Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BW4759

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
03-05-2012
Zaaknummer
200.086.433-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 25 oktober 2011 in de zaak met zaaknummer 200.086.433/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. J. van Embden te Amstelveen,

t e g e n

1. […],

wonende te […],

2. […],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. C.S.G. Janssens te ’s-Gravenhage.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant wordt hierna [A] genoemd. Geïntimeerden worden hierna ook [de dochters A] genoemd.

1.2. [A] is op 29 april 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 februari 2011 van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, met kenmerk 1178777/EB 107952.

1.3. [de dochters A] hebben op 27 juni 2011 een verweerschrift ingediend en hebben daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. [A] heeft op 10 augustus 2011 een verweerschrift in het hoger beroep van [de dochters A] ingediend.

1.5. [A] heeft op 29 augustus 2011 nadere stukken ingediend.

1.6. [de dochters A] hebben op 31 augustus 2011 nadere stukken ingediend.

1.7. De zaak is op 8 september 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.8. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [A], bijgestaan door zijn advocaat;

- [de dochter A-1], bijgestaan door haar advocaat;

- mr. J.D.H. van Ewijk, te Bussum, bewindvoerder (hierna: mr. Van Ewijk);

- mevrouw [x], de verloofde van [A].

1.9. [de dochter A-2] en de hoofd advocaat-generaal, zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1. [A] is geboren [in] 1944.

2.2. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam van 13 september 2010 is - kort gezegd – [de dochter A-1] benoemd tot tijdelijk bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [A]. Bij beschikking van 11 oktober 2010 is [de dochter A-1] ontslagen als tijdelijk bewindvoerder, en is mr. Van Ewijk benoemd tot tijdelijk bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [A].

2.3. Bij beschikking van 20 oktober 2010 is prof. dr. C. Jonker, gedragsneuroloog te Amsterdam, verzocht een schriftelijk rapport uit te brengen omtrent [A], waarin de volgende vragen beantwoord dienen te worden:

- is [A] lijdende aan een geestelijke stoornis, en zo ja:

- wat is de aard van die stoornis en hoe wordt het functioneren van betrokkene in de samenleving daardoor beïnvloed, zowel op algemeen sociaal als op financieel gebied?

Op 7 januari 2011 is het rapport van 5 januari 2011 van prof. dr. C. Jonker ingekomen ter griffie.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter te Amsterdam het verzoek tot ondercuratelestelling van [A] afgewezen en bewind ingesteld over de goederen die aan [A] (zullen) toebehoren, met benoeming van mr. Van Ewijk tot bewindvoerder. Deze beschikking is met toepassing van artikel 1:432 lid 2 BW ambtshalve gegeven op het verzoek tot ondercuratelestelling van 23 augustus 2010 van [de dochters A].

3.2. [A] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair het ingestelde bewind op te heffen, subsidiair een andere bewindvoerder of bewindvoerders te benoemen.

3.3. [de dochters A] verzoeken in principaal appel de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen. In incidenteel appel verzoeken zij, met vernietiging van de bestreden beschikking, [A] alsnog onder curatele te stellen.

3.4. [A] verzoekt, naar het hof begrijpt, het door [de dochters A] in incidenteel appel verzochte af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

In principaal appel:

4.1. [A] stelt dat de rechtbank onbevoegd was van de zaak kennis te nemen, omdat hij geen Nederlands ingezetene is en hij geen woonplaats heeft in Nederland.

4.2. Ingevolge artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, rechtsmacht indien a) hetzij verzoeker, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, b) het verzoek betrekking heeft op een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding ten aanzien waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, of c) de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is.

