Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV7208

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
200.072.555-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ5355, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ5355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op arrest van dit hof van 12 april 2011 (LJN BT 7296). Totstandkoming arbeidsovereenkomst niet aangenomen. Wel schadevergoeding toegewezen wegens onrechtmatig afbreken van onderhandelingen daarover.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. H.S. Eisenberger te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEÏNTIMEERDE],

gevestigd te IJmuiden,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M. de Klerk te Velserbroek.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.2 In deze zaak heeft het hof op 12 april 2011 een tussenarrest, hierna: het tussenarrest, gewezen. Voor het verloop van het geding tot dan verwijst het hof naar dat arrest.

1.3 Bij het tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast en [appellant] gelast stukken in het geding te brengen.

1.4 [geïntimeerde] heeft vervolgens een “akte houdende producties t.b.v inlichtingencomparitie” genomen en [appellant] een akte uitlating partijen met producties.

1.5 De comparitie van partijen heeft op 28 juli 2011 plaatsgevonden. Namens [appellant] heeft zijn advocaat het woord gevoerd en namens [geïntimeerde] mr. P.C. de Goede, advocaat te Amsterdam. Beiden hebben aantekeningen overgelegd.

2. De verdere beoordeling

2.1 Doel van de comparitie was het verkrijgen van nadere informatie van partijen over de gevoerde onderhandelingen, de activiteiten die [appellant] na 1 februari 2009 heeft ontplooid en over het inkomen dat hij daarmee heeft verworven.

2.2 De in verband met de comparitie van partijen over en weer gegeven lezingen omtrent hetgeen zou zijn besproken omtrent het salaris van [appellant] lopen sterk uiteen. Volgens [O. sr.] zal van de kant van [geïntimeerde] tijdens een bespreking met [appellant] op 10 december 2008, waaraan ook zijn zoon [O. jr.], hierna: [O. jr.] en hun accountant [A.] deelnamen, een bedrag zijn genoemd van € 40.000,- (per jaar) ter zake van salaris. Daarop zou de reactie van [appellant] zijn geweest dat er een groot verschil was met het salaris dat hij toen verdiende en dat partijen het er maar over moesten hebben, of woorden van die strekking. Ook zou [appellant] hebben gezegd dat ‘als je ondernemer bent, je de plussen en de minnen moet nemen’. [O. jr.] heeft verklaard dat hij op 28 januari 2009 van [appellant] hoorde hoeveel deze bij zijn toenmalige werkgever verdiende, € 5.445,- per maand. Samen hebben zij toen geconstateerd dat het een groot verschil was. [O. jr.] heeft daarop volgens zijn verklaring gezegd dat het verschil wel groot was maar dat partijen ‘daar wel uit zouden komen’. Wat de reactie hierop van [appellant] was, zo heeft [O. jr.] verklaard, kan hij zich niet herinneren, maar [appellant] heeft hem zeker niet de deur gewezen, zoals in de stukken staat. Partijen zijn uiteengegaan met de afspraak dat [appellant] op 30 januari 2009 op kantoor zou komen om een indruk te krijgen van de gang van zaken aldaar, aldus [O. jr.] Accountant [A.] heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren wat tijdens de bespreking van 10 december 2008 over een eventueel salaris is besproken, maar dat hij wel weet dat dit onderwerp toen is geparkeerd. [appellant], tenslotte, heeft verklaard dat hij tijdens een gesprek met de heren [sr. en jr.] in november 2008, waar de heer [A.] niet bij was, heeft gezegd dat hij bij zijn toenmalige werkgever € 5.445,- per maand verdiende, met acht procent vakantietoeslag, en dat hij bij [geïntimeerde] hetzelfde salaris wilde verdienen. Als dat te duur zou zijn moesten de heren dat maar zeggen. [appellant] hoefde niet weg bij zijn toenmalige werkgever. [sr. en jr.] hebben daar toen niet op gereageerd en daaruit heeft [appellant] afgeleid dat zij – stilzwijgend - ermee hebben ingestemd dat hij dit salaris ook bij [geïntimeerde] zou verdienen. Vervolgens is de hoogte van het salaris niet meer aan de orde gekomen totdat hij [O. jr.] op 28 januari 2009 sprak, aldus [appellant].

