Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3469

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
200.079.299/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

de kandiaat-gerechtsderuwaarder heeft erkend dat de dagvaarding ten onrechte is betekend. Tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting is namens de kandidaat-gerechtsdeurwaarder naar voren gebracht dat de administratieve procedures binnen het kantoor zijn aangescherpt om een herhaling van een dergelijke fout te voorkomen. Het hof is van oordeel dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder valt te verwijten dat de procedures op dit punt destijds onvoldoende waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 22 november 2011 in de zaak van:

[naam klaagster]

wonende te [plaats]

APPELLANTE,

gemachtigde: [naam],

tegen

[naam],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te Groningen,

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: [naam]

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder: klaagster, is bij een op 23 december 2010 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 23 november 2010, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde, verder: de kandidaat-gerechtsdeurwaarder, gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond is verklaard en is afgezien van het opleggen van een maatregel.

1.2. Van de zijde van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder is op 3 februari 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2011, alwaar de gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

1.4. Na sluiting van de behandeling ter terechtzitting is op 20 oktober 2011 van de zijde van klaagster een brief ter griffie van het hof ingekomen, waarin klaagster aan [naam] volmacht heeft gegeven om namens haar in de onderhavige zaak op te treden.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

3.1. Agis Zorgverzekering N.V., verder Agis, heeft een vordering van € 5.065,47 op klaagster ter incasso uit handen gegeven aan Inkasso Unie B.V.., verder Inkasso Unie. In oktober 2009 heeft Inkasso Unie aan gerechtsd[naam]] v[naam]] verbonden aan gerechtsdeurwaarderkantoor [naam]s te [plaats] de opdracht gegeven om terzake van die vordering een dagvaarding te betekenen aan klaagster. [naam] heeft vervolgens de kandidaat-gerechtsdeurwaarder verzocht de dagvaarding te betekenen.

3.2. Op 28 oktober 2009 heeft Agis haar opdracht aan Inkasso Unie ingetrokken. Op 30 oktober 2009 heeft [naam] hiervan bericht ontvangen. Vervolgens heeft [naam] op 3 november 2009 de opdracht tot betekening van de dagvaarding ingetrokken en de kandidaat-gerechtsdeurwaarder verzocht de zaak te sluiten. Desondanks heeft de kandidaat-gerechtsdeurwaarder de dagvaarding op 25 november 2009 betekend aan klaagster. In de dagvaarding werd zij opgeroepen te verschijnen op 8 december 2009 ter terechtzitting van de rechtbank Zwolle - Lelystad, sector kanton, locatie Zwolle.

3.3. Bij brief van 25 november 2009 heeft Agis de gemachtigde van klaagster bevestigd dat in een telefonisch onderhoud van 19 november 2009 was afgesproken dat Agis afzag van haar vordering van € 5.065,47 op klaagster, waar tegenover klaagster afzag van haar vordering op Agis.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de kandidaat-gerechtsdeurwaarder dat hij de dagvaarding op 25 november 2009 aan klaagster heeft betekend, hoewel de opdracht daartoe op 3 november 2009 reeds door [naam] was ingetrokken.

4.2. Voorts wordt de kandidaat-gerechtsdeurwaarder verweten dat hij klaagster onder druk heeft gezet door haar op te roepen voor de zitting van 8 december 2009, hoewel de zaak nog niet was aangebracht. Hierdoor is klaagster nodeloos psychisch leed toegebracht.

4.3. Klaagster voelt zich temeer gegriefd, omdat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet persoonlijk zijn excuses heeft aangeboden, maar dat heeft overgelaten aan zijn gemachtigde, de chef de bureau van het kantoor.

4.4. Ook verwijt klaagster de kandidaat-gerechtsdeurwaarder dat hij onduidelijkheid heeft geschapen door [naam] mede namens hem te laten reageren op het door klaagster aan hem gedane verzoek om schadevergoeding en door de vermelding van de naam van het kantoor van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder op het briefpapier van [naam].

