Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BX3052

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
200.097.983/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht, wsnp. Weliswaar heeft betrokkene geen aangiftes gedaan toen hij nog een eigen bedrijf had, maar in dit geval toch toelating vanwege gewijzigde omstandigheden. Betrokkene heeft geen onderneming meer, zijn goederen staan onder bewind, hij heeft een woonbegeleider en zijn financiële situatie is stabiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 17 januari 2012 in de zaak met zaaknummer 200.097.983/01 van:

1. X,

2. Stichting CAV, bewindvoerder,

APPELLANTEN,

advocaat: mr. J.C.R. de Lyon te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellanten – hierna X c.s. – zijn bij op 29 november 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2011 met rekestnummer 500304/FT-RK 11.2141, waarbij het verzoek van X tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 10 januari 2012. Bij deze behandeling zijn X en namens de beschermingsbewindvoerder J verschenen, bijgestaan door mr. De Lyon.

2. De gronden van de beslissing

2.1 De rechtbank heeft op de in de beslissing waarvan beroep vermelde gronden het verzoek van X om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is X ten aanzien van het ontstaan van zijn schuld aan de belastingdienst ad € 52.330,17 niet te goeder trouw geweest, nu het grootste gedeelte van die schuld betrekking heeft op ambtshalve opgelegde aanslagen over de jaren 2002 tot en met 2009 waarvoor geen aangiftes zijn ingediend. Bovendien heeft X geen behoorlijk boekhouding getoond, zodat de achtergrond van zijn schulden niet kan worden gecontroleerd en hij dus ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van de overige schulden te goeder trouw is geweest. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er geen omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken die aanleiding kunnen geven tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw.

2.2 In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.2.1 X is een alleenstaande man van 57 jaar oud. X heeft van 15 november 1997 tot en met 1 maart 2009 een eenmanszaak gehad, “X Produktiebedrijf”. Hij werkte als freelance cameraman tot hij op 9 maart 2009 een hersenbloeding kreeg, waaraan hij blijvende functionele beperkingen heeft overgehouden. Tot maart 2010 heeft X in een revalidatiecentrum verbleven. Hij is toen verhuisd naar een zelfstandige woning met ondersteuning. Zijn woonbegeleider van de Osiragroep beheert onder meer zijn agenda en verzorgt zijn administratie. De goederen van X zijn met ingang van 24 november 2011 onder bewind gesteld met benoeming van Stichting CAV tot bewindvoerder.

2.2.2 De totale schuldenlast van X bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw op 20 september 2011 € 73.887,33, waaronder de schuld aan de belastingdienst Amsterdam van € 52.330,17.

2.2.3 X heeft erkend dat de belastingdienst ambtshalve aanslagen heeft opgelegd omdat hij geen aangiftes heeft ingediend. X had zijn boekhouding ondergebracht bij een administratiekantoor. Hoewel hij beseft dat hij zelf verantwoordelijk blijft voor het doen van aangiftes, ging hij er destijds wel vanuit dat dit kantoor dat zou doen. Toen hij na zijn revalidatie erachter kwam dat dit niet was gebeurd, heeft hij getracht contact te krijgen met de boekhouder, maar dit is niet gelukt. Deze omstandigheden zijn thans gewijzigd, aldus X, in die zin dat hij thans zijn beroep niet meer kan uitoefenen en geen eigen zaak meer heeft. Bij al zijn dagelijkse verrichtingen en ook bij het beheer van zijn financiële administratie is hij afhankelijk van derden. Zijn woonbegeleider verzorgt onder andere zijn administratie en sinds november 2011 zijn zijn financiën ondergebracht bij een beschermingsbewindvoerder. X verzoekt het hof rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden.

2.3 Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is dat X bij het ontstaan en onbetaald laten van de schuld aan de belastingdienst te goeder trouw is geweest.

Gezien de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is echter duidelijk geworden dat de omstandigheden waarin de schulden zijn ontstaan, thans niet meer aanwezig zijn. X heeft geen eigen zaak meer, zijn situatie is thans in financieel opzicht stabiel. Hij ontvangt een uitkering, krijgt woonbegeleiding en zijn goederen staan onder bewind. Voorts heeft het hof er vertrouwen in dat X met hulp van zijn woonbegeleider en beschermingsbewindvoerder zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en is het hof van oordeel dat hij een kans moet krijgen uit zijn financieel benarde situatie te geraken.

2.4 Gelet op hetgeen onder 2.3 is overwogen zal het hof de beslissing van de rechtbank vernietigen en het onderhavige verzoek van X alsnog toewijzen.

3. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing waarvan beroep;

- verklaart alsnog op X de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing;

- verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, J.C. Toorman en R.J.Q. Klomp en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van

17 januari 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.