Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BX0860

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
200.063.623
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Concurrentiebeding, meerdere ondertekende versies. Bewijs/tegenbewijs. Bevrijdend verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0664
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.063.623

(zaaknummer rechtbank 614955)

arrest van de derde kamer van 19 juni 2012

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Paralax B.V.,

gevestigd te Maarssen,

geïntimeerde,

hierna: Paralax,

advocaat: mr. R.J.B. Baarspul.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 16 december 2009 dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 8 februari 2010 Paralax aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Paralax voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] negen grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, heeft hij zijn eis gewijzigd en heeft hij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende,

• het concurrentiebeding in artikel 20 van de arbeidsoverenkomst van [appellant], voor zover van toepassing zal vernietigen, althans gedeeltelijk in zodanige mate als het hof in goede justitie meent te behoren;

• het boetebeding van artikel 21 van de arbeidsovereenkomst van [appellant], voor zover van toepassing, zal vernietigen althans te matigen in zodanige mate als het gerechtshof in goede justitie meent te behoren;

• Paralax zal veroordelen om aan [appellant] een bedrag van € 48.000,- te betalen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 maart 2009 tot aan de dag de algehele voldoening;

• Paralax zal veroordelen om aan [appellant] een bedrag van € 50.000,- te betalen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 november 2009 tot aan de dag de algehele voldoening;

• Paralax zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, het salaris van advocaten dan inbegrepen, begroot op een bedrag van € 25.000,-;

• Paralax zal veroordelen om aan [appellant] een bedrag van € 928,20, zijnde de buitengerechtelijke kosten voor het inhuren van drs. P. L. Zevenbergen, te betalen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag de algehele voldoening;

• Paralax zal veroordelen om aan [appellant] het verschil tussen de rente over een hypothecaire lening die [appellant] heeft moeten afsluiten voor het betalen van de kosten van de bodemprocedure en het kort geding in beide instanties enerzijds en de wettelijke rente anderzijds, te betalen;

• Paralax zal veroordelen om aan [appellant] alle kosten, die hij voor het verkrijgen van deze hypothecaire leningen moeten maken, te betalen begroot op € 4.986,87;

• Paralax zal veroordelen aan [appellant] te betalen de buitengerechtelijke kosten, gebaseerd op het in deze gebruikelijke liquidatietarief.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Paralax verweer gevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof, zowel in conventie als in reconventie, de memorie van grieven van [appellant] althans het door hem ingestelde hoger beroep, niet-ontvankelijk zal verklaren, althans [appellant] zijn vorderingen zal ontzeggen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van gronden, als ook de door [appellant] vermeerderde, althans veranderde, eis af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, een salaris voor de advocaat van Paralax daarin begrepen.

2.3 Het aanvankelijk door [appellant] gevraagde en toegestane pleidooi heeft op verzoek van partijen geen doorgang gevonden.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.11 van het bestreden vonnis.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De zaak gaat over het volgende. [appellant] is van 1 september 2003 tot 1 maart 2004 als "partnermanager" en "accountmanager" in dienst geweest van Paralax, een onderneming in computersoftware. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst zijn een geheimhoudingsbeding, een concurrentiebeding en een boetebeding opgenomen.

[appellant] is op [datum] in dienst getreden van PlanningIT B.V. te Zeist, een directe concurrent van Paralax op de Nederlandse markt.

4.2 In deze zaak gaat het om de vraag of [appellant] het concurrentiebeding heeft overtreden en de daarop gestelde boete is verschuldigd. De kantonrechter heeft geoordeeld, kort gezegd en voor zover hoger beroep nog van belang, dat daarvan sprake is. De kantonrechter heeft overwogen dat [appellant] de boete verschuldigd is tot een bedrag van

€ 98.000,-. Na aftrek van hetgeen [appellant] op grond van een veroordeling in kort geding tot betaling van een voorschot reeds heeft voldaan, een bedrag van € 50.000,-, heeft de kantonrechter het restant van de boete, maar dan gematigd tot € 48.000,-, ten laste van [appellant] in reconventie toegewezen. In conventie is de vordering van [appellant] strekkende tot, kort gezegd, een verklaring voor recht dat hij het concurrentiebeding niet heeft overtreden, alsmede subsidiair een vordering tot matiging in die zin dat de duur ervan wordt beperkt tot de periode van 1 maart tot [datum], afgewezen.

[appellant] is in hoger beroep gekomen van dit vonnis. Nu Paralax daarvan niet zelf beroep heeft ingesteld ligt de matiging van de boete tot € 48.000,- in zoverre niet voor (wel ligt voor het beroep van [appellant] op verdergaande matiging).