5. Het standpunt van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder

De kandidaat-gerechtsdeurwaarder erkent dat de dagvaarding ten onrechte is betekend. Hij voert echter tot zijn verdediging aan dat de fout direct ongedaan is gemaakt. Voor het overige heeft hij de klacht gemotiveerd weersproken.

6. De beoordeling

6.1. Het hof stelt voorop dat de kamer de gemachtigde van klaagster ten onrechte als klager heeft aangemerkt, terwijl hij slechts is opgetreden als gemachtigde. Het hof heeft deze omissie hersteld. Hiermee is in de aanhef van de beslissing reeds rekening gehouden.

6.2. Het hof acht het eerste klachtonderdeel gegrond. De kandidaat-gerechtsdeurwaar¬der heeft de fout erkend. Tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting is namens de kandidaat-gerechtsdeurwaarder naar voren gebracht dat de administratieve procedures binnen het kantoor zijn aangescherpt om een herhaling van een dergelijke fout te voorkomen. Het hof is van oordeel dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder valt te verwijten dat de procedures op dit punt destijds onvoldoende waren.

6.3. Betreffende de het tweede klachtonderdeel heeft het hof het navolgende bij de beoordeling betrokken. Tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder – daarnaar gevraagd zijnde – verklaard dat het kantoorbeleid is dat hij, in zijn functie van chef de bureau, alle binnenkomende klachten afhandelt. Zo is dat ook in het onderhavige geval gebeurd. De gemachtigde heeft op 27 november 2009 een brief geschreven, waarin hij heeft uitgelegd wat er fout is gegaan en zijn excuses heeft aangeboden voor het ontstane ongemak. Het hof acht een dergelijke gang van zaken niet tuchtrechtelijk laakbaar, zodat dit onderdeel van de klacht ongegrond is. Het hof is echter wel van oordeel dat het hoogst ongelukkig is dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder ook op geen enkel moment nadien, nadat hem duidelijk moet zijn geworden dat klaagster prijs stelde op persoonlijk contact tussen hem en klaagster, zich persoonlijk tot klaagster heeft gewend, maar zich is blijven laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

6.4. Het verwijt van klaagster dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder haar onder druk heeft gezet door haar op een te korte termijn te dagvaarden, treft evenmin doel. De termijn waarbinnen een dagvaarding dient te worden aangebracht bedraagt ten minste een week – vide artikel 114 Rv. Deze termijn is door de kandidaat-gerechtsdeurwaarder ruimschoots in acht genomen. De aangezegde datum betrof overigens slechts een zogenaamde rolzitting, waarop klaagster of haar gemachtigde zich diende te stellen en uitstel voor antwoord kon vragen. Bovendien is klaagster reeds bij brief van 27 november 2009 door de kandidaat-gerechtsdeurwaarder ervan op de hoogte gesteld dat de dagvaarding niet was aangebracht, zodat zij wist dat de zaak niet zou dienen op 8 december 2009. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

6.5. Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel heeft het hof de inhoud van de hiervoor vermelde brief van 27 november 2009 en die van de producties 7, 9 en 10 bij het klaagschrift in eerste aanleg in de beoordeling betrokken. Uit die brieven van [naam] en de gemachtigde van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder aan klaagster blijkt dat het kantoor [naam]s de opdracht tot uitbrenging van de dagvaarding heeft verstrekt aan de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en hoe de zaak verder is verlopen en welke rol [naam]en de Inkasso Unie daarin hebben gespeeld. Welke zakelijke afspraken bestaan tussen de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en [naam] behoefde klaagster niet te worden medegedeeld. Uit het voorgaande volgt dat klaagster voldoende op de hoogte is gesteld. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

6.7. Met de kamer is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de vaststelling dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door de dagvaarding aan klaagster te betekenen. Voor het opleggen van een maatregel ziet ook het hof geen grond.

