Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3849

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
200.087.231/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijkens de toelichting bij de Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders (Stc 12 juli 2001, nr.132) geldt daarbij als uitgangspunt dat de rente die wordt gekweekt over de gelden die de gerechtsdeurwaarder ten behoeve van derden onder zich heeft, daadwerkelijk aan de rechthebbenden wordt afgedragen en dat de gerechtsdeurwaarder in beginsel financieel voordeel noch nadeel ondervindt van de rente die aan het saldo wordt toegevoegd. Dit uitgangspunt brengt met zich dat bij de vaststelling van de te betalen rentevergoeding rekening kan worden gehouden met de bankkosten die de gerechtsdeurwaarder heeft moeten maken, doch alleen voor zover die zijn te relateren aan de gelden in kwestie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 6 december 2011 in de zaak van:

[naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats]

APPELLANT,

gemachtigde: mr. C. de Wolf,

t e g e n

1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te [plaats]

2. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] BEHEER B.V.,

gevestigd te [plaats],

GEÏNTIMEERDEN,

gemachtigde: mr. [naam].

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, hierna: de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 12 mei 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 19 april 2011, waarbij de kamer de door geïntimeerden, hierna klagers, tegen de gerechtsdeurwaarder ingediende klacht gegrond heeft verklaard en aan hem de maatregel van berisping heeft opgelegd.

1.2. klagers hebben geen verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 oktober 2011, alwaar de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Mr. De Wolf heeft het woord gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Die feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, komen op het volgende neer:

i. De gerechtsdeurwaarder heeft in oktober 2007 van de gemachtigde van klagers opdracht gekregen om ten laste van C&G Projects B.V. executoriaal derdenbeslag te leggen. Uit hoofde van dit beslag heeft de gerechtsdeurwaarder in januari 2008 een bedrag van € 97.931,86 onder zich gekregen. Toen dit bedrag door de gerechtsdeurwaarder werd ontvangen is daarop onmiddellijk door C&G Projects B.V. conservatoir beslag gelegd. Als gevolg van laatstgenoemd beslag heeft de gerechtsdeurwaarder het ontvangen bedrag niet aan [klager sub 2] kunnen uitkeren.

ii. Bij e-mail van 3 april 2008 heeft een medewerker van de gerechtsdeurwaarder aan de gemachtigde van klagers medegedeeld:

“Hierbij bevestig ik dat het rentepercentage over het bedrag ad € 97.931,86 welk bedrag op onze Derdengeldrekening staat, 3,7% bedraagt”.

iii. In april 2009 hebben [klager sub 2] en C&G Projects B.V. een schikking getroffen op grond waarvan C&G Projects B.V. € 10.000,= zou ontvangen uit het beslagen saldo en [klager sub 2] het restant.

iv. Vervolgens is de gerechtsdeurwaarder tot afwikkeling van het dossier overgegaan. Bij einddeclaratie van 27 april 2009 heeft de gerechtsdeurwaarder aanspraak gemaakt op vergoeding van € 776,00 aan kosten en aangekondigd dat hij een bedrag van (€ 97.931,86 - € 10.000,00 - € 776,00 =) € 87.155,86 zou overmaken aan [klager sub 1] Advocaten.

iv. Bij brief van 18 mei 2009 heeft [de gemachtigde van klagers] aanspraak gemaakt op betaling van een rentevergoeding van 3,7% over het bedrag van € 97.931,86. De gerechtdeurwaarder heeft hierop bij brief van 2 juni 2009 afwijzend gereageerd.

4. Het standpunt van klagers

Klagers verwijten de gerechtsdeurwaarder dat hij door zijn weigering rente te vergoeden in de eerste plaats in strijd handelt met de Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders (Stc 12 juli 2001, nr. 132), hierna: de Regeling, en in de tweede plaats in strijd met de door zijn medewerker op 3 april 2008 gedane toezegging.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1. De gerechtsdeurwaarder heeft allereerst aangevoerd dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klacht, omdat zij na de laatste brief van [de gemachtigde van klagers16 maanden zijn blijven stilzitten alvorens de klacht in te dienen. Voorts heeft hij in twijfel getrokken dat [de gemachtigde van klagers gemachtigd is klager sub 2 te vertegenwoordigen.