2.3 Het hof overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag wat tussen partijen heeft te gelden komt het aan op de zin die zij over en weer aan hun gedragingen en uitlatingen redelijkerwijs hebben mogen toekennen. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de door [appellant] gegeven lezing is dat in samenhang met hetgeen hij overigens heeft gesteld, onvoldoende om te kunnen aannemen dat, indien dat zou komen vast te staan, partijen overeenstemming hebben bereikt over het door [appellant] bij [geïntimeerde] te verdienen salaris. Daarbij is van belang dat partijen zich bij de onderhandelingen klaarblijkelijk hebben geconcentreerd op de inhoud van de tot stand te brengen participatieovereenkomst en de inhoud en uitwerking van een arbeidsovereenkomst voor zich uit hebben geschoven. Anders dan hij stelt heeft [appellant] in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat [geïntimeerde] instemde met het door hem genoemde salaris. Het ontbreken van wilsovereenstemming op het voor het aannemen van het bestaan van een arbeidsovereenkomst essentiële onderdeel van de beloning leidt ertoe dat niet kan worden aangenomen dat zodanige arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Nu [appellant] onvoldoende heeft gesteld is er geen plaats voor bewijslevering aan zijn kant. Grief I faalt.

2.4 Grief II strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde] niet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door de onderhandelingen over een arbeidsovereenkomst af te breken en dat zij jegens hem niet schadeplichtig is.

2.5 Bij de bespreking van deze grief stelt het hof voorop dat bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan. Voor vergoeding van het positief contractsbelang, het brengen van de wederpartij van de afbrekende partij in de situatie alsof het contract waarover partijen onderhandelden wel tot stand was gekomen, is plaats als op het moment waarop de onderhandelingen werden afgebroken bij deze wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen kan hebben bestaan dat enige overeenkomst tot stand zou komen.

2.6 Het hof is van oordeel dat het [geïntimeerde] toen zij op 4 februari 2009 [appellant] meedeelde dat zij de relatie niet wilde voorzetten, niet vrij stond de onderhandelingen af te breken. De volgende feiten en omstandigheden acht het hof in dit verband van belang. Partijen zijn in oktober 2008 in onderhandeling getreden. Zoals hiervoor gememoreerd hebben deze onderhandelingen zich aanvankelijk toegespitst op de participatieovereenkomst. In art. 23 van die overeenkomst is evenwel bepaald dat [appellant] per 1 maart 2009 of zoveel eerder als partijen overeenkomen in dienst zal treden van [geïntimeerde]. Daar komt bij dat [geïntimeerde], zoals in het tussenarrest werd overwogen, in januari 2009 aan haar relaties heeft bekend- gemaakt dat zij het voornemen had met [appellant] te gaan samenwerken, waarbij deze per 1 februari 2009 in dienst zou treden en dat beoogd werd dat [appellant] op een latere datum aandeelhouder zou worden. Of [geïntimeerde] deze mededeling desgevraagd en niet spontaan heeft gedaan, zoals ter comparitie namens haar is verklaard, acht het hof niet van belang. In de stellingen van [appellant] ligt besloten dat hij toentertijd van deze mededelingen op de hoogte was. Verder heeft [appellant] onweersproken gesteld dat in de loop van januari 2009 contacten hebben plaatsgevonden over de aanschaf van een leaseauto, dat hij door [geïntimeerde] is betrokken bij de aanschaf van een injecteermachine voor vis en de bestelling van een partij vis, dat hem een bedrijfstelefoon is ter hand gesteld en dat voor hem laarzen zijn aangeschaft. Tegen de achtergrond hiervan kon [appellant] aan het feit dat [geïntimeerde] in de persoon van [O. jr.] hem op 28 januari 2009 een overeenkomst heeft overhandigd, al was het salaris daarin niet ingevuld, en aan de omstandigheid dat partijen in elk geval ook nadat in dit gesprek was geconstateerd dat over de hoogte van het salaris verschil van mening bestond met elkaar verder zijn gegaan, het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat een arbeidsovereenkomst van enigerlei aard tot stand zou komen.

