Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV1757

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
10/00814
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep is in geschil of de inspecteur de voorlopige aanslag naar een te laag belastbaar bedrag heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/245
V-N 2012/19.5 met annotatie van Redactie
FutD 2012-0271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk: P10/00814

13 oktober 2011

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V., gevestigd te [Z],

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 10/2954 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 24 april 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een voorlopige aanslag (aanslagnummer 86.07.564.V.91.0112, hierna: de voorlopige aanslag V.91) opgelegd in de vennootschapsbelasting, berekend naar een belastbaar bedrag van € 2.484. Bij tegelijkertijd genomen beschikking heeft hij een bedrag van € 10 aan heffingsrente in rekening gebracht. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 2 juni 2010 ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.2. Bij uitspraak van 21 oktober 2010 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 22 november 2010, aangevuld op 24 en 30 november 2010 en op 14 december 2010.

Deze stukken hebben deels op de onderhavige zaak, deels op andere in 1.5 vermelde zaken betrekking. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Van belanghebbende zijn op 8, 11, 13, 14, 19, 24, 27, 28, 29 en 30 april en op 2, 3, 7, 10, 12, 16, 19 en 24 mei 2011 nadere stukken ontvangen, welke deels op de onderhavige zaak en deels op andere in 1.5 vermelde zaken betrekking hebben. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2011, alwaar verschenen zijn belanghebbende, vertegenwoordigd door haar directeur [X], tot bijstand vergezeld van [V], alsmede namens de inspecteur mrs. [A] en [B].

De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met kenmerk 10/00812, 10/00813, 10/00815 en 10/00816 betreffende belastingaanslagen ten name van belanghebbende, en de zaak met kenmerk 11/00029 betreffende een belastingaanslag ten name van [X]. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt, dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

De bestreden uitspraak van de rechtbank bevat geen afzonderlijke vaststelling van de feiten.

In deze zaak kan gelet op de stukken van het geding in eerste en tweede aanleg van de volgende feiten worden uitgegaan:

2.1. Met dagtekening 31 januari 2009 heeft de inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2009 een voorlopige aanslag, nr. 86.07.564.V.90.0112 (hierna: de voorlopige aanslag V.90) opgelegd naar een te betalen bedrag van € 40.000. Op 27 februari 2009 heeft belanghebbende daarop een bedrag van € 4.000 betaald.

2.2. Bij ambtshalve genomen beschikking, gedagtekend 23 mei 2009, heeft de inspecteur de voorlopige aanslag V.90 verminderd tot nihil. Belanghebbende heeft op 20 mei 2009 een teruggaaf van € 4.000 ontvangen. Er is geen heffingsrente vergoed.

2.3. Over het jaar 2009 heeft belanghebbende elektronisch aangifte vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbaar bedrag van € 2.484.

2.4. Met dagtekening 24 april 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2009 de (thans in geschil zijnde) voorlopige aanslag V.91 opgelegd. Deze voorlopige aanslag is conform de aangifte opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 2.484.

2.5. Bij bezwaarschrift van 30 april 2010 heeft belanghebbende verzocht een hogere voorlopige aanslag op te leggen.

2.6. Bij brief van 19 mei 2010 heeft de inspecteur in reactie op het bezwaarschrift onder meer het volgende geschreven:

“Bij het opleggen van de voorlopige aanslag heeft geen inhoudelijke toetsing van het door u ingeleverde aangiftebiljet plaats gevonden. Dat gebeurt pas bij de oplegging van de definitieve aanslag. Een voorlopige aanslag wordt altijd opgelegd in overeenstemming met, indien voorhanden uiteraard, een aangiftebiljet over het betreffende jaar. (…) De voorlopige aanslag 2009 is dus opgelegd, zoals te doen gebruikelijk, in overeenstemming met het door u ingediende aangiftebiljet 2009”.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep is in geschil of de inspecteur de voorlopige aanslag naar een te laag belastbaar bedrag heeft vastgesteld.

De materiële kern van de bezwaren van belanghebbende is dat zij, uitgaande van het standpunt dat de fiscus bij de behandeling van haar aangiften voor eerdere jaren heeft ingenomen – met name het corrigeren van bepaalde aftrekposten – over het jaar 2009 een hoger bedrag aan vennootschapsbelasting verschuldigd zal zijn dan het bedrag dat voortvloeit uit haar aangifte. In verband hiermee loopt belanghebbende een “rente exposure”, hierin bestaande dat de haar op te leggen definitieve aanslag over 2009 naar een hoger belastbaar bedrag zal worden berekend dan waarvan is uitgegaan bij de voorlopige aanslag (die conform haar aangifte, waarin van hogere aftrekposten is uitgegaan, is opgelegd), zodat haar over het verschil heffingsrente in rekening zal worden gebracht, welke zij niet kan terugverdienen door het vooralsnog bespaarde geld bij een bank uit te zetten, aangezien de bank een aanzienlijk lagere debetrente vergoedt dan de heffingsrente. Dit “rente exposure” is des te nijpender door de onnodig trage wijze waarop de Belastingdienst de aangiften van belanghebbende afhandelt. Aldus belanghebbende.

