienen dan zij thans doet, zodanig dat zij zelf in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien dan wel op termijn zal kunnen voorzien.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man ten tijde van het huwelijk van partijen kostwinner was. Ter zitting in hoger beroep heeft de man – door de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden – gesteld dat hij in 2007 ongeveer € 2.600,- netto per maand verdiende. Gelet hierop en op de kosten van de kinderen, overweegt het hof dat, zelfs indien zou worden uitgegaan van de door de man gestelde verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw van € 400,- netto per maand, de behoefte van de vrouw aan de door de rechtbank bepaalde aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud nog steeds aanwezig is.

Voor zover de man stelt dat de vrouw in de loop der jaren meer zal gaan verdienen, betreft dit een toekomstige omstandigheid waarmee thans geen rekening dient te worden gehouden. Voor zover de man stelt dat niet van hem kan worden gevergd dat hij gedurende 12 jaren een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw voldoet en hij in zoverre een beroep doet op limitering van de alimentatietermijn, overweegt het hof dat de man die stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd, zodat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. De stelling van de man dat hij in dat geval geen mogelijkheid meer heeft om te sparen voor een oudedagsvoorziening, acht het hof in dit verband onvoldoende. Ook de tweede grief van de man faalt.

4.6. Op grond van hetgeen is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E. Buitendijk, M.M.A. Gerritzen Gunst en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2011.