Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV1616

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
10/00295
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2003 op een juist bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de inspecteur terecht op grond van artikel 12a Wet LB 1964, in samenhang met artikel 3.81 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, een zogenoemd gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen bij belanghebbende. Zo op dit punt het gelijk niet aan de inspecteur is, is in geschil of belanghebbende resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten. Tot slot is, evenals bij de rechtbank, in geschil of belanghebbende inkomen uit sparen en beleggen heeft genoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/231
V-N 2012/22.11 met annotatie van Redactie
FutD 2012-0263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P10/00295

13 oktober 2011

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], woonachtig te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. M.J. Gommans te Venlo,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/869 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden/kantoor Hoofddorp,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 7 december 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.000. Tevens is bij beschikking € 16.861 heffingsrente in rekening gebracht.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 7 januari 2009, de aanslag verlaagd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 39.118. De in rekening gebrachte heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is niet gewijzigd.

Bij uitspraak van 1 april 2010 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 12 mei 2010, aangevuld bij schrijven van 9 juni 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2011.

Gemachtigde, die bij aangetekende brief van 16 februari 2011 verzonden aan Gommans Advocatuur, ter attentie van mr. M.J. Gommans, Celsiusweg 32, 5928 PR Venlo, is uitgenodigd voor de zitting, is niet verschenen. Blijkens gegevens van TNT Post is de brief waarin de uitnodiging is verzonden op 18 februari 2011 op het hiervoor vermelde adres aangeboden.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Blijkens tot de gedingstukken behorende uittreksels uit het handelsregister is belanghebbende, werkzaam in de bloembollenhandel, enig aandeelhouder en alleen en zelfstandig bevoegd directeur van [X]- Export B.V. (hierna ook: Export B.V.). In deze uittreksels is voorts vermeld dat [X]-Export B.V. enig aandeelhouder en alleen en zelfstandig bevoegd directeur is van [X]-Kwekerij B.V. (hierna ook: Kwekerij B.V.). [X]-Kwekerij B.V. is op 13 november 2003 ontbonden.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren kopieën van de aangiften omzetbelasting van Kwekerij B.V. Op het voorblad van deze aangiften staat de naam van belanghebbende.

De aangiftebiljetten over de tijdvakken januari 2003 tot en maart 2003 zijn niet ondertekend. Als reden voor het niet ondertekenen van de aangiften is op de aangiftebiljetten geschreven dat belanghebbende in detentie is. Vanaf het tijdvak april 2003 tot en met het tijdvak december 2003 staat bij de naam van belanghebbende op de voorzijde van de aangiftebiljetten een handtekening.

2.3. Belanghebbende is van 2001 tot en met medio 2003 gedetineerd geweest.

2.4. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van A. Meijen, werkzaam als taxateur onroerende zaken bij de Belastingdienst Amsterdam, van de onroerende zaak aan de [A]-straat [1] te [B]. Het taxatierapport is opgemaakt op 20 november 2003 en in het taxatierapport is belanghebbende als eigenaar van voornoemde onroerende zaak vermeld. De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak wordt in dit rapport op peildatum 20 november 2003 getaxeerd op € 255.000.

Als omschrijving van het object is in dit taxatierapport opgenomen: “Bloembollenbedrijf bestaande uit twee schuren met koel-/- stookcellen, erfverhardingen, foliekas, ondergrond, erf en omliggende grond.”

2.5. Tot de stukken van het geding behoort een brief van [X]-Kwekerij B.V. met dagtekening 22 oktober 2003 aan de Belastingdienst Leiden waarin als bedrijfsadres wordt genoemd: [A]-sraat [1], te [B].

2.6. Tot de stukken van het geding behoort een tweetal uitdraaien uit het Renseignementen Informatiesysteem van de Belastingdienst. In beide uitdraaien zijn, voor zover hier van belang, onder meer de volgende gegevens opgenomen.

Berichtenstroom: WOZ 2007

Naam: [X]:

Geboortedatum: 07-06-1946

Ingangsdatum: 01-01-2003

Einddatum: 31-12-2003

Op een van de twee uitdraaien is onder meer opgenomen:

Waarde: 409.000 NLG

Adres object: [C]-straat [2]

[D]

Woning dienend tot hoofdverblijf

Op de andere uitdraai is onder meer opgenomen:

Waarde: 399.000 NLG

Adres object: [C]-straat [2-bedr]

[D]

Niet-woning

2.7. Belanghebbende heeft op 31 maart 2005 een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 ingediend naar een belastbaar inkomen van nihil.