3.2. Daarnaast vordert belanghebbende vergoeding van heffingsrente over de teruggaaf van

€ 4000 die zij per 27 februari 2009 had betaald en op 20 mei 2009 terugontving. Zij berekent deze te vergoeden heffingsrente op € 31,89 per 20 mei 2009.

3.3. Voorts claimt belanghebbende een bedrag van € 1.281,94, verhoogd met wettelijke rente, als “procedurekosten”.

3.4. Pro memorie vermeldt het Hof dat de gedingstukken van belanghebbende nog andere uitlatingen bevatten die als vorderingen zouden kunnen worden begrepen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Met betrekking tot het in 3.1 vermelde geschilpunt heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“2. [Belanghebbende] stelt zich in beroep op het standpunt dat de winst en het belastbaar bedrag op een hoger bedrag dienen te worden vastgesteld dan in de aanslag [het Hof leest: de voorlopige aanslag] is vastgesteld omdat zij een aantal kosten ten onrechte zou hebben opgevoerd. Indien [belanghebbende] in dit standpunt zou worden gevolgd, zou dat betekenen dat zij door het instellen van beroep in een slechtere positie komt te verkeren dan zonder het instellen van beroep het geval zou zijn geweest. Zulks is niet mogelijk in beroep.

3. Het betoog van [belanghebbende] dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, kan de rechtbank niet volgen. Het beroep faalt ook in zoverre. Hetgeen [belanghebbende] voor het overige heeft aangevoerd leidt evenmin tot een gegrondverklaring. Derhalve is het beroep ongegrond verklaard.”

4.2. Het Hof verenigt zich met de overweging van de rechtbank dat het belastbaar bedrag in beroep niet kan worden verhoogd, en dat belanghebbende in zoverre geen procesbelang heeft.

4.3. Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat zij wel degelijk een procesbelang heeft, omdat het opleggen van een te lage voorlopige aanslag tot gevolg heeft dat haar daarna bij de definitieve aanslag (dan wel bij een nadere voorlopige aanslag) die naar een hoger belastbaar bedrag wordt vastgesteld, heffingsrente in rekening wordt gebracht die belanghebbende niet kan terugverdienen door het verschil bij de bank uit te zetten. Het desbetreffende rentenadeel zou belanghebbende zich kunnen besparen indien de inspecteur de onderhavige voorlopige aanslag tot een hoger bedrag zou hebben opgelegd.

4.4. Het Hof onderkent dat belanghebbende – zo bezien – niet “slechter af” is door een hogere voorlopige aanslag, maar dit brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het materiële procesbelang dat belanghebbende voor ogen staat (het “rente exposure” waarover zij spreekt) manifesteert zich pas door de beschikking heffingsrente die bij de definitieve (dan wel nadere voorlopige) aanslag wordt genomen. Eerst dan concretiseert zich een (eventueel) rentenadeel. Als belanghebbende meent dat dit nadeel – bij voorbeeld op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – voor rekening van de inspecteur dient te komen, kan zij zich alsdan tegen die beschikking heffingsrente in rechte verweren.

4.5. Voor zover belanghebbende het Hof verzoekt de inspecteur te gebieden zo snel mogelijk een hogere belastingaanslag voor het jaar 2009 op te leggen, moet het Hof dat naast zich neerleggen omdat het daartoe geen bevoegdheid heeft.

4.6. In de onderhavige procedure, die de voorlopige aanslag V.91 betreft, is geen plaats voor de behandeling van grieven die in verband staan met (het opleggen en verminderen van) de voorlopige aanslag V.90. Dit geldt met name voor de door belanghebbende geclaimde vergoeding van heffingsrente en van “procedurekosten”. De heffingsrente had volgens belanghebbende vergoed moeten worden over een teruggaaf van op de voorlopige aanslag V.90 betaalde belasting. De “procedurekosten” zijn blijkens het overzicht op blz. 8 van het hogerberoepschrift gemaakt in de periode maart-juli 2009 en hebben kennelijk betrekking op (een civielrechtelijke procedure inzake) de voorlopige aanslag V.90. Wat van een en ander verder ook zij, deze rente respectievelijk kosten staan niet in verband met het in de onderhavige procedure aan de orde zijnde besluit tot opleggen van de voorlopige aanslag V.91 en reeds daarom kan het Hof geen vergoeding van die rente respectievelijk kosten gelasten.

4.7. Wat belanghebbende overigens claimt – het Hof verwijst met name naar de opsomming op blz. 12 en 13 van het hogerberoepschrift – is in een belastingprocedure niet voor toewijzing vatbaar.

Slotsom

4.8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank, met aanvulling van gronden, dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler als griffier. De beslissing is op 13 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.