Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3478

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
200.079.256/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht de klacht van klager betreffende de schending van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de gerechtsdeurwaarder ongegrond. Hoewel Inkasso Unie ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding al niet meer zijn opdrachtgeefster was, is het begrijpelijk dat de gerechtsdeurwaarder een minnelijke regeling heeft willen treffen waarbij ook Inkasso Unie, in wiens opdracht de dagvaarding was opgesteld, betrokken was. Het hof heeft niet de overtuiging gekregen dat de gerechtsdeurwaarder, door Inkasso Unie bij de regeling te betrekken, heeft beoogd de positie van klaagster in haar klachtprocedure bij de Raad van Toezicht van de NVI te beïnvloeden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 22 november 2011 in de zaak van:

[naam]

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

gemachtigde: [naam],

tegen

[naam]

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: [naam].

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder: klaagster, is bij een op 23 december 2010 ter griffie ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 23 november 2010, waarbij de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, verder: de gerechtsdeurwaarder, ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 2 februari 2011 een verweerschrift - met bijlage - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2011, alwaar de gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

1.4. Na sluiting van de behandeling ter terechtzitting is op 20 oktober 2011 van de zijde van klaagster een brief ter griffie van het hof ingekomen, waarin klaagster aan [naam] volmacht heeft gegeven om namens haar in de onderhavige zaak op te treden.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

3.1. Agis Zorgverzekering N.V., verder Agis, heeft een vordering van € 5.065,47 op klaagster ter incasso uit handen gegeven aan Inkasso Unie B.V. , verder Inkasso Unie. In oktober 2009 gaf Inkasso Unie de gerechtsdeurwaarder de opdracht om terzake van die vordering een dagvaarding te betekenen aan klaagster. De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens zijn colleg[naam], toegevoegd kandidaat-gerechtsdeu[naam] bij [naam] te [plaats], verder [naam], verzocht de dagvaarding te betekenen.

3.2. Op 28 oktober 2009 heeft Agis haar opdracht aan Inkasso Unie ingetrokken. Op 30 oktober 2009 heeft Inkasso Unie de gerechtsdeurwaarder verzocht het dossier te sluiten. Vervolgens heeft de gerechtdeurwaarder bij brief van 3 november 2009 de opdracht tot betekening van de dagvaarding ingetrokken en [naam] verzocht de zaak te sluiten. Desondanks heeft [naam] de dagvaarding op 25 november 2009 betekend aan klaagster.

3.3. Naar aanleiding van een door klaagster aan [naam] gedaan verzoek om schadevergoeding heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mailbericht van 3 december 2009 aan de gemachtigde van klaagster mede namens [naam] en Inkasso Unie het voorstel gedaan tot betaling van € 540,- onder de voorwaarde

“dat partijen elkaar hiermee in deze aangelegenheid over en weer finale kwijting verlenen, dat zij richting derden geen uitspraken over deze kwestie doen en dat eventuele voornemens om (klachten)instanties of andere partijen te benaderen van de baan zijn”.

De gemachtigde van klaagster heeft bij brief van 8 december 2009 geantwoord dat hij niet kon instemmen met de deelneming van Inkasso Unie aan de minnelijke regeling, omdat hij met betrekking tot de wijze waarop Inkasso Unie in de twee voorafgaande jaren had geopereerd een klaagschrift voor de Raad van Toezicht van de NVI in voorbereiding had, waarin hij een veel hoger bedrag aan schadevergoeding had gevorderd. De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens op 16 december 2009 geantwoord dat het hem speet dat partijen elkaar niet hadden kunnen vinden.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij heeft gehandeld in strijd met zijn onafhankelijkheid en ambtelijke onpartijdigheid doordat hij de minnelijke schikking die de gemachtigde van klaagster met [naam] wenste overeen te komen afhankelijk heeft gemaakt van de deelneming van Inkasso Unie aan die regeling.

4.2. Voorts wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij klaagster heeft tegen gewerkt in de formulering van haar klacht door klaagster – ondanks haar herhaald verzoek – niet te informeren over de zakelijke werkrelatie tussen [naam] en [naam], zoals die onder meer blijkt uit het briefpapier van [naam].