4.3 Als meest verstrekkende verweer, ook in hoger beroep, heeft [appellant] aangevoerd dat tussen partijen geen concurrentiebeding gold. [appellant] heeft gesteld dat partijen een dienstverband voor bepaalde tijd zijn overeengekomen en dat het aanvankelijk overeengekomen, althans - zo begrijpt het hof - voorgenomen onvoorwaardelijke concurrentiebeding tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek is omgezet in een voorwaardelijke concurrentiebeding, inhoudende dat het concurrentiebeding zou vervallen indien het dienstverband niet zou worden omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Omdat omzetting van het tijdelijk naar een vast dienstverband niet heeft plaatsgevonden geldt geen concurrentiebeding, zo heeft [appellant] gesteld. Voorts voert hij aan dat deze afspraak in een brief van 14 april 2004 is bevestigd.

4.4 In het dossier bevinden zich twee verschillende versies van de arbeidsovereenkomst. In de versie van Paralax is in artikel 20 sprake van een onvoorwaardelijk concurrentiebeding (productie 1 bij conclusie antwoord). In de versie van [appellant] is sprake van een voorwaardelijke concurrentiebeding (productie 1 bij inleidende dagvaarding). In het aldaar weergegeven artikel 20 is na de tekst die ook voorkomt in de versie van Paralax de volgende tekst opgenomen: "Het in dit artikel vermelde concurrentiebeding is niet van toepassing indien de werkgever besluit, ondanks zijn intentie daartoe, deze arbeidsoverenkomst niet om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Tevens vervalt in dat geval het sub 21 bepaalde.” Artikel 21 bevat de boeteclausule. Beide versies bevatten een handtekening van [X], directeur van Paralax, (hierna mede: [X]) Partijen hebben elkaar er over en weer van beticht dat de door ander ingeroepen versie valselijk is opgemaakt.

4.5 Het hof stelt voorop dat het hof, met de kantonrechter, van oordeel is dat Paralax de bewijslast draagt van het (door haar gestelde) feit dat partijen een onvoorwaardelijk concurrentiebeding zijn overeengekomen, nu in geschil is de aanspraak van Paralax op nakoming door [appellant] van het concurrentie- en het boetebeding.

4.6 De onderhavige bodemprocedure is voorafgegaan door een kortgedingprocedure welke geleid heeft tot een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 november 2004, waarbij [appellant] veroordeeld is tot betaling van een voorschot van € 50.000 op de door hem verschuldigde boetes. Dit vonnis is bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van september 2008.

Paralax heeft in het onderhavige geding (conclusie van antwoord pagina 15, met verwijzing naar productie 22) aangevoerd dat [appellant] in het hoger beroep van de voormelde kortgedingprocedure heeft erkend dat hij de door Paralax in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. In de memorie van grieven in deze kortgedingprocedure stelt [appellant] onder punt 8: “ Paralax heeft als productie 1 bij de inleidende dagvaarding een - bij wijze van ongeluk - door [appellant] ondertekende arbeidsovereenkomst van 29 augustus 2003 in het geding gebracht.”

Bij conclusie van repliek (onder “Ad 9”) heeft [appellant] dit bevestigd: “ Er zijn inderdaad twee versies van het contract van [appellant] (…) Er ging iets mis bij het plaatsen van de handtekening van [appellant], waardoor deze wat vervormd is. [X] en [appellant] besloten daarop nogmaals het contract uit te draaien en opnieuw de handtekening te plaatsen. (…)”. Paralax heeft dit laatste betwist.