6.8. Aan de bezwaren van klaagster tegen de behandeling van de klacht in eerste aanleg is reeds tegemoetgekomen doordat de klacht in hoger beroep in volle omvang opnieuw is behandeld.

6.9. Klaagster kan niet worden ontvangen in haar verzoek om schadevergoeding omdat de Gerechtsdeurwaarderswet geen bepaling kent op grond waarvan een schadevergoeding zou kunnen worden uitgekeerd.

6.10. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.11. Het hiervoor voorgaande leidt tot de volgende beslissing

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en A.W. Jongbloed, en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 november 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beschikking van 23 november 2010 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 174.2010 van:

[naam],

wonende te [plaats]

klager,

tegen:

[naam]

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats],

beklaagde,

gemachtigde: [naam]

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen ingekomen op 5 maart 2010 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna ook: de gerechtsdeurwaarder.

Bij aangehechte brieven met bijlagen ingekomen op 8 en 9 april 2010 heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2010, alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 23 november 2010.

1. De feiten

a) Ten onrechte heeft de gerechtsdeurwaarder op 25 november 2009 een dagvaarding aan de echtgenote van klager betekend met de oproep om te verschijnen voor de rolzitting van 8 december 2009. De opdracht daartoe was op 3 november 2009 ingetrokken door zijn collega die de dagvaarding heeft opgesteld.

b) Klager heeft op 11 maart 2010 ook een klacht ingediend tegen deze collega (zaaknummer 190.2010).

2. De klacht

2.1 Verkort samengevat en in hoofdzaak verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat deze onzorgvuldig heeft gehandeld door de onterechte betekening, door niet persoonlijk, maar door zijn chef de bureau excuses (aan de gemachtigde) te maken en door onterecht druk uit te oefenen door in de dagvaarding een datum voor de rolzitting te vermelden terwijl de zaak niet eens was aangebracht.

2.2 Klager vindt het voorts onduidelijk dat namens de gerechtsdeurwaarder door een collega-gerechtsdeurwaarder is gereageerd met betrekking tot een eventuele schadevergoeding en dat de naam van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder wordt vermeld op briefpapier van het kantoor van deze collega. De gerechtsdeurwaarder heeft desgevraagd over dit laatste geen opheldering willen verschaffen.

2.3 Klager stelt schade te hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat de dagvaarding ten onrechte is betekend, maar voert aan dat de fout direct ongedaan is gemaakt. Voor het overige heeft hij gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn (kandidaat) gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in voormelde zin oplevert.

4.2 De Kamer acht het eerste deel van de klacht gegrond. De gerechtdeurwaarder heeft een fout gemaakt door de betekening van de dagvaarding, terwijl de opdracht daartoe al 3 weken daarvoor was ingetrokken. Mede gelet op het feit dat de gerechtsdeurwaarder bij monde van zijn chef de bureau excuses heeft gemaakt en de zaak niet heeft aangebracht ziet de Kamer geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel.

4.3 Het tweede onderdeel van de klacht acht de Kamer ongegrond. Ter zitting is gebleken dat tussen het kantoor van de gerechtsdeurwaarder en dat van zijn collega een samenwerkingsverband bestaat. Om reden dat zijn collega geen kantoren heeft in het Noorden van het land wordt de naam van het kantoor van deze collega vermeld op het briefpapier en de website van de gerechtsdeurwaarder. Dat is niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm.

4.4 De onderhavige procedure leent zich niet voor toekenning van schadevergoeding, zo daartoe al aanleiding zou zijn.

BESLISSING

De Kamer voor gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klacht gegrond voor zover deze betrekking heeft op het ten onrechte betekenen van de dagvaarding;

- verklaart de klachten voor het overige ongegrond;

- ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, plaatsvervangend-voorzitter, mr. H.M. Patijn en M.J-M.L. Baudoin (plaatsvervangende) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2010 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.