Met dagtekening 7 december 2007 heeft de inspecteur een aanslag ter behoud van rechten opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 39.118, bestaande uit een op de voet van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) vastgesteld gebruikelijk loon van € 38.118 uit [X]-Kwekerij B.V. en een meewerkbeloning van € 1.000. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is bij uitspraak op bezwaar ongewijzigd gebleven. In de schriftelijke vooraankondiging (met dagtekening 24 november 2008) van deze uitspraak op bezwaar aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende is – voor zover thans relevant – het volgende medegedeeld:

“Ten tijde van het opleggen van de aanslagen over het jaar 2003 was het ons nog onduidelijk wat er precies was gebeurd met de voormalige vennootschappen van [belanghebbende] ([X]-Kwekerij B.V., [X]-K….. B.V., [X]-Export B.V. en [E]-B.V.).

Inmiddels is gebleken dat deze vennootschappen nog tot eind 2003 actief zijn geweest en dat [belanghebbende] activiteiten voor deze vennootschappen heeft verricht. (…) Nu hiermee voor de loonbelasting bij de vennootschappen nog geen rekening is gehouden, zien wij ons genoodzaakt om over 2003 het zgn. gebruikelijk loon (…) te corrigeren. (…) Aangezien [belanghebbende] werkzaam was voor meerdere vennootschappen en ook andere werknemers in 2003 voor meer dan € 30.000 op de loonlijst stond[en], zien wij verder geen aanleiding om het wettelijke gebruikelijk loon op een lager bedrag vast te stellen.”

2.8. Ter zitting in eerste aanleg is blijkens het tot de gedingstukken behorende proces-verbaal van deze zitting onder meer het volgende gesteld:

“[Gemachtigde:] Alleen het BTW-nummer van deze vennootschap [het Hof begrijpt: Kwekerij B.V.] resteerde. Daarom is het gebruikt. (…) Mevrouw [F] heeft de administratie gedaan in de tijd dat [belanghebbende] gedetineerd was. Met de ontvanger is afgesproken dat de echtgenote van [belanghebbende] de activiteiten overnam. [G] heeft dat gedaan. (…) De kwekerij was het hebben van acht plantenrassen. In 2002 is alles beëindigd. Er is beslag gelegd in 2001. (…) Op 24 maart 2004 is de boedelveiling gehouden. (…) Medio 2003 is [belanghebbende] uit detentie gekomen. In februari 2003 is niet meer geplant. De vennootschap [Hof: Kwekerij B.V.] was dus niet actief meer. (…)

Uit de gegevens van [de] Kamer van Koophandel blijkt de concernopbouw. Export BV was de moedervennootschap van Kwekerij BV. [Belanghebbende] was indirect aandeelhouder. De looncorrectie moet dan ook in Export BV worden gecorrigeerd. (…) Enig aandeelhouder van Export BV was [belanghebbende]. (…)

[H] was een personeelslid. Het pand was een bollenschuur. (…) Hij was daar en verzorgde het pand. Er zijn daar bollen ingepakt door [G]. (…) De bollenhandel is door mevrouw overgenomen. (…) [H] heeft de bollen ingepakt. Voor [K] en (…) voor Export BV.”

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2003 op een juist bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de inspecteur terecht op grond van artikel 12a Wet LB 1964, in samenhang met artikel 3.81 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, een zogenoemd gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen bij belanghebbende. Zo op dit punt het gelijk niet aan de inspecteur is, is in geschil of belanghebbende resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten. Tot slot is, evenals bij de rechtbank, in geschil of belanghebbende inkomen uit sparen en beleggen heeft genoten.

Partijen hebben voor de motivering van hun standpunten verwezen naar bij de rechtbank ingediende stukken en hun ter zitting in eerste aanleg ingenomen stellingen.

4. Beoordeling van het geschil

Box 1

4.1. Op grond van artikel 12a Wet LB 1964 wordt - samengevat en voor zover hier van belang - ten aanzien van een werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, dan wel waaraan hij vermogensbestanddelen ter beschikking stelt, het in het kalenderjaar genoten loon gesteld op een zogenoemd gebruikelijk loon.