4.7 Wat daarvan zij, in het vorenstaande ligt besloten de erkenning door [appellant] dat de versie van de arbeidsovereenkomst waarop Paralax zich - ook in dit geding (zie onder meer memorie van antwoord sub 6 en 13) - heeft beroepen, en die het eerder bedoelde onvoorwaardelijke concurrentiebeding bevat, door hem is ondertekend. In hoger beroep heeft [appellant] van deze erkenning geen afstand genomen en hij heeft evenmin de stelling van Paralax dat hij de eerste arbeidsovereenkomst heeft ondertekend, alsnog betwist terwijl Paralax haar stellingen op dit punt uitdrukkelijk (memorie van antwoord sub 6 en 13) heeft gehandhaafd. Het hof stelt vast dat, nu aldus tussen partijen vaststaat dat beide handtekeningen op deze versie van de arbeidsovereenkomst echt zijn, de arbeidsovereenkomst als een onderhandse akte moet worden beschouwd. Dit heeft tot gevolg dat dit door beide partijen ondertekende stuk dwingend bewijs oplevert van hetgeen het stuk bestemd is ten behoeve van Paralax te bewijzen (artikel 157 lid 2 Rv.). Daarvan staat van rechtswege tegenbewijs voor [appellant] open. [appellant] heeft, zoals blijkt uit de hiervoor geciteerde conclusie van repliek, aangevoerd dat naderhand, als gevolg van de door partijen gevoerde onderhandelingen, een tweede arbeidsovereenkomst is uitgeprint die door de directeur van Paralax is ondertekend. Paralax heeft evenwel uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist dat de op dat stuk voorkomende handtekening van [X] is, zodat de juistheid van de handtekening en daarmee de juistheid van dit geschrift niet vaststaat, zoals ook hierna aan de orde zal komen. Nu het hof aldus van oordeel is dat het tegenbewijs door [appellant] door middel van dit geschrift niet is geleverd, zal het hof [appellant] toelaten tot het leveren van het tegenbewijs, zoals hij heeft aangeboden. Op proceseconomische gronden zal het hof, voor het geval [appellant] zou slagen in het aan hem aldus opgedragen tegenbewijs, Parallax – in contra-enquête dan wel bij antwoordakte - in de gelegenheid stellen om het bewijs te leveren van haar stelling dat partijen een onvoorwaardelijk concurrentiebeding zijn overeengekomen. Deze bewijslevering zal dus, voor zover het om getuigenbewijs zou gaan, feitelijk kunnen plaatsvinden gelijktijdig met de contra-enquête in het kader van het voormelde tegenbewijs.

4.8 Zoals hiervoor is overwogen heeft [appellant] aangevoerd dat na de eerste door partij ondertekende overeenkomst een tweede overeenkomst is getekend. Het hof begrijpt dat in die versie de in rechtsoverweging 4.4 weergegeven tekst van het voorwaardelijk concurrentiebeding is opgenomen. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te betogen dat na het sluiten van de initiële overeenkomst een nadere - deels andersluidende - overeenkomst is gesloten, namelijk met in plaats van een onvoorwaardelijk een voorwaardelijk concurrentiebeding, is sprake van een bevrijdend verweer waarvan [appellant] de bewijslast draagt. Hiervoor is reeds weergegeven dat Parallax uitdrukkelijk heeft betwist dat de op dat stuk voorkomende handtekening van [X] is, zodat op [appellant] de bewijslast rust dat deze handtekening echt is (artikel 159 lid 2 Rv.).

4.9 [appellant] heeft zich ter ondersteuning van zijn stelling beroepen op het deskundigenrapport van de door hem ingeschakelde schriftexpert drs. P.L. Zevenbergen (hierna: drs. Zevenbergen) van 16 februari 2005. Hij heeft geconcludeerd dat de bedoelde handtekening op de door de Lange ingebrachte versie van de arbeidsovereenkomst “hoogstwaarschijnlijk een echte handtekening van de producent van het vergelijkingsmateriaal (dat is [X], hof)” is en dat er “schriftkundig gezien (-) geen argumenten (kunnen) worden aangevoerd om eraan te twijfelen, dat de betwiste parafen afkomstig zijn van de producent van het vergelijkingsmateriaal.”

Paralax heeft voor haar verweer dat de handtekening niet van [X] is onder meer steun gezocht bij de onderzoeksbevindingen van de schriftexpert van het Nederlandse Forensisch Instituut (hierna: NFI ), in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [appellant]. De schriftexpert van het NFI concludeerde op 18 april 2007, kort gezegd, dat de (door [appellant]) betwiste parafen en de handtekening [X] op de door Paralax ingebrachte versie van de arbeidsovereenkomst, “mede gezien hun onderlinge verwantschap, waarschijnlijk” afkomstig zijn van [X]. Op 5 juni 2007 heeft het NFI een nadere beschouwing gegeven die tot conclusie leidt “dat de onderzoeksresultaten waarschijnlijker zijn als werknemersexemplaar [2] (van de arbeidsovereenkomst , hof ) vals is dan wanneer werkgeversexemplaar [1] vals is.”

Daarmee staan deze twee deskundigenrapporten haaks op elkaar, zodat het hof niet zonder meer kan uitgaan van de juistheid van het rapport van de door [appellant] ingeschakelde expert drs. Zevenbergen en het bewijs van echtheid van de handtekening daarmee in deze stand van het geding niet is geleverd. [appellant] zal worden toegelaten tot (nadere) bewijslevering. Waardering, ook van de overige thans reeds beschikbare bewijsmiddelen, zal na deze bewijslevering plaatsvinden.

