Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BW7106

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
200.071.246-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg pensioenreglement naar objectieve maatstaven. Voorwaarde voor uitkering niet geregistreerd partner is niet alleen samenlevingscontract maar ook inschrijving op hetzelfde adres in het bevolkingsregister. Omstandigheden kunnen een uitzondering rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 augustus 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de stichting STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE KOOPVAARDIJ,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. R.A.A. Duk te ‘s-Gravenhage,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonende te [ B ],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. C.L.M. Gommers te Breda.

De partijen worden hierna BPF en [ Geïntimeerde ] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 23 juli 2010 is BPF in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 26 april 2010 van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), in deze zaak onder rolnum¬mer CV 09-38483 gewezen tussen [ Geïntimeerde ] als eiseres en BPF als gedaagde.

BPF heeft bij memorie drie grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vorderingen van [ Geïntimeerde ] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [ Geïntimeerde ] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft [ Geïntimeerde ] de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof BPF niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans het hoger beroep zal afwijzen, met veroordeling van BPF in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep.

Ten slotte hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten vermeld. De juistheid hiervan is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen.

3. Beoordeling

3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1. [ Geïntimeerde ] heeft een affectieve relatie gehad met [ B ], geboren op [ geboortedatum ] en overleden op [ overlijdensdatum ] (hierna: [ B ]). Bij notariële akte van [ datum ] zijn [ Geïntimeerde ] en [ B ] een samenlevingscontract aangegaan. In dit contract hebben zij elkaar over en weer aangewezen als gerechtigde op partnerpensioen.

3.1.2. [ B ] stond op 18 december 2004 bij de Gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op een adres in [ plaatsnaam ] en [ Geïntimeerde ] op een adres in [ plaatsnaam ].

3.1.3. [ B ] was tot zijn overlijden deelnemer in BPF. Het op 18 december 2004 toepasselijke pensioenreglement bevat de volgende bepalingen aangaande partnerpensioen:

Artikel 1 Inleidende bepalingen

(…)

4. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(…)

e. niet-geregistreerde partner:

de ongehuwde en niet als partner geregistreerde persoon (…) met wie de ongehuwde (gewezen) deelnemer samenwoont en die in een notarieel verleden samenlevingscontract door de (gewezen) deelnemer (…) is aangewezen als begunstigde van het partnerpensioen. (…)

(…)

Artikel 2 Aanspraken

1. De deelneming geeft aanspraak op:

(…)

i. partnerpensioen aan de geregistreerde en niet-geregistreerde partner van de deelnemer of gewezen deelnemer.

(…)

Artikel 18 Partnerpensioen

(…)

2. Voor de niet-geregistreerde partner bestaat geen aanspraak op partnerpensioen

(…)

c. indien de partner niet middels een uittreksel van het bevolkingsregister kan aantonen op het moment van overlijden van de (…) deelnemer met deze (…) deelnemer te hebben samengewoond.(…)

4. Het bepaalde in het tweede lid, sub a, b en c is niet van toepassing in de daarvoor naar het oordeel van het bestuur in aanmerking komende gevallen.

3.1.4. [ Geïntimeerde ] heeft partnerpensioen aangevraagd bij BPF. BPF heeft bij brief van 12 januari 2006 aan [ Geïntimeerde ] verzocht een uittreksel uit het bevolkingsregister toe te zenden waaruit blijkt dat zij ten tijde van het overlijden op hetzelfde adres stond ingeschreven als [ B ].

3.1.5. De Sociale Verzekeringsbank heeft bij besluit van 23 maart 2006 aan [ Geïntimeerde ] een Anw-uitkering toegekend.

3.1.6. Bij brief van haar (toenmalige) gemachtigde van 11 september 2007 heeft [ Geïntimeerde ] BPF verzocht met toepassing van artikel 18 lid 4 van het pensioenreglement artikel 18 lid 2, aanhef en onder c, van het pensioenreglement buiten toepassing te laten.

3.1.7. Bij brief van 15 mei 2008 heeft Syntrus Achmea Pensioenbeheer aan [ Geïntimeerde ] bericht dat het bestuur van BPF op 22 april 2008 heeft besloten geen gebruikt te maken van de mogelijkheid van artikel 18 lid 4 van het pensioenreglement om artikel 18 lid 2, aanhef en onder c, van het pensioenreglement niet van toepassing te verklaren.

3.2. [ Geïntimeerde ] heeft BPF op 23 juni 2009 gedagvaard en heeft gevorderd:

I. te verklaren voor recht dat BPF met ingang van 18 december 2004 aan [ Geïntimeerde ] een partnerpensioen is verschuldigd;

II. BPF te veroordelen om aan [ Geïntimeerde ] deugdelijke bewijsstukken te verstrekken van haar aanspraken op partnerpensioen;

III. BPF te veroordelen aan [ Geïntimeerde ] met ingang van 18 december 2004 het aan haar verschuldigde partnerpensioen uit te keren;

kosten rechtens.

3.3. BPF heeft zich beroepen op het in artikel 18 lid 2, aanhef en onder c, van het pensioenreglement bedoelde voorschrift. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 26 april 2010 dit verweer verworpen en heeft een comparitie van partijen gelast. Op 19 juli 2010 heeft de kantonrechter hoger beroep opengesteld. BPF is vervolgens in hoger beroep gekomen.