4.2.1. De inspecteur heeft in hoger beroep evenals in eerste aanleg met een beroep op artikel 12a Wet LB 1964 het standpunt ingenomen dat bij belanghebbende ten onrechte geen gebruikelijk loon ter hoogte van € 38.118 in aanmerking is genomen in verband met door belanghebbende verrichte werkzaamheden voor Kwekerij B.V. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er in deze vennootschap in het jaar 2003 nog activiteiten waren en dat belanghebbende als directeur zelf werkzaamheden voor deze vennootschap heeft verricht. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat er binnen Kwekerij B.V. activiteiten waren verwijst de inspecteur naar de BTW-aangiften van de vennootschap over het jaar 2003 en naar het feit dat deze vennootschap het gehele jaar een werknemer in dienst heeft gehad ([H]), welke werknemer volgens de inspecteur blijkens de door hem overgelegde loongegevens in 2003 van Kwekerij B.V een loon uit dienstbetrekking heeft genoten van € 31.496. Dat door belanghebbende zelf werkzaamheden zijn verricht, blijkt volgens de inspecteur uit het feit dat belanghebbende een deel van de genoemde BTW-aangiften heeft ondertekend.

4.2.2. Indien het Hof van oordeel is dat de inspecteur ten onrechte een gebruikelijk loon van € 38.118 in aanmerking heeft genomen beroept de inspecteur zich op interne compensatie. Bij de vaststelling van de aanslag en de uitspraak op bezwaar is volgens de inspecteur ten onrechte geen rekening gehouden met het resultaat uit het ter beschikking stellen van de onroerende zaak gelegen aan de [A]-straat [1] te [B] door belanghebbende als aanmerkelijkbelanghouder aan de Kwekerij B.V. Het resultaat in verband met deze terbeschikkingstelling is door de inspecteur gesteld op € 21.740. Dit resultaat is als volgt berekend:

Bruto inkomsten: 10% van getaxeerde waarde van € 255.000 = 25.500

Minus: afschrijving van 2% van € 188.000 = 3.760

Netto opbrengst 21.740

4.3. Volgens gemachtigde is ten onrechte een gebruikelijk loon in aanmerking genomen. Gemachtigde weerspreekt – zo begrijpt het Hof onder meer uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, zoals weergegeven onder 2.8 – dat belanghebbende directeur/werknemer was van de Kwekerij B.V. en weerspreekt bovendien dat hij, al dan niet in de hoedanigheid van directeur, activiteiten voor deze vennootschap heeft verricht. Volgens gemachtigde had de bijtelling gebruikelijk loon bij Export B.V. moeten plaatsvinden en niet bij Kwekerij B.V. In 2003 waren er bij Kwekerij B.V. volgens gemachtigde überhaupt geen bedrijfsactiviteiten meer. Voorts heeft gemachtigde gesteld dat de handtekeningen op de BTW-aangiften over de maanden april tot en met december 2003 afkomstig zijn van een stempel en niet van belanghebbende zelf.

4.4. De rechtbank heeft ten aanzien van de hoogte van het box 1 inkomen als volgt geoordeeld. Belanghebbende wordt hierin aangeduid als eiser en de inspecteur als verweerder.

“4.2. Niet is in geschil dat eiser in het jaar 2003 werknemer is geweest van [X]-Kwekerij BV te [B], dat eiser in die hoedanigheid na afloop van zijn detentie arbeid heeft verricht ten behoeve van de BV en dat eiser in de betreffende BV een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001. De rechtbank stelt daarom voorop dat op eiser de last rust aannemelijk te maken dat in zijn geval het gebruikelijke loon lager is dan € 39.118.