4.10 Bewijslevering kan plaatsvinden op schriftelijke wijze, bij akte, alsmede door het horen van de partijdeskundige drs. Zevenbergen, zoals [appellant] heeft verzocht, en/of door het horen van getuigen door [appellant] en (eveneens desgewenst) in contra-enquête door Paralax. Uit praktische overwegingen zullen deze bewijsverrichtingen gelijktijdig kunnen plaatsvinden met de bewijslevering als bedoeld in rechtsoverweging 4.7. In het geval [appellant] overeenkomstig artikel 200 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) de deskundige drs. Zevenbergen zal doen horen, geeft het hof Paralax in overweging om gelijktijdig de deskundige(n) van het NFI te doen horen. De waarheidsvinding kan immers gediend zijn wanneer beide deskundigen kennis kunnen nemen van hun wederzijdse standpunten, zodat zij in de gelegenheid zijn daar onmiddellijk op te reageren. Voorts kan de waarheidsvinding gebaat zijn met een confrontatie van de deskundigen en van hun opvattingen.

4.11 Op proceseconomische gronden zal het hof reeds thans tevens grief 5 bespreken. Deze grief richt zich tegen een gedeelte van rechtsoverweging 6.5 van het bestreden vonnis. Voor de goede orde citeert het hof deze rechtsoverweging integraal:

“ Resteert de vraag of, zoals [appellant] stelt maar Parallax betwist, partijen in januari/april 2004, met het oog op het aanstaande einde van het dienstverband, alsnog zijn overeengekomen dat [appellant] niet aan het concurrentiebeding was gebonden. Hiervan draagt [appellant] de bewijslast en het bewijsrisico. Hij heeft zich beroepen op een versie van zijn brief van 14 april 2004, waarin de zin is opgenomen: "Omdat het initiatief uitgaat van Paralax, vervalt het concurrentiebeding "en die onderaan, tussen de tekst "Voor accoord "en de naam van de heer [X], is getekend. Gelet op hetgeen hierboven, onder 6.2 is overwogen, komt aan de rapportage van drs. Zevenbergen tegenover de daarmee conflicterende bevindingen van het NFI te weinig gewicht toe om [appellant] in dit bewijs geslaagd te kunnen achten. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die eraan kunnen doen twijfelen dat Parallax, in een stadium waarin zij geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat [appellant] in dienst zou treden bij een van haar directe concurrenten, diens brief van 14 april 2004 onbeantwoord heeft gelaten. Omgekeerd heeft [appellant] niet verklaard waarom hij afspraken die in januari 2004 reeds zouden zijn gemaakt bijna drie maanden later, toen de arbeidsovereenkomst met Parallax alweer enige tijd ten einde was, nog eens meende te moeten bevestigen. Bepaald vreemd is in dit verband de zin: "Ik zal zorg dragen voor een goede overdracht van de werkzaamheden" in zijn brief. [appellant] wordt, bij gebreke van een (voldoende gespecificeerd) bewijsaanbod, niet in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren.”.

4.12 Met de genoemde grief 5 komt [appellant] op tegen het tweede gedeelte van deze rechtsoverweging, aanvangende met de woorden” Niet gebleken is van feiten of omstandigheden….”. In de toelichting op grief 5 voert hij, kort gezegd, aan dat de brief van 14 april 2004 de gemaakte afspraken tussen partijen bevestigd. Het voorwaardelijke concurrentiebeding is komen te vervallen op het moment dat [appellant] uit dienst is getreden. Parallax heeft bij [appellant] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat het concurrentiebeding was komen te vervallen. Derhalve kon Parallax [appellant] niet houden aan het voorwaardelijk overeengekomen concurrentiebeding, aldus [appellant] (memorie van grieven).