2.7 Het hof volgt [geïntimeerde] niet in haar stelling dat zaken omtrent [appellant] die haar ter ore zijn gekomen en zijn reactie na confrontatie daarmee het afbreken van de onderhandelingen rechtvaardigden. [appellant] heeft de hem in dit verband gemaakte verwijten gemotiveerd weersproken. [geïntimeerde] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Zo heeft zij te weinig aangevoerd waaruit valt af te leiden dat [appellant] onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn eerdere activiteiten als ondernemer, nog daargelaten in hoeverre hij daartoe was verplicht. Als informatie van de accountant van [appellant] naar wie hij [geïntimeerde] had verwezen voor haar van wezenlijke betekenis was, had [geïntimeerde] zich bij het uitblijven van een directe reactie niet mogen neerleggen. [geïntimeerde] heeft onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit kan blijken dat [appellant] door zijn vorige werkgever op staande voet is ontslagen, zodat dit niet als vaststaand kan worden aangenomen. Uit de brief van de Rabobank waarop [geïntimeerde] zich beroept blijkt naar de mening van het hof niet dat [appellant] iets valt te verwijten. [geïntimeerde] had dan ook geen goede redenen om de onderhandelingen met [appellant] in het stadium waarin deze zich bevonden af te breken, zodat zij door dat te doen onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld.

2.8 Het voorgaande brengt met zich dat [geïntimeerde] gehouden is tot het betalen van schadevergoeding aan [appellant]. Daaromtrent wordt het volgende overwogen. Het hof leest in de akte uitlating partijen van [appellant] dat hij de periode waarover hij schadevergoeding vordert beperkt tot het tijdvak 1 februari 2009 tot en met 31 december 2010. Anders dan [appellant] stelt moet niet worden uitgegaan van het salaris dat hij bij zijn vorige werkgever verdiend zou hebben, maar van het inkomen dat hij naar verwachting hebben zou genoten indien een arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] tot stand zou zijn gekomen. Daarbij geldt dat naast de duur daarvan onzeker is wat het salaris en de emolumenten zouden zijn geweest. Wat dit laatste betreft acht het hof het reëel uit te gaan van een wat hoger bedrag dan het jaarsalaris ten bedrage van € 45.000,- met een dienstauto dat [appellant] volgens [O jr.] is aangeboden, omdat volgens de verklaring van [O jr.] daarover nog te onderhandelen viel. Anderzijds moet rekening worden gehouden met het inkomen dat [appellant] heeft genoten gedurende de periode waarover schadevergoeding wordt toegekend. De door [appellant] terug te betalen WW-uitkeringen moeten daarbij buiten beschouwing blijven. De hiervoor genoemde omstandigheden en onzekere factoren in aanmerking nemend schat het hof de door [appellant] geleden schade op € 75.000,- bruto. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, 21 juli 2009. Grief II slaagt gedeeltelijk.

2.9 Met grief III klaagt [appellant] dat de kantonrechter hem heeft veroordeeld in de proceskosten. Nu [appellant] dat vordert, leest het hof voorts in de grief dat [geïntimeerde] naar de mening van [appellant] in deze kosten had moeten worden veroordeeld. De uitkomst van het geding is dat partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld. Daarbij past dat ieder de eigen kosten moet dragen. Ook grief III slaagt ten dele.

3. Slotsom

Grief I faalt en de grieven II en III slagen gedeeltelijk. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en [geïntimeerde] alsnog veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan [appellant] als hierna vermeld. De proceskosten in beide instanties zullen worden gecompenseerd.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en,

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] ten bedrage van € 75.000,- bruto, met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2009;

verklaart deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat ieder de eigen kosten in beide instanties draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.F. Schütz, C. Uriot en A.M. Hol en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 29 november 2011.