Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BW8966

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
200.087.730/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek wijziging kinder- en partneralimentatie, schuldsanering, niet-wijzigingsbeding echtscheidingsconvenant, draagkracht ondanks WSNP?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 20 december 2011 in de zaak met zaaknummer 200.087.730/01

1. […],

2. […],

beiden wonende te […],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. C.P.M. Engels te Heerhugowaard,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.E. Groot te Heerhugowaard.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante sub 1 en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd. Appellant sub 2 wordt hierna [kind B] genoemd.

1.2. Appellanten zijn op 20 mei 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 februari 2011 van de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 120773/ FA RK 10-558.

1.3. De man heeft op 14 juli 2011 een verweerschrift ingediend.

1.4. De man en de vrouw hebben op respectievelijk 31 augustus 2011 en 12 september 2011 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 22 september 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn [in] 1988 gehuwd. Hun huwelijk is op 1 april 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 20 maart 2008 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 1991 en […] (hierna: [kind B]) [in] 1993.

Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man met ingang van 1 maart 2008 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] en [kind B] dient te voldoen van € 300,- per kind per maand en met ingang van 1 april 2008 een bedrag van € 400,- dient te voldoen als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, conform het aan de beschikking gehechte echtscheidingsconvenant.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1963.

Hij had tot 16 april 2010 een eenmanszaak, een transportbedrijf. De activiteiten van dit bedrijf zijn met ingang van die datum gestaakt.

Vanaf 21 april 2010 is de man werkzaam geweest bij [bedrijf A] als internationaal chauffeur. Zijn salaris bedroeg volgens de salarisspecificaties over periode 9-12 van 2010 € 2.195,- bruto per 4 weken, exclusief vakantietoeslag en overwerk. In voornoemde periode waren zijn inkomsten uit overwerk gemiddeld € 1.874,- bruto per vier weken.

Met ingang van 3 maart 2011 is hij in loondienst bij [bedrijf B]. Zijn salaris bedraagt volgens de salarisspecificatie over periode 5.1 van 2011 € 2.161,- bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld en overwerk. In periode 5.1 bedroegen zijn inkomsten uit overwerk € 1.662,- bruto per vier weken.

Bij beschikking van 15 juli 2010 is de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem uitgesproken, waarbij mr. A.M.H.J.L. Claus is benoemd tot bewindvoerder.

Het vrij te laten bedrag (hierna: VTLB) in het kader van de schuldsanering is met ingang van 27 juli 2011 voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 1.261,-. Per augustus 2011 maakt het LBIO aanspraak op een bedrag van € 312,- (2x € 136 + € 40 ivm inning LBIO) ten behoeve van [kind B] en [kind A].

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1964. Zij vormt met [kind B] en [kind A] een eenoudergezin.

Zij werkt in loondienst. Haar fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2010 in dat jaar € 24.513,-.

Zij betaalt € 170,- per maand aan premie voor haar zorgverzekering. Zij ontvangt € 70,- per maand aan zorgtoeslag.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door haar bewoonde woning betaalt zij € 722,- per maand aan rente. Zij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 253.000,-.

2.5. Ten aanzien van [kind B] is het volgende gebleken.

Hij volgt een opleiding tot vrachtwagenchauffeur.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. De man heeft in eerste aanleg verzocht de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [kind B] en de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw per 1 juni 2010 op nihil te stellen. Bij de bestreden beschikking is – met wijziging van de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 20 maart 2008 – de door de man te betalen bijdrage voor [kind B] met ingang van 15 juli 2010 vastgesteld op € 136,- per maand gedurende de looptijd van de schuldsanering. De door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw is met ingang van 15 juli 2010 op nihil gesteld voor de duur van de schuldsanering.

Voorts heeft de man ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verzocht de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind A] op nihil te stellen. De rechtbank heeft de man in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. In een andere procedure is bepaald dat de man een bijdrage van € 136,- per maand ten behoeve van [kind A] dient te voldoen. De bijdrage aan [kind A] vormt in deze procedure geen onderwerp van geschil meer.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel deze af te wijzen.

3.3. De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De vrouw stelt in hoger beroep dat de man niet ontvankelijk is in zijn wijzigingsverzoek omdat in het echtscheidingsconvenant ten aanzien van de partneralimentatie een niet-wijzigingsbeding voor de duur van vijf jaar is opgenomen. Daarnaast is de vrouw van mening dat de man verwijtbaar in de WSNP is geraakt, zodat de gevolgen voor zijn rekening en risico dienen te komen. Als laatste stelt de vrouw dat de man voldoende draagkracht heeft om de bijdragen te voldoen, ondanks het feit dat hij thans deelneemt aan de WSNP. Zij voert ter onderbouwing van deze stelling aan dat de man de vrije beschikking heeft over de helft van zijn overwerkvergoeding om daarvan diverse zakelijke kosten te betalen. Volgens de vrouw heeft de man niet duidelijk gemaakt welke kosten hij uit deze vergoeding voldoet en moet de man derhalve in staat geacht worden uit dit bedrag de vastgestelde bijdragen te voldoen. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

4.2. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:159 lid 3 BW kan een niet-wijzigingsbeding door de rechter bij beschikking worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding gehouden mag worden. Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 12 november 1982, NJ 1983, 81) moet er sprake zijn van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn indien de ene partij de ander aan het beding zou houden.