4.13 Het hof stelt voorop dat de grief zich niet richt tegen de bewijslastverdeling ten laste van [appellant], zoals in het bestreden vonnis is overwogen. Het hof leidt uit de toelichting op de grief af dat de bezwaren van [appellant] in hoger beroep zien op het niet meenemen in de (bewijs) waardering door de kantonrechter van de brief van 14 april 2004, die een bevestiging zou inhouden van de reeds gemaakte afspraken. Het hof begrijpt de grief aldus dat [appellant] alsnog in de gelegenheid wenst te worden gesteld (nader) bewijs te leveren van zijn stelling dat partijen, met het oog op het aanstaande einde van het dienstverband, bij brief van 14 april 2004 hebben bevestigd dat [appellant] niet aan het concurrentiebeding was gebonden. Het hof zal [appellant] daartoe alsnog in de gelegenheid stellen, nu het hof, met de kantonrechter, van oordeel is dat bij deze stand van zaken de voormelde brief daartoe onvoldoende is. De schriftexpert van het NFI heeft op 18 april 2007, in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen [appellant], geconcludeerd, kort gezegd, dat geen steun kan worden gegeven aan de stelling dat de handtekening op de door [appellant] ingebrachte versie van de brief van 14 april 2004 afkomstig is van [X]. Zoals hiervoor is overwogen staan de bevindingen van het NFI, ook ten aanzien van deze brief, in de weg aan het zonder meer aanvaarden van de stelling van [appellant]. Omwille van proceseconomisch overwegingen en omdat de verschillende bewijsthema’s met elkaar samenhangen, zal de bewijslevering door [appellant] gecombineerd kunnen worden met de hiervoor bedoelde bewijslevering.

4.14 Wederom op proceseconomische gronden ziet het hof aanleiding thans de grieven 1 en 6 te bepreken. Grief 1 ziet, zo begrijpt het hof, op het door [appellant] (in hoger beroep) gedane beroep op vernietiging van het concurrentiebeding, terwijl grief 6 zich richt tegen de afwijzing door de kantonrechter van een (gedeeltelijke) vernietiging van hetzelfde beding. Parallax heeft bij memorie van antwoord, naast een inhoudelijk verweer ter zake, een beroep op verjaring gedaan. [appellant] is nog niet in de gelegenheid geweest om zich omtrent dit verweer uit te laten. Het hof zal [appellant] daartoe alsnog in de gelegenheid stellen.

4.15 Het hof houdt alle overige beslissingen aan, waaronder het beroep op vernietiging van het concurrentiebeding (grief 1).

4.16 Het hof stelt vast dat partijen, en in het bijzonder Paralax, zich in de gedingstukken bedienen van en beroepen op het NFI-rapport, het rapport van het (technisch) rechercheonderzoek en het strafdossier. Nu deze stukken zich niet (volledig) in het dossier bevinden dient Paralax, die dit ook ten aanzien van het NFI-rapport heeft aangeboden, deze stukken alsnog in het geding te brengen.

Slotsom

4.16 Indien [appellant] het tegenbewijs als bedoeld in rechtsoverweging 4.7 en het bewijs in de rechtsoverwegingen 4.9/4.10 en in 4.13 door middel van een akte wil leveren, zal het hof hem daartoe in de gelegenheid stellen. Het hof zal [appellant] tevens in de gelegenheid stellen om zich op dezelfde roldatum bij akte uit te laten over hetgeen in rechtsoverweging 4.14 is overwogen. In het geval [appellant] (tegen)bewijs door middel van getuigen wil leveren, dan wel de partijdeskundige drs. Zevenbergen wil doen horen, zal daartoe een zitting worden bepaald. Ook Paralax wordt toegelaten tot bewijslevering (rechtsoverweging 4.7 slot). Paralax dient nadere stukken, als aangeduid onder 4.16, in het geding te brengen zoals hierna zal worden bepaald.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het leveren van het onder 4.7 vermelde (tegen)bewijs en het onder 4.9/4.10 en 4.13 vermelde bewijs;

bepaalt dat, indien [appellant] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken op de roldatum 24 juli 2012 in het geding dient te brengen,

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van het horen van de deskundige drs. Zevenbergen wenst te leveren, het verhoor van deze deskundige, zo mogelijk gelijktijdig met het verhoor van een of meer deskundigen van het NFI, zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.F.J.N. van Osch, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.F.J.N. van Osch, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ([appellant] in persoon /Parallax vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor/deskundigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen en/of deskundigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld, alsmede om een minnelijke regeling tussen hen te beproeven;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten, van de getuigen en/of de deskundige(n) over de maanden september tot en met december 2012 zal opgeven op de roldatum 24 juli 2012, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat partijen overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigen/deskundigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

bepaalt dat [appellant] zich op de roldatum 24 juli 2012, ambtshalve peremptoir, bij akte zal kunnen uitlaten, uitsluitend omtrent hetgeen in rechtsoverweging 4.14 is overwogen;

bepaalt dat Paralax op de roldatum 24 juli 2012 in het geding zal brengen het volledige NFI-rapport, het technisch rechercherapport en het strafdossier;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, H.C. Frankena en M.F.J.N. van Osch en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012.