Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3159

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
200.091.710/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP, tussentijdse beëindiging zonder schone lei. Laatste kans op de rechtbank gehad. Geen onredelijk verzoek van de bewindvoerder om inkomensgegevens van de partner en bankafschriften op te vragen. In het kader van de schuldsaneringsregeling verplicht zich tot het uiterste in te spannen om de gevraagde informatie boven water te krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 11 oktober 2011 in de zaak met zaaknummer 200.091.710/01 van:

X

APPELLANTE,

advocaat: mr. A.J.J. van der Heiden

te Den Helder.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante is bij op 3 augustus 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 28 juli 2011 met insolventienummer 09/213 R, waarbij ten aanzien van X de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd op de wijze zoals in het dictum van die beslissing is vermeld.

1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 4 oktober 2011. Bij die behandeling is X verschenen, bijgestaan door haar advocaat voornoemd. Voorts is de bewindvoerder, mevrouw A.G. Heijne, verschenen.

2. De gronden van de beslissing

2.1. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd zonder X de zogenoemde schone lei te verlenen, daar - volgens de rechtbank - vaststaat dat X tekortgeschoten is in de nakoming van de informatie- en inspanningsverplichting.

2.2. Ten behoeve van de behandeling van het hoger beroep heeft de bewindvoerder bij brief van 25 september 2011 een verslag met bijlagen aan het hof doen toekomen. X heeft van dit verslag kennis genomen.

2.3. In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.3.1. X is een vrouw van 31 jaar oud. Zij is gehuwd en woont samen met haar echtgenoot en hun twee kinderen.

X is op 21 augustus 2009 tot de schuldsaneringsregeling toegelaten.

2.3.2. De bewindvoerder heeft het volgende aangevoerd.

Vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling is X niet de op haar rustende informatie- en sollicitatieverplichting nagekomen. Bovendien heeft X nieuwe schulden laten ontstaan. De bewindvoerder heeft haar meerdere keren op haar verplichtingen gewezen, maar X heeft desondanks niet aan haar verplichtingen voldaan. Gevraagde informatie werd voortdurend incompleet dan wel in het geheel niet verstrekt. Zo heeft de bewindvoerder geen bewijs ontvangen van de aangiftes inkomstenbelasting 2006-2010 en ontbreken loonspecificaties en bankafschriften, waardoor onvoldoende inzicht werd gegeven in de inkomsten. Bovendien heeft X bedraagt de boedelachterstand minimaal € 3.000,-. Voorts is X er regelmatig op gewezen dat zij diende te solliciteren. Omdat X geen medische informatie toezond, heeft er geen keuring plaatsgevonden en is er geen ontheffing van de sollicitatieverplichting gegeven. X komt de re-integratieverplichtingen bij haar werkgevers niet na, maar heeft wel werk geaccepteerd bij een derde werkgever. De beëindiging van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank heeft er niet toe geleid dat de inkomsten en uitgaven van X en haar partner inzichtelijk zijn geworden. Bovendien is er geen regeling getroffen met betrekking tot de nieuwe schulden en is de thans beschikbare informatie ruim te laat overgelegd. De bewindvoerder blijft daarom bij haar verzoek tot beëindiging van de schuldsanering.

2.3.3. X heeft betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. X heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Zij heeft aan de bewindvoerder de gevraagde gegevens verstrekt. Eventuele gegevens die ontbreken, kon zij niet overleggen omdat die er niet zijn of in het geval van de bankafschriften van haar partner, omdat haar partner weigert aan afgifte mee te werken. Bovendien is, volgens X, zij niet verplicht om opgave te doen van het vermogen van derden en treft haar geen blaam als haar partner niet wil meewerken. Voorts kan zij geen betalingsbewijzen overleggen van de schulden, omdat deze schulden er niet zijn. De schuld aan de notaris betreft volgens X een boedelschuld aangezien deze vóór de uitspraakdatum schuldsanering dateert en tegen de CJIB-schuld heeft zij bezwaar gemaakt. De boedelachterstand was haar tot juli van dit jaar niet bekend en X betwijfelt of de bewindvoerder deze correct heeft berekend.

