Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV1663

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
10/00364
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is, evenals voor de rechtbank, de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar onderwerp van geschil. Het geschil spitst zich toe op de vergoeding voor de taxatiekosten.

In het incidenteel hoger beroep is in geschil gebracht of de wegingsfactor van ½ die de rechtbank heeft toegepast voor de proceskostenvergoeding in beroep niet te laag is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/260
V-N 2012/13.26.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P10/00364

13 oktober 2011

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem,

de heffingsambtenaar

alsmede

op het incidenteel hoger beroep van

B.V. Beheers- en Exploitatiemaatschappij “[X]”, gevestigd te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/5410 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende is eigenaar van tien woningen, gelegen in twee verschillende straten in Haarlem (hierna: de onroerende zaken).

1.2. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2009 de waarde van de onroerende zaken krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2009 en naar de waardepeildatum 1 januari 2008 als volgt vastgesteld:

[A]-straat 2 € 230.000

[A]-straat 4 € 230.000

[A]-straat 6 € 230.000

[A]-straat 8 € 230.000

[A]-straat 10 € 230.000

[A]-straat 14 € 233.000

[A]-straat 16 € 233.000

[B]-straat 4 € 231.000

[B]-straat 7 € 230.000

[B]-straat 11 € 230.000

In hetzelfde geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelasting 2009 bekendgemaakt.

1.3. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 21 oktober 2009, de waarde van de onroerende zaken tot de volgende bedragen verminderd:

[A]-straat 2 € 215.000

[A]-straat 4 € 215.000

[A]-straat 6 € 215.000

[A]-straat 8 € 215.000

[A]-straat 10 € 215.000

[A]-straat 14 € 218.000

[A]-straat 16 € 218.000

[B]-straat 4 € 216.000

[B]-straat 7 € 215.000

[B]-straat 11 € 215.000

De heffingsambtenaar heeft bij dezelfde brief een bedrag van € 404,72 vergoed voor kosten in de bezwaarfase.

1.4. Bij uitspraak van 11 mei 2010 met kenmerk AWB 09/5410 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase gegrond verklaard, de vergoeding van kosten van het bezwaar vastgesteld op € 832,45 en de vergoeding voor kosten van het beroep op € 437.

1.5. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 15 juni 2010, aangevuld bij brieven van 9 juli 2010 en 7 juli 2011. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en bij geschrift van dezelfde datum incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De heffingsambtenaar heeft het incidentele hoger beroep beantwoord bij brief van 5 oktober 2010.

1.6. Op 25 juli 2011 is een nader stuk ontvangen van belanghebbende. Dit is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin, alsmede in de overigens hierna opgenomen citaten van de rechtbank, aangeduid als ‘eiseres’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.

“1. Gemachtigde heeft namens eiseres bij brief van 10 april 2009, bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van tien verschillende woningen, gelegen in twee verschillende straten in Haarlem. Gemachtigde heeft de gronden van het bezwaar aangevuld bij brief van 5 juni 2009.

2. Voor de behandeling van het bezwaar heeft eiseres een taxateur ingeschakeld, welke werkzaam is op hetzelfde kantoor als gemachtigde.

3. In de brief van 5 juni 2009 heeft eiseres onder meer verzocht om een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht ten bedrage van € 812,70. Voornoemd bedrag bestaat uit € 241,50 in verband met de door de gemachtigde verleende bijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift maal 1½ in verband met samenhangende zaken met een waarde per punt van € 161) en € 571,20 voor de taxatiewerkzaamheden.

4. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2009 het bezwaar gegrond verklaard en eiseres een proceskostenvergoeding toegekend ten bedrage van € 404,72. De vergoeding bestaat uit € 161,- in verband met de door gemachtigde verleende bijstand en € 243,72 voor de taxatiewerkzaamheden.”

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

“6. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van meerdere, samenhangende zaken, nu de waardes van de woningen op één aanslagbiljet bekend zijn gemaakt. Er is derhalve sprake van één procedure, aldus verweerder. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Ingevolge artikel 22, eerste lid van de Wet waardering onroerende zaken wordt de waarde van een onroerende zaak vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Nu sprake is van waardes van meerdere onroerende zaken, is tevens sprake van meerdere beschikkingen. Daaraan doet het feit dat deze op één aanslagbiljet bekend zijn gemaakt, niet af.

7. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Het gaat om nagenoeg identieke besluiten en eiseres heeft ter onderbouwing van haar bezwaar tegen de vastgestelde waardes in haar taxatierapport bij elk van de tien woningen dezelfde vergelijkingspanden aangedragen. Er is derhalve tevens sprake van op vergelijkbare gronden gemaakt bezwaar.

8. Met betrekking tot de taxatiekosten oordeelt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit wordt de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van een deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de Wet tarieven in strafzaken. In artikel 3, eerste lid, onder a, van die wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur tarieven voor de vergoedingen voor werkzaamheden worden vastgesteld. Die algemene maatregel van bestuur is het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Nu in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geen speciaal tarief is bepaald voor de werkzaamheden van een taxateur is het in artikel 6 genoemde tarief van toepassing. Dit tarief is € 81,23 per uur.

De stelling van verweerder dat dit tarief niet van toepassing is omdat de werkzaamheden van een taxateur niet van wetenschappelijke aard zijn, kan niet slagen. De taxateur verricht werkzaamheden die specialistische kennis vereisen. Reeds in eerdere jurisprudentie is uitgemaakt dat een taxateur in WOZ-zaken dit tarief kan worden toegekend. (vergelijk hof Amsterdam, 18 januari 2008, 07/00109, LJN BC3193). Het aantal bestede uren van zes komt, voor een taxatie van tien - weliswaar vergelijkbare - woningen de rechtbank, evenals een uurtarief van € 80,- niet onredelijk voor. De rechtbank zal eiseres volgen in haar standpunt.

9. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de vergoeding van de taxatiekosten dient te worden verhoogd met de omzetbelasting. De rechtbank acht dit, gelet op artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 juist en zal dienovereenkomstig beslissen.

10. Dit leidt tot de slotsom dat het beroep van eiseres gegrond is. De rechtbank stelt de door eiseres in de bezwaarfase gemaakte kosten vast op € 832,45. Hierbij zijn de kosten voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 241,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een wegingsfactor 1½ in verband met het feit dat sprake is van meer dan vier samenhangende zaken, met een waarde per punt van € 161), de kosten voor de deskundige op € 571,20 (6 maal het uurtarief van € 80 vermeerderd met 19% omzetbelasting) en de kosten in verband met het raadplegen van de openbare registers op € 19,75.

11. De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze worden eveneens vastgesteld op de voet van het Besluit. Voor de vaststelling van de kosten in verband met beroepsmatig verleende rechtsbijstand dient naar het oordeel van de rechtbank te worden uitgegaan van een licht gewicht van de zaak. Het gewicht van de zaak wordt immers mede bepaald door de ingewikkeldheid. Een beroep over uitsluitend de hoogte van de proceskostenvergoeding is van zeer geringe omvang en is in verhouding tot zaken van gemiddeld gewicht, niet ingewikkeld. Dat meerdere punten van de proceskostenvergoeding in geschil waren en dat eiseres jurisprudentie naar voren heeft gebracht, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Jurisprudentie wordt immers bekend verondersteld bij de rechtbank.

De proceskosten in verband met de beroepsfase stelt de rechtbank vast op € 437,-, namelijk 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor van ½ en een waarde per punt van € 437,-.”

4. Geschil in hoger beroep

4.1. In hoger beroep is, evenals voor de rechtbank, de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar onderwerp van geschil. Het geschil spitst zich toe op de vergoeding voor de taxatiekosten.

4.2. In het incidenteel hoger beroep is in geschil gebracht of de wegingsfactor van ½ die de rechtbank heeft toegepast voor de proceskostenvergoeding in beroep niet te laag is.

4.3. Voor de standpunten van partijen in hoger beroep verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken is vermeld.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De heffingsambtenaar stelt zich primair op het standpunt dat de kosten van het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de gemachtigde en de taxateur verweven zijn. Hij heeft gesteld dat de taxateur door de gemachtigde is ingeschakeld, dat zij zich jegens belanghebbende hebben gepresenteerd als één dienstverlener en dat het hem uit een ander geval bekend is dat de taxateur werkzaamheden heeft verricht die meer passen bij een rechtshulpverlener dan bij een taxateur. Het Hof verwerpt dit standpunt, omdat de heffingsambtenaar geen feiten heeft aangevoerd waaruit kan worden geconcludeerd dat in dit geval sprake is van verwevenheid. De omstandigheid dat de gemachtigde en de taxateur zich als één dienstverlener hebben gepresenteerd acht het Hof onvoldoende om anders te oordelen.

5.2. De heffingsambtenaar stelt zich subsidiair op het standpunt dat de rechtbank de vergoeding voor de kosten van het taxatierapport te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat niet in geschil is dat de kosten voor het raadplegen van de openbare registers en de BTW-component van het ingebrachte taxatierapport vergoed dienen te worden. Ook de aan het taxatierapport bestede tijd is niet in geschil.

5.3. De grief van de heffingsambtenaar dat de rechtbank voor de taxatiekosten ten onrechte een vergoeding heeft toegekend van € 80 per uur slaagt. Naar het oordeel van het Hof zijn de werkzaamheden van de taxateur niet in die mate van wetenschappelijke of bijzondere aard dat een vergoeding tot nabij het maximale bedrag van € 81,23 per uur, genoemd in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, toegekend kan worden. Het Hof zal een vergoeding van € 50 per uur toekennen.

5.4. In het incidenteel hoger beroep stelt belanghebbende dat het gewicht van de zaak in beroep ten onrechte als licht is aangemerkt. Er dient te worden uitgegaan van een gemiddeld gewicht van de zaak, nu verschillende punten van de proceskostenvergoeding in geschil waren en de zaak zeer bewerkelijk was, aldus belanghebbende. Het Hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het toegekende gewicht van de zaak. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat het beroep louter de vergoeding van de kosten van bezwaar betrof.

Slotsom

5.5. De slotsom is dat het door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep gegrond is. Het door belanghebbende ingestelde incidentele hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de beslissing over de vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten betreft.

5.6. Het Hof stelt de vergoeding voor in de bezwaarfase gemaakte kosten vast op € 618,25. Hierbij zijn de kosten voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 241,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift maal, wegingsfactor 1½ voor samenhang en een waarde per punt van € 161), de kosten voor de deskundige op € 357 (6 maal het uurtarief van € 50 vermeerderd met 19% omzetbelasting) en de kosten in verband met het raadplegen van de openbare registers op € 19,75.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de beslissing over de vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten betreft;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de beslissing over de vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten betreft;

- stelt de vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten vast op € 618,25.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, A.D.R.M. Boumans en J.P.F. Slijpen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler, als griffier. De beslissing is op 13 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.