Partijen hebben in het door hen overeengekomen echtscheidingsconvenant onder artikel 4 de bepaling opgenomen dat een inkomensstijging of -derving van een van partijen gedurende een periode van vijf jaar geen aanleiding tot wijziging van de (partner)alimentatie kan geven. Aangenomen moet worden dat partijen destijds ermee rekening hebben gehouden dat de man een eigen onderneming had en dat de resultaten van deze onderneming zouden kunnen fluctueren. Gesteld noch gebleken is echter dat partijen tevens de situatie voor ogen hebben gehad dat de man zijn onderneming kwijt zou raken, in de schuldsanering terecht zou komen en dat zij zijn overeengekomen dat deze omstandigheid voor volledig rekening en risico van de man dient te komen. Het hof is van oordeel dat het uitspreken van de definitieve schuldsanering ten aanzien van de man een zodanig ingrijpende wijziging is dat hij niet langer gehouden kan worden aan het niet-wijzigingsbeding. Voor zover de vrouw stelt dat de man verwijtbaar in de schuldsanering is geraakt gaat het hof aan deze stelling voorbij, nu in het kader van de schuldsanering reeds is geoordeeld dat de schulden niet lichtvaardig zijn gemaakt en de vrouw onvoldoende heeft aangevoerd om in deze procedure te kunnen aannemen dat die beslissing onjuist was.

4.3. Het hof overweegt ten aanzien van de huidige draagkracht van de man als volgt. Ingeval een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, beveelt de Werkgroep Alimentatienormen aan in die gevallen waarin voor de bepaling van het vrij te laten inkomen niet met de onderhoudsverplichting rekening is gehouden, de geldende onderhoudsverplichting voor de duur van de schuldsaneringsregeling op nihil te bepalen.

In het onderhavige geval is er naar het oordeel van het hof aanleiding om ter zake van de vrouw van deze aanbeveling van de Werkgroep af te wijken. Het hof laat hierbij de volgende omstandigheden meewegen.

Allereerst heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep onbetwist gesteld dat het niet-wijzigingsbeding in het echtscheidingsconvenant is opgenomen omdat de hypotheek van de voormalig echtelijke woning omstreeks 1998 is verhoogd met een bedrag van € 60.000,- teneinde een dreigend faillissement van de onderneming van de man te voorkomen. Bij het uiteengaan van partijen heeft de bank de voorwaarde gesteld dat in het echtscheidingsconvenant, waarbij de woning aan de vrouw is toebedeeld, ten aanzien van de alimentatie een niet-wijzigingsbeding voor de termijn van vijf jaar werd opgenomen, omdat de vrouw de hypotheeklasten zonder de te ontvangen alimentatie niet alleen kon opbrengen. De alimentatie voor de vrouw dient er derhalve indirect toe om een zakelijke schuld van de man af te lossen.

Daarnaast is van belang dat de man – anders dan doorgaans het geval is bij de WSNP – thans een inkomen uit arbeid geniet dat substantieel hoger ligt dan bijstandsniveau en de bewindvoerder heeft goedgevonden dat de man naast het VTLB een deel van zijn vakantiegeld en de helft van zijn inkomsten uit overwerk, mag aanwenden voor de kosten die hij tijdens zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur onderweg maakt. De overwerkvergoeding van de man varieert, maar bedraagt gemiddeld – zo blijkt uit de stukken – rond de € 1.500,- bruto per maand. Op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde is naar s’hofs oordeel onvoldoende inzichtelijk geworden welke kosten de man nu precies uit deze vergoeding voldoet en wat de omvang van deze kosten is. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat een gedeelte van de kosten die de man onderweg maakt reeds door de werkgever wordt vergoed en een gedeelte van deze kosten is opgenomen in de bijstandsnorm. De conclusie is derhalve dat de man niet voldoende heeft aangetoond dat het VTLB volledig dient te worden benut voor de door hem gestelde kosten.

Dat de man zijn vakantiegeld en overwerkvergoeding niet volledig gebruikt voor noodzakelijke kosten onderweg, blijkt ook uit het volgende.

De man heeft toegelicht dat hij een bedrag van € 350,- per maand aan zijn vriendin in Spanje betaalt als bijdrage in de woonlasten. Ter zitting heeft de man meegedeeld dat hij gemiddeld één dag per week bij zijn vriendin verblijft. De overige nachten overnacht hij bij zijn ouders, in zijn vrachtwagen of in een heel enkel geval in een hotel.

Het hof heeft begrip voor de stelling van de man dat hij dit bedrag aan zijn vriendin wenst te betalen. Gelet echter op de beperkte tijd die hij doorbrengt bij zijn vriendin, is het hof van oordeel dat sprake is van een bovenmatige bijdrage. Het hof zal in redelijkheid slechts met een bijdrage van € 100,- rekening houden, zodat het hof ervan uitgaat dat in ieder geval een bedrag van € 250,- resteert voor alimentatieverplichtingen.

4.4 Ter zake van [kind B] stelt het hof vast dat tussen partijen niet in geschil is dat zijn behoefte nog steeds € 300,- per maand bedraagt. In het VTLB is reeds rekening gehouden met een bedrag van € 136,- per maand ten behoeve van [kind B]. De man dient uit het bedrag van € 250,- derhalve nog € 164,- ten behoeve van [kind B] aan te wenden. Dit leidt ertoe dat de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [kind B] van € 300,- per maand ongewijzigd blijft en dat de man een bedrag van € 86,- netto per maand overhoudt om aan de vrouw te betalen als uitkering tot haar levensonderhoud. Dit levert gebruteerd een bedrag van € 150,- per maand op.

4.5. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, wijst het hof het verzoek van de man tot wijziging van de bijdrage ten behoeve van [kind B] af en oordeelt het hof dat een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 15 juli 2010 van € 150,- bruto per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

wijst het verzoek van de man ten aanzien van de door hem te betalen bijdrage ten behoeve van [kind B] af;

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 20 maart 2008, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 15 juli 2010 op € 150,- (EENHONDERDVIJFTIG EURO) per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, A.R. Sturhoofd en M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2011.