3.4. De kantonrechter heeft aan artikel 18 lid 2, aanhef en onder c, van het pensioenreglement de volgende uitleg gegeven:

10. (…) Gelet op de doelstelling van het opnemen van de gelijke behandeling, moet aan het voorschrift dat middels een uittreksel uit het bevolkingsregister moet worden aangetoond dat werd samengewoond met de partner, die overigens aan de vereisten van het reglement voldoet, de betekenis van een beslissend onderscheid worden ontzegd, althans moet daarvan gezegd worden dat een afwijzing van de aanspraak van [ Geïntimeerde ] alleen op die grond in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid is. Deze regel is te beschouwen als een strikt en formeel geformuleerde regel betreffende de bewijsvoering aangaande het onderliggende basisvereiste dat sprake is van een feitelijk samenwonen.

11. De vaststelling van de feitelijke situatie van samenwonen op het moment van overlijden van [ B ] op andere wijze is niet onverenigbaar met de regeling van de aanspraken van [ Geïntimeerde ] in het pensioenreglement.

12. Het komt de kantonrechter daarbij niet onredelijk voor dat [ Geïntimeerde ] een beroep doet, voor de uitleg van de betekenis van het bepaalde in het pensioenreglement van het pensioenfonds, op de uiteindelijk in de Anw terecht gekomen gelijkschakelingsbepaling. In deze veel scherper geformuleerde bepaling van artikel 3 lid 2 t/m 4 van de Anw, is de aanspraak op partnerpensioen (wellicht minder toevallig) gekoppeld aan het niet formele maar feitelijk begrip hoofdverblijf.

BPF komt met haar grieven, die zich lenen zich voor een gezamenlijke behandeling, tegen deze uitleg op.

3.5. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat voor de uitleg van een pensioenreglement in de verhouding tussen de werknemer - voor wie de bedoeling van de oorspronkelijk contracterende partijen (zijn werkgever en het pensioenfonds) niet kenbaar is en die op de formulering daarvan geen invloed heeft gehad - en het pensioenfonds uitleg naar objectieve maatstaven is aangewezen. enerzijds zijn bij deze uitleg de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Anderzijds noopt een objectieve uitleg niet tot een louter taalkundige uitleg, maar dient tevens aandacht te worden besteed aan alle omstandigheden van het geval, met uitzondering van de niet-kenbare bedoeling van degenen die de betrokken bepaling hebben geredigeerd. Hierbij kan onder meer acht worden geslagen op de elders in het pensioenreglement gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

3.6. Het pensioenreglement stelt de volgende voorwaarden voor de aanspraak op partnerpensioen aan de niet-geregistreerde partner van de deelnemer:

A. er moet zijn voldaan aan de definitie van niet-geregistreerd partner, te weten samenwonen met een deelnemer en aanwijzing als begunstigde van het partnerpensioen in een notarieel verleden samenlevingscontract (artikel 1 lid 4, aanhef en onder e);

B. het samenwonen ten tijde van het overlijden van de deelnemer dient te worden aangetoond met een uittreksel uit het bevolkingsregister (artikel 18 lid 2, aanhef en onder c).

3.7. In de uitleg van de kantonrechter heeft voorwaarde B een beperkte betekenis, in die zin dat een uittreksel uit het bevolkingsregister een voldoende, maar niet een noodzakelijke voorwaarde is: het bewijs van samenwonen moet volgens de kantonrechter ook met andere middelen mogelijk zijn. Voor deze niet uit de tekst van de betreffende bepalingen van het pensioenreglement kenbare uitleg baseert de kantonrechter zich op de ratio van de toekenning van partnerpensioen aan de niet-geregistreerde partner, te weten gelijke behandeling van gehuwde en duurzaam samenwonende deelnemers.

3.8. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter hiermee de grenzen van de objectieve uitleg al te zeer opgerekt. Een dergelijke ratio is niet kenbaar uit het pensioenreglement. De destijds, in december 2004, geldende regelgeving aangaande gelijke behandeling van gehuwden en duurzaam samenwonenden op het gebied van pensioenen biedt voorts onvoldoende steun voor deze uitleg. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat in de Anw een ander criterium voor toekenning van nabestaandenpensioen wordt gehanteerd, waarbij de feitelijke situatie met betrekking tot samenwoning beslissend is. Het voorschrift van artikel 18 lid 2, aanhef en onder c, van het pensioenreglement heeft de kennelijke strekking discussies over het bewijs van samenwonen ten tijde van het overlijden van de deelnemer te voorkomen door een duidelijke, objectieve maatstaf te formuleren: inschrijving op het hetzelfde adres in het bevolkingsregister.

3.9. Het hof legt artikel 18 lid 2, aanhef en onder c, van het pensioenreglement aldus uit dat als voorwaarde voor toekenning van partnerpensioen geldt, dat de niet-geregistreerd partner met behulp van een uittreksel van het bevolkingsregister aantoont dat zij op diens sterfdatum met de deelnemer samenwoonde. De grieven zijn dus gegrond en het bestreden vonnis zal worden vernietigd.

3.10. In het bestreden vonnis is nog geen beslissing gegeven over de vraag of de omstandigheden van het geval rechtvaardigen dat een uitzondering op het voorschrift van artikel 18 lid 2, aanhef en onder c, van het pensioenreglement wordt gemaakt (artikel 18 lid 4 van het pensioenreglement). Ook de vraag of strikte handhaving van dit voorschrift onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is nog niet beantwoord. Deze vragen dienen na verwijzing door de kantonrechter alsnog te worden beoordeeld.

3.11. De zaak zal worden verwezen naar de kantonrechter om op de hoofdzaak te worden beslist.

4. Slotsom en kosten

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De zaak zal worden verwezen naar de kantonrechter om op de hoofdzaak te worden beslist.

[ Geïntimeerde ] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

verwijst de zaak naar de kantonrechter om op de hoofdzaak te worden beslist;

verwijst [ Geïntimeerde ] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van BPF gevallen, op € 350,93 aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en W.J. van den Bergh, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2011.