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken.

6. De beoordeling

6.1. Het hof stelt voorop dat de kamer de gemachtigde van klaagster ten onrechte als klager heeft aangemerkt, terwijl hij slechts is opgetreden als gemachtigde. Het hof heeft deze omissie hersteld. Hiermee is in de aanhef van de beslissing reeds rekening gehouden.

6.2. Het hof acht de klacht van klager betreffende de schending van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de gerechtsdeurwaarder ongegrond. Hoewel Inkasso Unie ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding al niet meer zijn opdrachtgeefster was, is het begrijpelijk dat de gerechtsdeurwaarder een minnelijke regeling heeft willen treffen waarbij ook Inkasso Unie, in wiens opdracht de dagvaarding was opgesteld, betrokken was. Het hof heeft niet de overtuiging gekregen dat de gerechtsdeurwaarder, door Inkasso Unie bij de regeling te betrekken, heeft beoogd de positie van klaagster in haar klachtprocedure bij de Raad van Toezicht van de NVI te beïnvloeden. Toch had het voor de hand gelegen dat de gerechtsdeurwaarder in antwoord op de brief van 8 december 2009 aan de gemachtigde van klaagster had duidelijk gemaakt dat de voorgestelde minnelijke regeling uitsluitend betrekking had op het uitbrengen van de dagvaarding, en dus niet op het handelen van Inkasso Unie in de twee jaar daaraan voorafgaand, waarover klaagster bij de NVI wilde klagen. Dat de gerechtsdeurwaarder een dergelijke mededeling achterwege heeft gelaten acht het hof echter niet tuchtrechtelijk laakbaar.

6.3. Ook het klachtonderdeel waarin de gerechtsdeurwaarder wordt verweten dat hij klaagster niet heeft uitgelegd hoe het samenwerkingsverband met zijn collega feitelijk in elkaar zit, acht het hof ongegrond. In het e-mailbericht van de gerechtsdeurwaarder aan de gemachtigde van klaagster van 3 december 2009 heeft de gerechtsdeurwaarder uitvoerig geschetst hoe de opdracht is binnengekomen, hoe deze verder is afgewikkeld en wat de rol van [naam] daarin is geweest. Bovendien heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van dezelfde datum aan de gemachtigde van klaagster alle relevante stukken aangeleverd met betrekking tot de opdracht, waarbij zich tevens de opdrachtbevesti¬ging aan zijn collega bevindt. Ook in zijn brief van 16 december 2009 aan de gemachtigde van klaagster heeft de gerechtsdeurwaarder de gemachtigde van klaagster geïnformeerd over zijn betrekkingen met zijn collega. Meer informatie, bijvoorbeeld over de inhoud van de zakelijke afspraken, behoefde de gerechtsdeurwaarder niet te verstrekken.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Het hiervoor voorgaande leidt tot de volgende beslissing

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 november 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM 4

Beschikking van 23 november 2010 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 190.2010 van:

[naam],

wonende te [plaats],

klager,

tegen:

[naam]

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

beklaagde,

gemachtigde: [naam].

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen ingekomen op 11 maart 2010 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna ook: de gerechtsdeurwaarder.

Bij aangehechte brief met bijlagen ingekomen op 5 mei 2010 heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd.

De gerechtsdeurwaarder heeft bij brief van 30 juni 2010 verzocht om de onderhavige klacht gezamenlijk te behandelen met de klacht van klager tegen een collega van de gerechtsdeurwaarder (zaaknummer 174.2010) vanwege de nauwe verbondenheid van de klachten. Bij brief van 9 juli 2010 heeft de secretaris van de Kamer aan klager meegedeeld dat beide klachten op 12 oktober 2010 om 13.30 uur behandeld zouden worden. Klager heeft hiertegen bij brief van 14 juli 2010 bezwaar gemaakt. Bij brief van 25 augustus 2010 heeft de secretaris van de kamer laten weten dat het aan de Kamer is om te beslissen of de zaken op een separaat tijdstip of gezamenlijk op hetzelfde tijdstip worden behandeld. Bij brief van 31 augustus 2010 heeft klager hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 5 oktober 2010 heeft klager geschreven dat nog niet op zijn verzoek om beide zaken op een separaat tijdstip te behandelen was gereageerd. Bij brief van 8 oktober 2010 heeft de secretaris van de Kamer meegedeeld dat beide zaken op een separaat tijdstip zouden worden behandeld. Bij aanvang van de zitting heeft klager zijn klachten herhaald. Hij ging ervan uit dat de onderhavige zaak op een andere datum zou worden behandeld en had deze niet voorbereid. De klachten zijn aansluitend behandeld ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2010, alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Bij aanvang van de behandeling van de onderhavige klacht is de behandeling op verzoek van klager voor een kort moment geschorst. Klager heeft nog een productie overgelegd. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 23 november 2010.