4.3. Gebleken is dat [de dochter A-1] haar woonplaats heeft in Nederland, te weten in [b]. Daarnaast is het bewind over de goederen van [A] met de Nederlandse rechtssfeer verbonden, nu [A] statutair directeur is van de in Nederland gevestigde vennootschap [onderneming A], welke vennootschap op haar beurt de directie voert over de […] (hierna: [onderneming B]), een eveneens in Nederland gevestigde vennootschap die een handelsonderneming voert op het gebied van de handel in diamant, edelstenen en sieraden, waarvan [A] de uiteindelijk beleidsbepaler is. Voorts is gebleken dat de bewindvoering door mr. Van Ewijk zich tot op heden voornamelijk gericht heeft op deze onderneming. Ter zitting heeft [A] verklaard enige maanden per jaar in Nederland te verblijven, juist met het oog op de directievoering over deze onderneming. Voorts bevindt zich een verklaring in het dossier van Solutions verslavingszorg van 1 augustus 2011, waaruit blijkt dat [A] wekelijks op afspraken komt in Amsterdam. Onder deze omstandigheden staat het feit dat [A] woonplaats heeft in [m] en aldaar eveneens over vermogen (in de vorm van bankrekeningen en onroerende zaken) beschikt er niet aan in de weg rechtsmacht van de Nederlandse burgerlijke rechter aan te nemen op het punt van de onderbewindstelling. Grief I faalt in zoverre.

4.4. Met grief I klaagt [A] er daarnaast over dat hij voor de eerste zitting van de rechtbank op 13 september 2010 niet behoorlijk is opgeroepen en dat het recht van hoor en wederhoor niet is toegepast omdat hij op die zitting niet door de rechtbank is gehoord. Ook dit onderdeel van de grief faalt, alleen al omdat [A] op de tweede zitting van 4 oktober 2010 wel is verschenen en door de kantonrechter is gehoord.

4.5. Grief II stelt aan de orde of de wettelijke grond voor onderbewindstelling van [A] (thans nog) aanwezig is.

4.6. Ingevolge artikel 1:431 lid 1 Burgerlijk Wetboek kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. De kantonrechter heeft aan het instellen van het bewind ten grondslag gelegd - kort gezegd - dat in het rapport van prof. dr. C. Jonker wordt vastgesteld dat bij [A] beperkingen bestaan die op zakelijk/financieel gebied de beslisvaardigheid beïnvloeden en dat hierdoor een beschermingsmaatregel op zijn plaats is.

4.7. [A] stelt dat uit het rapport van prof. dr. Jonker niet blijkt dat hij aan een geestelijke stoornis lijdt of dat hij niet in staat is zijn belangen behoorlijk te vertegenwoordigen, zodat een beschermingsmaatregel in dit geval niet op zijn plaats is. Zijn drankproblematiek behoort tot het verleden. Bovendien is een onderbewindstelling een beschermingsmaatregel voor personen, niet voor bedrijven, terwijl deze maatregel in de praktijk zijn bedrijf betreft. Ten slotte lijdt hij schade door de onderbewindstelling.

4.8. [de dochters A] voeren aan dat een beschermingsmaatregel geboden is, nu [A] in het verleden is opgelicht en hij betrokken is bij faillissementen van bedrijven waarin hij onverstandig heeft geïnvesteerd. Zijn drankprobleem is nog niet voorbij. Bovendien blijkt uit het onderzoek van prof. dr. Jonker dat [A] zijn vermogensrechtelijke belangen niet ten volle behoorlijk kan waarnemen.

4.9. Het hof overweegt als volgt.

Uit het rapport van prof. dr. Jonker is het navolgende gebleken. Bij [A] is sprake van alcoholgerelateerde cognitieve stoornissen, met name geheugenstoornissen, en verhoogde interferentiegevoeligheid. De cognitieve problemen hebben een nadelige invloed op het overzicht over complexe situaties en verklaren de afgenomen beslisvaardigheid. Voor een Korsakovsyndroom is het beeld niet uitgesproken genoeg. Zolang [A] zijn zakelijke en financiële activiteiten beperkt tot datgene waar hij vertrouwd mee is, en gebruik kan maken van zijn opgebouwde expertise, zijn niet direct problemen te verwachten. Als de huidige relatie zich voortzet en [A] zich onthoudt van alcohol, zal het sociaal functioneren geen problemen opleveren. Het ontwikkelen van activiteiten op voor hem onbekend terrein moet worden afgeraden, vanwege het risico op verlies van overzicht en het nemen van verkeerde beslissingen. Enige controle op zijn zakelijke activiteiten wordt aanbevolen.