5.2. Inhoudelijk heeft de gerechtsdeurwaarder de klacht als volgt weersproken. De Regeling ziet op bedragen die een gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich neemt en derhalve niet op een situatie als de onderhavige, waarin de gerechtsdeurwaarder een bedrag dat op de derdengeldreke¬ning staat vanwege een daarop gelegd beslag onder zich moet houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling. Uit de Regeling vloeit niet voort dat over beslagen gelden op de derdengeldrekening rente moet worden vergoed. In het algemeen is een derde-beslagene niet gehouden uit zichzelf een niet-rentedragende schuld ten gunste van de schuldeiser rentedragend te maken. Zelfs indien de derde-beslagene gedurende de beslagperiode rentevoordeel zou behalen, is de derde-beslagene daardoor nog niet onrechtmatig verrijkt. Aldus heeft ook de Hoge Raad geoordeeld in het arrest dat is gepubliceerd in NJ 1962, 261. In hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder hieraan nog toegevoegd dat hij ten tijde van de beslaglegging door C&G Projects B.V. op grond van de Regeling nog niet verschuldigd was rente over het bedrag te vergoeden, omdat de in artikel 3 van de Regeling genoemde termijn van vijf dagen nog niet was verstreken. Ook heeft hij aangevoerd dat voor een verplichting tot rentevergoeding geen grond bestaat, omdat hij nooit in verzuim is geraakt met de terugbetaling van het bedrag, zowel doordat daarop beslag was gelegd als doordat onduidelijk was wie ten aanzien van het bedrag als rechthebbende moest worden aangemerkt, [klager sub 2] of C&G Projects B.V. De toepasselijkheid van de Regeling is blijkens het bepaalde in artikel 20 van de Gerechtsdeurwaarderswet beperkt tot ten behoeve van derden geïnde gelden, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is.

5.2. De gerechtsdeurwaarder betwist voorts dat de mededeling van zijn medewerker in het e-mailbericht van 3 april 2008 kan worden aangemerkt als een toezegging of overeenkomst. De medewerker heeft de gemachtigde van klagers het rentepercentage medegedeeld opdat deze dat op enigerlei wijze zou kunnen gebruiken in de op dat moment gevoerde onderhandelingen met C&G Projects B.V. De medewerker heeft uit de mededelingen van de gemachtigde van klagers niet begrepen dat deze ervan uitging dat de gerechtsdeurwaarder die rente zou vergoeden.

5.3. Tenslotte voert de gerechtsdeurwaarder aan dat het doorklagers gevorderde bedrag aan rente te hoog is, omdat van een verkeerde hoofdsom en een verkeerd rentepercentage is uitgegaan en omdat geen rekening is gehouden met de door de gerechtsdeurwaarder gemaakte bankkosten. De gerechtsdeurwaarder heeft een overzicht overgelegd van zijn bankkosten in de periode van 1 april 2008 tot en met 1 juli 2009, een bedrag van ruim € 3.500,=.

5.4. Vanwege het principiële karakter van de zaak, die betrekking heeft op een verschil van mening over wetsuitleg, acht de gerechtsdeurwaarder een maatregel niet op zijn plaats.

6. De beoordeling

6.1. Met betrekking tot het klachtrecht van klagers en met betrekking tot de machtiging van [de gemachtigde vanklagers] heeft het onderzoek in hoger beroep niet tot andere oordelen geleid dan de kamer in haar beslissing heeft neergelegd. Het hof acht klagers derhalve ontvankelijk in de klacht.

6.2. Artikel 1 van de Regeling bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder uiterlijk met de uitbetaling van het aandeel op de bijzondere rekening aan de rechthebbende, ook de daarover opgebouwde rente aan de rechthebbende uitkeert.

6.3. Blijkens de toelichting bij de Regeling geldt daarbij als uitgangspunt dat de rente die wordt gekweekt over de gelden die de gerechtsdeurwaarder ten behoeve van derden onder zich heeft, daadwerkelijk aan de rechthebbenden wordt afgedragen en dat de gerechtsdeurwaarder in beginsel financieel voordeel noch nadeel ondervindt van de rente die aan het saldo wordt toegevoegd. Dit uitgangspunt brengt met zich dat bij de vaststelling van de te betalen rentevergoeding rekening kan worden gehouden met de bankkosten die de gerechtsdeurwaarder heeft moeten maken, doch alleen voor zover die zijn te relateren aan de gelden in kwestie.