1. De feiten

a) Het kantoor van de gerechtsdeurwaarder heeft een collega-kantoor namens haar opdrachtgever opdracht gegeven een dagvaarding te betekenen aan de echtgenote van klager. Nadien en voordat de dagvaarding feitelijk werd betekend, is de opdracht bij de collega ingetrokken. Niettemin heeft die collega ten onrechte, de echtgenote van klager gedagvaard, met de oproep om te verschijnen voor de rolzitting van 8 december 2009.

b) De gerechtsdeurwaarder heeft aan klager een schadevergoeding van € 540,00 tegen finale kwijting aangeboden namens alle partijen, te weten zijn opdrachtgever, hemzelf en de ingeschakelde collega.

2. De klacht

Volgens klager heeft de gerechtsdeurwaarder uitermate onzorgvuldig gehandeld. De zaak leent zich er niet toe om met simpele excuses te worden afgedaan. Klagers echtgenote was zeer gegriefd en er was aanleiding voor onnodig psychisch leed.

3. Het verweer

De gerechtdeurwaarder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover van belang wordt daar hierna op ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn (kandidaat) gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in voormelde zin oplevert.

4.2. Hoewel vast staat dat de dagvaarding ten onrechte is uitgebracht en door de collega van de gerechtsdeurwaarder aan de echtgenote van klager is betekend acht de Kamer dit onderdeel van de klacht ongegrond. De gerechtdeurwaarder heeft immers zijn collega-gerechtdeurwaarder geïnstrueerd dat de dagvaarding niet uit gebracht diende te worden. Het is niet aan de gerechtdeurwaarder aan te rekenen dat de collega-gerechtsdeurwaarder desondanks de dagvaarding heeft betekend. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtdeurwaarder is op dit punt dan ook niet gebleken.

4.3 Het tweede onderdeel van de klacht acht de Kamer eveneens ongegrond. Ter zitting is gebleken dat tussen het kantoor van de gerechtsdeurwaarder en dat van zijn collega een samenwerkingsverband bestaat omdat de gerechtsdeurwaarder geen kantoor heeft in het Noorden van het land. De naam van het kantoor van deze collega wordt vermeld op het briefpapier en de website van de gerechtsdeurwaarder. Dat is niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder ook nog verweten dat deze zich te veel heeft vereenzelvigd met zijn opdrachtgever en schikkingsvoorstellen heeft gedaan namens zijn opdrachtgever en de collega die de dagvaarding heeft betekend. De Kamer deelt dit standpunt van klager niet. De onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder komt hiermee niet in het geding. Het betreft een zakelijke werkverdeling. Schikkingsvoorstellen kunnen immers in allerlei vormen worden gedaan en in dit geval zien deze alleen op de ten onrechte uitgebrachte dagvaarding. Niet gebleken is tot slot dat de gerechtsdeurwaarder klager desgevraagd niet heeft geïnformeerd over de vraag naar de relatie tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn collega. Dit blijkt uit de brieven van de gerechtsdeurwaarder aan klager van 16 en 18 december 2010.

4.4 De onderhavige procedure leent zich niet voor toekenning van schadevergoeding, zo daartoe al aanleiding zou zijn.

BESLISSING

De Kamer voor gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, plaatsvervangend-voorzitter, mr. H.M. Patijn en M.J-M.L. Baudoin (plaatsvervangende) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2010 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.