Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV1763

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
11/00029
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of met de aanslag een bedrag van

€ 5.000 aan dividendbelasting verrekend dient te worden en of de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag heffingsrente in rekening heeft gebracht. In hoger beroep stelt belangheb-bende daarnaast aan de orde dat de correctie van het box-1 inkomen met de van de BV ontvangen rente onjuist is of althans moet leiden tot een corresponderende vermindering van het box-3 inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/269
V-N 2012/13.26.8
FutD 2012-0266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk: P11/00029

13 oktober 2011

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z],

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 10/3424 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 3 april 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.359, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 15.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 40.734. Tevens is bij beschikking € 1.085 heffingsrente in rekening gebracht. Op het daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 27 juli 2010 de aanslag gehandhaafd. Het door belanghebbende ingestelde beroep bij de rechtbank is tegen die uitspraak gericht.

1.2. Bij uitspraak van 20 december 2010 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 22 november 2010, aangevuld op 24 en 30 november 2010 en op 14 december 2010. Deze stukken hebben deels op de onderhavige zaak, deels op andere in 1.5 vermelde zaken betrekking. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Van belanghebbende zijn op 8, 11, 13, 14, 19, 24, 27, 28, 29 en 30 april en op 2, 3, 7, 10, 12,16, 19 en 24 mei 2011 nadere stukken ontvangen, welke deels op de onderhavige zaak en deels op andere in 1.5 vermelde zaken betrekking hebben. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2011, alwaar verschenen zijn belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [V], alsmede namens de inspecteur [B] en [A].

De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met kenmerk 10/00812, 10/00813, 10/00814 10/00815 en 10/00816 betreffende belastingaanslagen ten name van [X] B.V. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt, dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in deze zaak de volgende feiten vastgesteld (waar hierna de uitspraak van de rechtbank is aangehaald, is belanghebbende aangeduid als eiser en de inspecteur als verweerder):

“2.1. Eiser is in het jaar 2007 directeur-grootaandeelhouder van [X] B.V. Eiser geniet in 2007 een uitkering van UWV.

2.2. Met dagtekening 27 december 2007 heeft verweerder een voorlopige aanslag IB/PVV 2007 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.840 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 50.000. Bij de aanslag is € 10.023 aan reeds ingehouden loonheffing verrekend. Tevens is bij beschikking € 398 heffingsrente in rekening gebracht.

2.3. Eiser heeft op 28 maart 2008 aangifte IB/PVV 2007 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.057 (de UWV uitkering), een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 12.477 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 40.734. In de aangifte heeft eiser onder meer vorderingen vermeld, welke op 1 januari 2007 € 295.964 bedragen en op 31 december 2007 € 583.617. Verder heeft eiser € 5.000 aan te verrekenen dividendbelasting aangegeven.

2.4. Met dagtekening 18 juni 2008 heeft verweerder een tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2007 opgelegd conform de ingediende aangifte, met dien verstande dat het belastbaar inkomen uit werk en woning na vermindering met nog te verrekenen, ambtshalve bij verweerder bekende verliezen van € 34.954 nihil bedraagt.

2.5. Op 17 november 2008 heeft eiser verzocht om een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2007. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder met dagtekening 7 januari 2009 een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2007 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 12.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.000. Tevens is bij beschikking € 162 heffingsrente in rekening gebracht.

2.6. [X] B.V. (hierna: de BV) heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting 2007 onder meer aangeven dat:

- de BV zowel op 1 januari 2007 als op 31 december 2007 een schuld aan eiser heeft van € 557.989;

- de BV in verband met deze schuld in 2007 € 13.256 rente aan eiser heeft betaald;

- de BV op 24 november 2008 (cursivering rechtbank) aangifte heeft gedaan van een winstuitdeling van € 15.000, waarop € 2.250 dividendbelasting zou zijn ingehouden.

De aanslag vennootschapsbelasting 2007 is vastgesteld conform de aangifte en staat onherroepelijk vast.

2.7. Eiser heeft een aangifte dividendbelasting van de BV overgelegd, waarin zij heeft aangegeven dat zij op 1 juli 2008 € 20.000 dividend ter beschikking heeft gesteld aan de aandeelhouder en op 30 september 2009 € 3.000 dividendbelasting heeft afgedragen.