Voorts heeft X gesteld dat zij zich wel heeft ingespannen. Zij was in dienst bij ISS en GOM en hoopte bij deze werkgevers meer te kunnen werken. Na het voortgangsgesprek is zij sinds november 2010 in dienst bij een derde werkgever, Thuiszorg. Zij heeft dus wel aantoonbaar gesolliciteerd. Thans is X ziek en hoeft voor de uren dat zij ziek is niet te solliciteren. Zij heeft de bewindvoerder steeds op de hoogte gehouden van haar ziekte en heeft ook een rapportage van het UWV overgelegd. Als er twijfel bestond over de aard van de ziekte van X, had het volgens X, op de weg van de bewindvoerder gelegen een keuring aan te vragen. X verzoekt het Hof het vonnis van de rechtbank te vernietigen.

2.4. Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat uit de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) op de schuldenaar rustende verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling gevergd wordt.

2.5. Gelet op de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gebleken feiten en omstandigheden is ook het hof van oordeel dat X toerekenbaar tekort is geschoten in het actief meewerken aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. In november 2010 heeft op de rechtbank een voortgangsgesprek plaatsgevonden, waarbij de gesignaleerde tekortkomingen zijn besproken en afspraken zijn gemaakt, onder meer met betrekking tot de inspanningsverplichting van X en de informatieverplichting. Zij heeft toen een laatste kans gekregen om aan haar verplichtingen te voldoen. De bewindvoerder heeft de gemaakte afspraken in een brief d.d. 12 november 2010 aan X bevestigd. In die brief is ondermeer gevraagd afschriften van twee bepaalde bankrekeningen op te sturen, een WAO-specificatie van de echtgenoot op te sturen alsmede als X zich niet in staat acht fulltime te werken, haar verminderde arbeidsgeschiktheid aan te tonen. Tevens is in die brief verzocht een regeling te treffen met betrekking tot de nieuwe schulden en de boedelachterstand van op dat moment € 571,08. Niettemin is X ook nadien in gebreke gebleven met het overleggen van informatie en het treffen van regelingen met betrekking tot de nieuwe schulden. X is van mening dat zij niet alle gevraagde informatie kan en hoeft te overleggen. X had echter kunnen en behoren te weten dat zij in het kader van de schuldsaneringsregeling gehouden was zich tot het uiterste in te spannen om de gevraagde informatie boven water te krijgen. Hiervan is niet gebleken, hetgeen haar kan worden toegerekend. Het hof is bovendien niet gebleken dat aan X onredelijke eisen zijn gesteld. Het had op de weg van X gelegen om het tegendeel aannemelijk te maken, hetgeen niet is gebeurd. Als er geen nieuwe schulden zijn, had het op de weg van X gelegen om dat met bescheiden aan te tonen. Dat heeft zij niet gedaan. Als de boedelachterstand niet klopt, had het op de weg van X gelegen om dat met stukken onderbouwd, aan te tonen. Dat heeft zij niet gedaan. Reeds in november 2010 is haar een laatste kans gegeven om haar verminderde arbeidsongeschiktheid aan te tonen. Dat X op 26 juli 2011 voor de beëindigingzitting in eerste aanleg nog Plan van Aanpak van het UWV heeft overgelegd, baat haar niet meer, aangezien dit ruim te laat is en bovendien nog steeds niet volledig. Niet is gebleken dat X dit niet kan worden toegerekend.

Eén en ander is van zodanig ernstige aard dat dit tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling noopt. De beslissing waarvan beroep dient dan ook te worden bekrachtigd.

3. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen, R.H. de Bock en J.C. Toorman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 11 oktober 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.