6.4. De hiervoor omschreven verplichting om rente te vergoeden, is, anders dan de gerechtsdeurwaarder kennelijk tot uitgangspunt neemt, niet gebaseerd op het bestaan van verzuim aan de zijde van de gerechtsdeurwaarder. Weliswaar vermeldt de toelichting op de Regeling dat een gerechtsdeurwaarder het aandeel op de bijzondere rekening zo snel mogelijk aan de rechthebbende dient uit te keren en is in artikel 3 van de Regeling bepaald dat geen rente is verschuldigd als het bedrag aan de rechthebbende is uitgekeerd binnen vijf dagen nadat het bedrag op de bijzondere rekening is ontvangen, doch uit een en ander volgt niet dat de gerechtsdeurwaarder na die vijf dagen in verzuim zou zijn en op grond van dat verzuim tot rentevergoeding gehouden. De verplichting tot rentevergoeding vindt haar grond in het uitgangspunt dat de gerechtsdeurwaarder geen voordeel mag ondervinden van de gekweekte en aan het saldo toegevoegde rente.

6.5. De gerechtsdeurwaarder kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de Regeling niet van toepassing is als beslag is gelegd op gelden die “toevallig” op de derdengeldrekening staan. Dat beslag verandert immers niets aan het feit dat de gerechtsdeurwaarder die gelden ten behoeve van zijn opdrachtgever, in dit geval klagers, onder zich heeft. Het betoog van de gerechtsdeurwaarder dat onduidelijk was wie rechthebbende was op de gelden is dan ook onjuist; in de relatie tot de gerechtsdeurwaarder blijft steeds de opdrachtgever de rechthebbende op de gelden, ook al zou de opdrachtgever met de beslaglegger een andere verdeling overeenkomen. Het feit dat de gerechtsdeurwaarder die gelden steeds ten behoeve van klagers onder zich heeft gehad, brengt mee dat deze ook gerechtigd zijn tot de daarover gekweekte rente.

6.6. De vordering van klager sub 2 op de gerechtsdeurwaarder was op grond van de Regeling dus wel degelijk rentedragend, zij het pas met ingang van de zesde dag, los van de vraag of het verstrijken van de vijfdagentermijn op enige wijze aan de gerechtsdeurwaarder valt toe te rekenen. De situatie dat de derde-beslagene niet gehouden is een niet-rentedragende vordering rentedragend te maken, doet zich hier dus niet voor.

6.7. De kamer heeft in haar beslissing geen rekening willen houden met de door de gerechtsdeurwaarder opgevoerde bankkosten, omdat niet is gebleken dat die kosten zijn toe te rekenen aan het bedrag in kwestie. Gelet op hetgeen hiervoor aan het slot van rechtsoverweging 6.3. is overwogen is dat terecht. Dat de aan het bedrag toe te rekenen kosten de daarover gekweekte rente zouden overtreffen is in het geheel niet aannemelijk gemaakt. Overigens is het voor deze tuchtzaak niet van doorslaggevend belang wat de exacte omvang is van het bedrag aan rente waarop klagers aanspraak hebben. De discussie daarover moet elders worden gevoerd. Voor de tuchtzaak is slechts van belang dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte op grond van het beslag heeft geweigerd ook maar enig bedrag aan rente te vergoeden aan de rechthebbende.

6.8. Het hof is met de kamer van oordeel dat de maatregel van berisping passend is. De gerechtsdeurwaarder heeft weliswaar het principiële karakter van de zaak benadrukt, maar het hof acht de door de gerechtsdeurwaarder gegeven wetsuitleg zo weinig verdedigbaar, dat zijn weigering desalniettemin tuchtrechtelijk laakbaar is en een maatregel rechtvaardigt, zij het de lichtste die voorhanden is, de berisping.

6.9. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.10. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en

A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 december 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beschikking van 19 april 2011 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 686.2010 van:

[ ] Advocaten B.V. en [ ] Beheer B.V.,

gevestigd te [ ] en te [ ],

klagers,

gemachtigde: [ ],

advocaat gevestigd te [ ],

gemachtigde: [ ],

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [plaats]

beklaagde,

gemachtigde: [ ].