2.8. Verweerder heeft voor zover nog van belang bij het opleggen van de definitieve aanslag de volgende correcties aangebracht:

- de door de BV aan eiser betaalde rente van € 13.256 heeft hij als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 bovenop de aangegeven uitkering in aanmerking genomen;

- het aangegeven dividend van € 12.477 heeft hij verhoogd met € 2.523;

- de verrekening van dividendbelasting heeft hij niet toegestaan.

Dit resulteerde in de bestreden onder 1.1 weergegeven aanslag berekend naar onder meer een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.359 (namelijk € 47.313 -/- verlies € 34.954).”

2.2. Nu tegen deze feitenvaststelling in hoger beroep geen bezwaren zijn ingebracht, zal ook het Hof van die feiten uitgaan.

2.3. In aanvulling hierop zij vermeld dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard af te zien van het horen van getuigen.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of met de aanslag een bedrag van

€ 5.000 aan dividendbelasting verrekend dient te worden en of de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag heffingsrente in rekening heeft gebracht. In hoger beroep stelt belangheb-bende daarnaast aan de orde dat de correctie van het box-1 inkomen met de van de BV ontvangen rente onjuist is of althans moet leiden tot een corresponderende vermindering van het box-3 inkomen.

3.2. In hoger beroep is niet meer in geschil of de uitspraak op bezwaar tijdig is gedaan.

3.3. Pro memorie vermeldt het Hof dat de gedingstukken van belanghebbende diverse uitlatingen bevatten die als vorderingen zouden kunnen worden begrepen, maar waarvoor in de onderhavige belastingprocedure geen plaats is.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Met betrekking tot de verrekening van dividendbelasting heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Verrekening dividendbelasting

4.3.1. Ingevolge artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) worden voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen verrekend met de aanslag. In artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001, is als voorheffing aangewezen: de geheven dividendbelasting.

4.3.2. Eiser claimt een verrekening over 2007 van dividendbelasting van € 5.000. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat in 2007 dat bedrag aan dividendbelasting is ingehouden en afgedragen, bij zijn brief van 29 september 2010 (gedingstuk A14) een tweetal afschriften van de Bizner Bank overgelegd. Uit die afschriften kan echter niet anders worden afgeleid dan dat op 10 november 2008 € 3.000 dividendbelasting aan de Belastingdienst Apeldoorn zou zijn betaald en op 30 september 2008 € 3.000 dividendbelasting aan de Belastingdienst Rijnmond. Verweerder heeft er op gewezen dat deze bedragen, indien al ingehouden en afgedragen, zien op 2008, zodat er in elk geval geen grond voor verrekening is in 2007.

In de aangifte vennootschapsbelasting 2007 heeft de BV weliswaar een bedrag aan ingehouden dividendbelasting van € 2.250 vermeld, maar verweerder heeft daartegenover aangevoerd dat noch een aangifte dividendbelasting in het jaar 2007 noch een betaling van genoemd bedrag in de systemen van de Belastingdienst voorkomt. Eiser heeft tegenover deze gemotiveerde betwisting van verweerder geen bewijs bijgebracht waaruit moet worden afgeleid dat aannemelijk is dat het door hem bedoelde bedrag aan dividendbelasting of enig ander bedrag aan dividendbelasting in 2007 door de BV is ingehouden en afgedragen. De door hem bij zijn repliek van 11 september 2010 (gedingstuk A10) overgelegde kopie van een aangifte dividendbelasting maakt dat niet anders, reeds omdat uit dat stuk niet blijkt - en ook niet kan blijken - dat daadwerkelijk dividendbelasting is afgedragen. Verweerder heeft derhalve terecht geen verrekening van dividendbelasting in aanmerking genomen.”

4.1.2. In zijn nadere stuk dat op 10 mei 2011 bij het Hof is ingekomen heeft belanghebbende erkend dat de BV hem in 2007 een dividend van € 15.000 heeft uitgekeerd.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende bevestigd dat de dividendbelasting van € 5.000 (dan wel € 6.000) in het jaar 2008 is ingehouden en afgedragen en dat er derhalve geen plaats is voor verrekening van dit bedrag met de aanslag IB/PVV voor het jaar 2007.