Hoewel hieruit naar voren komt dat er reden tot zorg bestaat ten aanzien van de gezondheid van [A], blijkt onvoldoende dat hij als gevolg van zijn geestelijke toestand niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Het rapport spreekt immers slechts van een risico op verlies van overzicht en het nemen van verkeerde beslissingen, en dan nog uitsluitend bij het ontwikkelen van activiteiten op voor [A] onbekend terrein. Bovendien blijkt uit het rapport dat zolang [A] zijn zakelijke en financiële activiteiten beperkt tot datgene waar hij vertrouwd mee is, niet direct problemen zijn te verwachten. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat [A] ter zitting te kennen heeft gegeven zich bewust te zijn van de aanbeveling zijn zakelijke activiteiten niet uit te breiden, maar zich bezig te houden met zijn vakgebied, te weten de juwelenbranche.

De stelling van [de dochters A] dat hij een verleden van alcoholmisbruik heeft en dientengevolge niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, maakt dit niet anders, mede nu [A] heeft betoogd dat hij deze periode achter zich heeft gelaten. Ter zitting heeft hij in dat verband verklaard dat hij onder behandeling is van Solutions verslavingszorg en dat deze behandeling goed verloopt. Het hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat uit de door [A] overgelegde verklaring van Solutions verslavingszorg blijkt dat hij zich aan alle behandelafspraken houdt.

4.10. [de dochters A] hebben verder aangevoerd dat een beschermingsmaatregel geboden is omdat [A] onverstandige investeringen heeft gedaan en hij bovendien is opgelicht. [A] heeft zijn privévermogen en opgebouwde pensioen moeten aanspreken om ontstane financiële gaten te dichten, aldus [de dochters A]. Zij wijzen hierbij voorts op een verklaring van de advocaat van [A], die ten aanzien van [A]’s investering in het bedrijf [onderneming C] gezegd zou hebben dat [A] op het moment van ondertekening van een vaststellingsovereenkomst niet bij zinnen was, en een verklaring van de accountant van [onderneming B], die ten aanzien van de vermeende oplichting van [A] gezegd zou hebben dat [A] de situatie van [onderneming B] niet meer overziet. Het hof volgt [de dochters A] niet in hun standpunt. Dat [A] gedurende zijn loopbaan ook onverstandige investeringen heeft gedaan, valt onder het risico dat een ondernemer loopt in het kader van zijn bedrijfsuitoefening. Ook de keuze hoe [A], als ondernemer, zijn ontstane financiële verliezen opvangt, is voorbehouden aan hem zelf. De verklaringen van de advocaat en de accountant, wat daar ook van zij, zijn onvoldoende om aan te nemen dat [A] zijn vermogensrechtelijke belangen niet behoorlijk kan waarnemen. Bovendien is als onweersproken komen vast te staan dat uit de geconsolideerde jaarrekening van [onderneming A] over 2009 blijkt dat [A] ook successen heeft geboekt met zijn bedrijf, en dat hij ook goede investeringen heeft gedaan en juiste beslissingen heeft genomen, bijvoorbeeld ten aanzien van de investering in suikerplantages waar hij een goede winstuitkering van heeft ontvangen, en de winstgevende verkoop van een pand aan de Prinsengracht.

4.11. Het bovenstaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en het bewind zal worden opgeheven. Hieruit voert voort dat het incidenteel appel faalt.

4.12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

heft op het bewind over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [A], geboren [in] 1944 te Amsterdam;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, W.J. van den Bergh en M.J.J. de Bontridder in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2011.