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen ingekomen op 22 september 2010 is een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

Bij aangehechte brief met bijlagen ingekomen op 21 oktober 2010 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

Op 3 maart 2011 heeft de gerechtsdeurwaarder een berekening van rente en kosten ingediend. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 8 maart 2011, alwaar de gerechtsdeurwaarder en de gemachtigden zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 19 april 2011.

1. De feiten

Klaagster sub 1 heeft de gerechtsdeurwaarder op 31 oktober 2007 opdracht gegeven tot het leggen van executoriaal derdenbeslag ten laste van de wederpartij van klaagster sub 2. De gerechtsdeurwaarder heeft daardoor een bedrag van € 97.931,86 onder zich gekregen. Begin 2008 heeft de wederpartij onder de gerechtsdeurwaarder conservatoir beslag laten leggen op het saldo. In april 2009 heeft klaagster sub 2 met haar tegenpartij een schikking getroffen. Het beslag is opgeheven. De gerechtsdeurwaarder heeft afgerekend. Tussen partijen is een geschil ontstaan of de gerechtsdeurwaarder al dan niet verplicht is rente te vergoeden over een bedrag van

€ 97.931,86 over de periode van 25 januari 2008 tot 28 april 2009. De gemachtigde heeft bij een medewerker van de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd naar de hoogte van de rente over het beslagen saldo. Op verzoek van de gemachtigde heeft deze medewerker per e-mail van 3 april 2008 meegedeeld “Hierbij bevestig ik dat het rentepercentage over het bedrag ad € 97.931,86 welk bedrag op onze Derdengeld rekening staat 3,7% bedraagt”.

2. De klacht

Verkort samengevat en in hoofdzaak verwijten klagers de gerechtsdeurwaarder dat deze ten onrechte geen rente heeft vergoed. Zij baseren zich op de Regeling bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders. Subsidiair baseren zij zich op de toezegging van de medewerker van de gerechtsdeurwaarder.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

3.1 Klagers zijn niet-ontvankelijk omdat zij na de laatste brief van de gemachtigde van 11 juni 2009 tot aan de klacht niets meer van zich hebben laten horen.

3.2 Voorts is de klacht gemotiveerd weersproken. De door klagers aangehaalde artikelen uit de Gerechtsdeurwaarderswet en de regeling Rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders zien op bedragen die een gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich neemt en derhalve niet op een situatie als de onderhavige. In dit geval diende de gerechtsdeurwaarder slechts een bedrag dat al op zijn derdengeldenrekening stond onder zich te houden op straffe van onwaarde van elk in weerwil van dit beslag gedane betaling of afgifte. Over de beslagen gelden behoeft in dit geval dan ook geen rente te worden vergoed. In het algemeen is een derde-beslagene uit zichzelf niet gehouden een niet-rentedragende schuld ten gunste van de schuldeisers rentedragend te maken. Zelfs indien de derde-beslagene gedurende de beslagperiode rentevoordeel zou behalen, is de derde-beslagene daardoor niet onrechtmatig verrijkt. Klagers hebben hierbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad, 31 mei 1991, NJ, 1992, 261. Er is dan ook geen rechtsregel die in dit geval verplicht tot het vergoeden van rente.

3.3 De medewerker heeft geen toezegging gedaan. Hij begreep de vraag zo dat men een bepaald percentage aan rente in de onderhandelingen veilig wilde stellen, maar niet dat men ervan uitging dat de gerechtsdeurwaarder die rente zou vergoeden. Bovendien kan op basis van enkel een telefonische mededeling in redelijkheid geen overeenkomst worden aangenomen.

3.4 Als er een verplichting tot het vergoeden van rente bestaat, dan kunnen klagers hooguit aanspraak maken over de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 april 2009 op een bedrag van € 2.552,39 aan rente. Daarbij moet echter rekening gehouden worden met de kosten van de bank. Die bedragen in de periode van 1 april 2008 tot en met 1 juli 2009 ruim € 3.500,00.