4.2.1. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met € 13.256 ter zake van rente die belanghebbende heeft genoten uit hoofde van door hem aan [X] BV (hierna: de BV) geleende gelden. Belanghebbende heeft daartegen aangevoerd dat de BV ‘cash rich’ was en geen lening nodig had, maar dat hij zich gelet op de bankencrisis genoodzaakt voelde zijn tegoeden te parkeren op de rekening die de BV aanhield bij de Rabobank.

Deze omstandigheden doen evenwel niet eraan af dat belanghebbende de hem toebehorende gelden ter beschikking heeft gesteld van de BV in de zin van de wettelijke definitie van artikel 3.92, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. De door de BV aan belanghebbende vergoede rente is dus terecht in box-1 belast.

4.2.2. In zijn aangifte had belanghebbende ter zake van de aan de BV ter beschikking gestelde gelden bedragen verwerkt in de rendementsgrondslag voor box-3. De inspecteur heeft erkend dat de rentecorrectie in box-1 had dienen samen te gaan met een vermindering van hetgeen teveel in box-3 is aangegeven. De inspecteur heeft ter zitting van het Hof – en onvoldoende gemotiveerd betwist door belanghebbende – desgevraagd verklaard dat de vordering van belanghebbende op de BV in de aangifte IB/PVV voor een bedrag van

€ 295.964 is verwerkt in de rendementsgrondslag bij het begin van het jaar en voor een bedrag van € 583.617 in de rendementsgrondslag bij het einde van het jaar. Daaruit volgt dat op grond van de aangifte 4% x ½ (295.964 + 583.617)= € 17.592 teveel aan inkomen uit sparen en beleggen in de heffing is betrokken. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dient derhalve met dit bedrag te worden verminderd tot € (40.734 -/- 17.592=) € 23.142.

4.3.1. Met betrekking tot de heffingsrente heeft de rechtbank overwogen:

“Heffingsrente

4.4.1. Ingevolge artikel 30f, eerste lid, van de AWR wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een aanslag wordt vastgesteld. Ingevolge het derde lid (tekst 2007) wordt de heffingsrente berekend met betrekking tot inkomstenbelasting over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het midden van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. Ingevolge artikel 30h in verband met 30f, vijfde lid, AWR, wordt heffingsrente in rekening gebracht over het positieve bedrag van de aanslag na verrekening met voorlopige aanslagen.

4.4.2. De inspecteur dient bij belastingen die bij wege van aanslag worden geheven op grond van beleid van de Belastingdienst in beginsel binnen een termijn van drie maanden na het indienen van de aangifte of een expliciet verzoek daartoe (Besluit van de staatssecretaris van 7 maart 2008 (nr. CPP 2007/3267M, Stscrt 2008, 5, VN 2008/19.5) een (voorlopige) aanslag vast te stellen. Het zorgvuldigheidsbeginsel verzet zich in geval van overschrijding van deze termijn als regel ertegen dat een inspecteur meer heffingsrente in rekening brengt dan de belastingplichtige verschuldigd zou zijn als er bij het einde van deze termijn een (voorlopige) aanslag in overeenstemming met de aangifte of het verzoek zou zijn opgelegd. Dit is slechts anders indien en voor zover de overschrijding van de termijn van drie maanden niet aan de Belastingdienst te wijten is (Hoge Raad 25 september 2009, LJN: BJ8524, VN 2009/47.3).

4.4.3. In casu heeft verweerder binnen drie maanden na indiening van de aangifte IB/PVV 2007 op 28 maart 2008, te weten op 18 juni 2008, een voorlopige aanslag opgelegd. Voorts heeft verweerder binnen drie maanden na een verzoek daartoe van 17 november 2008, een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2007 opgelegd conform dat verzoek; dit is de voorlopige aanslag met dagtekening 7 januari 2009. Hiermee heeft verweerder steeds binnen drie maanden nadat eiser daarom heeft verzocht voorlopige aanslagen opgelegd. De voorlopige aanslagen zijn in overeenstemming met de ingediende aangifte in combinatie met de ambtshalve bij verweerder bekende en door eiser niet betwiste gegevens met betrekking tot de verliesverrekening in box 1, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht. In zoverre bestaat er geen reden de heffingsrente te verminderen die in rekening is gebracht bij de (definitieve) aanslag. Niet is immers vereist dat binnen drie maanden na de aangifte een definitieve aanslag wordt vastgesteld. Ook overigens is er geen grond de oplegging of berekening van de heffingsrente in strijd met het recht te achten, De periode tussen indiening van de aangifte en de oplegging van de aanslag maakt dat niet anders, reeds omdat uit de wederzijds verstrekte informatie blijkt dat verweerder die periode voldoende voortvarend heeft benut om de noodzakelijke informatie te vergaren en te reageren op andere en aanvullende verzoeken en procedures van eiser alvorens tot en definitieve vaststelling van de aanslag te kunnen geraken.”

4.3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur, na uit de ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2007 van [X] BV (de BV) te hebben begrepen dat belanghebbende een bedrag van € 13.256 aan rente van de BV had genoten, aan belanghebbende dadelijk een hogere voorlopige aanslag over het jaar 2007 had behoren op te leggen, en dat in zoverre bij de onderhavige aanslag geen plaats is voor berekening van heffingsrente over de periode tussen (drie maanden na ontvangst van) de aangifte vennootschapsbelasting en de dagtekening van de aanslag IB/PVV.

4.3.3. Het Hof verwerpt dit standpunt. De inspecteur was niet verplicht om naar aanleiding van de aangifte vennootschapsbelasting van de BV – al dadelijk – een hogere voorlopige aanslag IB/PVV aan belanghebbende op te leggen dan voortvloeide uit diens aangifte.

Ook bracht de ontvangst van voormelde aangifte vennootschapsbelasting geen verkorting teweeg van de termijn van drie jaar waarbinnen de inspecteur de onderhavige aanslag diende vast te stellen.

4.3.4. Voor het overige heeft belanghebbende in hoger beroep geen nieuw of ander licht geworpen op de wijze waarop (voorlopige) aanslagen IB/PVV over het jaar 2007 aan hem zijn opgelegd. Het Hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat bij het berekenen van heffingsrente geen rechtsregel (waaronder begrepen de beginselen van behoorlijk bestuur) is geschonden.

4.3.5. Voor zover de klachten van belanghebbende zijn gericht tegen (de werking van) het wettelijke regime van de heffingsrente, stuiten zij af op het rechtsstatelijke beginsel dat het de rechter niet vrijstaat de innerlijke waarde en de billijkheid van de wet te toetsen.

4.3.6.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn klacht dat hij geen duidelijk inzicht heeft gekregen in de berekening van de heffingsrente.

4.3.6.2. In zijn pleitnota voor de zitting van het Hof heeft de inspecteur een uiteenzetting gegeven van het toepasselijke wettelijke regime en van de cijfermatige uitgangspunten voor de onderhavige heffingsrenteberekening. Met toepassing van die wettelijke regels en de destijds gehanteerde cijfermatige uitgangspunten (data, percentages) berekent de inspecteur een bedrag aan heffingsrente van € 1.084, nagenoeg overeenkomend met het bedrag van € 1.085 dat bij de bestreden beschikking in rekening is gebracht.

4.3.6.3. Het Hof houdt de berekening van de inspecteur voor juist. De spreadsheetberekenin-gen van belanghebbende in diens op 16 mei 2011 ingekomen nadere stuk, kunnen het Hof niet van het tegendeel overtuigen.

4.4. Wel dient de in rekening gebrachte heffingsrente naar evenredigheid verminderd te worden in verband met de vermindering van de aanslag die voortvloeit uit hetgeen is overwogen in 4.2.1. en 4.2.2.

Slotsom

4.5. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar vernietigen en de aanslag verminderen tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.359, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 15.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.142. De heffingsrente wordt naar evenredigheid van deze vermindering verminderd.

5. Kosten

Nu het beroep en het hoger beroep gegrond worden verklaard, zijn in beginsel termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die belanghebbende in eerste en tweede aanleg heeft moeten maken. Nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van een professionele gemachtigde en overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet zijn gesteld, volgt er geen kostenveroordeling van de inspecteur. Wel zal het Hof de inspecteur gelasten belanghebbende het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.359, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 15.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.142;

- draagt de inspecteur op het bedrag van de over de aanslag verschuldigde heffingsrente naar evenredigheid van de vermindering van de aanslag te verlagen;

- en gelast de inspecteur aan belanghebbende het bij de rechtbank (€ 41) en bij het Hof (€ 111) betaalde griffierecht (in totaal € 152) te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M. van Bakel als griffier. De beslissing is op 13 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.