3.5 Indien de klacht gegrond wordt verklaard, dan is voor toekenning van een maatregel geen aanleiding omdat er nog geen jurisprudentie is van de Kamer over de onderhavige problematiek.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Klagers zijn wel ontvankelijk in hun klacht. Enkel stilzitten leidt nog niet tot niet-ontvankelijkheid.

4.2 Ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.3 De gerechtsdeurwaarder heeft in twijfel getrokken of [ ] bevoegd is klaagster sub 2 te vertegenwoordigen, omdat een duidelijke machtiging ontbreekt. Naar het oordeel van de Kamer is er geen aanleiding hieraan te twijfelen, ook al omdat de gerechtsdeurwaarder zelf met [ ] heeft gecorrespondeerd en hem daarbij kennelijk wel als vertegenwoordiger van [ ] accepteerde.

4.4 Op grond van de artikelen 19 en 20 lid 3 sub c van de Gerechtsdeurwaarderswet moeten de gelden die aan de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, op de in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet bedoelde bijzondere rekening worden gestort. Dit voorschrift omvat zowel de gelden die de gerechtsdeurwaarder wegens zijn ambtelijke werkzaamheden verkrijgt, als de gelden die hij op grond van andere werkzaamheden als bedoeld in artikel 20 van de Gerechtsdeurwaarderswet ontvangt. Uit de toelichting bij de derde nota van wijziging op de Gerechtsdeurwaarderswet (Kamerstukken II 1998/1999, 22.775, nr. 14, pagina 37-38) volgt dat de gerechtsdeurwaarder over de gelden die voor kortere of langere tijd op diens bijzondere rekening hebben gestaan, rente verschuldigd is aan de rechthebbende en dat met betrekking tot de wijze van berekening en uitkering van die rente bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden vastgesteld, hetgeen is vastgelegd in (thans) artikel 19 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Deze nadere regels zijn gegeven in de Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders (9 juli 2001, Staatscourant 2001, nummer 132, pagina 12), welke (voor zover hier relevant) meebrengen (artikel 1) dat de gerechtsdeurwaarder uiterlijk met de uitbetaling van het aandeel aan de rechthebbende, ook de daarover opgebouwde rente aan de rechthebbende uitkeert.

4.5 Nu gelden zijn gestort op een in artikel 19 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet bedoelde bijzondere rekening van de gerechtsdeurwaarder volgt uit het voorgaande dat, anders dan door de gerechtsdeurwaarder is aangevoerd, op de gelden die op grond van de beslaglegging op die rekening zijn gestort de Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders van toepassing is.

4.6 De gerechtsdeurwaarder heeft op grond van door hem zelf gelegde derdenbeslagen gelden onder zich gekregen. Alvorens tot afwikkeling kon worden overgegaan heeft de oorspronkelijke beslagene onder de gerechtsdeurwaarder zelf beslag gelegd. Of hij daardoor de positie van derde-beslagene heeft verkregen kan in het midden blijven. De onder hem berustende gelden heeft hij primair uit hoofde van zijn ambt op zijn derdengeldenrekening verkregen. Het blijven dus gelden van derden. De daarover gekweekte rente wordt toegevoegd aan het saldo en dient aan de rechthebbende te worden uitgekeerd. Of de gerechtsdeurwaarder wel of geen voordeel heeft genoten van het op zijn derdengeldenrekening gestorte bedrag speelt geen rol.

4.7 De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat met aan hem door de bank in rekening gebrachte kosten rekening behoort te worden gehouden. De Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders sluit niet uit dat rekening wordt gehouden met betrekking tot met de rentevergoeding gemoeide kosten. Die kosten moeten dan wel zijn toe te rekenen aan de rente over het betreffende op de derdengeldenrekening gestorte bedrag. De gerechtsdeurwaarder heeft niet onderbouwd dat het geclaimde bedrag aan kosten hier betrekking op heeft. Met deze kosten kan daarom geen rekening worden gehouden.

4.8 De Kamer acht het standpunt van de gerechtsdeurwaarder dus niet houdbaar en daarmee ook tuchtrechtelijk laakbaar. De klacht is gegrond. De Kamer acht het passend de maatregel van berisping op te leggen.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klacht gegrond;

? legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. A.W.J. Ros, plaatsvervangend-voorzitter, mr. H.M. Patijn mr. A.C.J.J.M. Seuren (plaatsvervangende) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2011 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.