4.3. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij tot medio 2003 gedetineerd is geweest. Hij heeft daaraan de conclusie verbonden dat hem voor die periode – waarin hij geen arbeid voor de BV heeft verricht – geen loon uit de BV kan worden toegerekend. Het antwoord op de vraag of de gebruikelijk-loonregeling onverkort kan worden toegepast gedurende de detentie van de directeur/groot aandeelhouder kan evenwel buiten beschouwing blijven, omdat verweerders beroep op interne compensatie slaagt. Onweersproken is immers gebleven dat sprake is van een niet bij de aanslag betrokken resultaat uit overige werkzaamheden in het belastingjaar 2003. Dat in de betreffende periode beslag was gelegd op de onroerende zaak, [A]-straat [1] te [B], doet niet af aan het feit dat deze aan de BV ter beschikking stond. Eiser heeft een aanmerkelijk belang in [X]-Kwekerij BV en heeft aan deze vennootschap tot en met november 2003 de onroerende zaak ter beschikking gesteld. De waarde van deze onroerende zaak bedraagt onweersproken € 255.000. De berekening van verweerder die leidt tot een netto opbrengst voor eiser van € 21.740 overtreft ruimschoots het door eiser naar zijn zeggen tijdens zijn detentie gedorven loon van vijf twaalfde maal € 39.118 (€ 16.299). Ook indien het resultaat uit de ter beschikkingstelling moet worden verminderd met één twaalfde omdat de terbeschikkingstelling per 1 december 2003 is beëindigd, is de aanslag nog niet te hoog vastgesteld.

Dat verweerders uitgangspunt bij de berekening van de hoogte van het resultaat (één tiende van de waarde van de onroerende zaak, te verminderen met een afschrijving van 2% op de waarde exclusief de grond (€ 188.000) onjuist is, is gesteld noch gebleken.”

4.5. Het Hof stelt voorop dat voorwaarde voor de toepassing van artikel 12a van de Wet LB 1964, in samenhang met artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001, is dat er sprake is van een werknemer, die arbeid verricht ten behoeve van het lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, dan wel die arbeid verricht ten behoeve een lichaam waaraan hij een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank in onderdeel 4.2 van haar uitspraak heeft geconcludeerd, is naar het oordeel van het Hof zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in geschil of belanghebbende in het jaar 2003 werknemer is geweest van Kwekerij B.V. en of belanghebbende in die hoedanigheid arbeid heeft verricht ten behoeve van Kwekerij B.V.

4.6.1. Vaststaat dat belanghebbende in 2003 als enig aandeelhouder van Export B.V., welke vennootschap in 2003 alle aandelen hield in Kwekerij B.V., (middellijk) aanmerkelijk-belanghouder was in Kwekerij B.V. in de zin van artikel 4.6 Wet IB 2001. Voorts staat vast dat belanghebbende formeel geen directeur was van Kwekerij B.V; blijkens het handelsregis-ter was de moedervennootschap van Kwekerij B.V. (Export B.V.) ingeschreven als alleen en zelfstandig bevoegd directeur. Gemachtigde heeft daaraan de conclusie verbonden dat de gebruikelijkloonregeling hoe dan ook niet kan worden toegepast ten aanzien van door belanghebbende voor Kwekerij B.V. verrichte werkzaamheden (zo daarvan al sprake is) en dat de inspecteur een eventuele gebruikelijklooncorrectie uitsluitend met betrekking tot werkzaamheden voor Export B.V. zou hebben kunnen toepassen, omdat belanghebbende uitsluitend bij deze vennootschap als directeur was aangesteld.

4.6.2. Deze stelling treft geen doel Hierbij stelt het Hof voorop dat het in het onderhavige geval gaat om de vraag of de inspecteur, vanwege de door hem gestelde werkzaamheden door belanghebbende, in de aanslag inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar een gebruikelijkloonbijtelling in aanmerking mocht nemen. Het komt derhalve aan op de beoordeling van de vraag of de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende in 2003 de door de inspecteur gestelde werkzaamheden heeft verricht. Ook indien belanghebbende deze werkzaamheden in hoedanigheid van directeur van Export B.V. zou hebben verricht, leidt dit tot een bijtelling gebruikelijk loon, aangezien belanghebbende ook van Export B.V. enig aandeelhouder was en ook deze vennootschap in 2003, zoals volgt uit de door belanghebbende ingediende aangifte (zie onder 2.7), aan belanghebbende geen loon heeft uitbetaald.

4.6.3. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur met de door hem overgelegde kopieën van BTW-aangiften over de maanden april 2003 tot en met december 2003 aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2003 werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van Kwekerij B.V. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat, zoals de inspecteur voorts heeft gesteld, de maandaangiften van januari 2003 tot en met maart 2003 telkens de handgeschre-ven mededeling bevatten dat deze aangifte niet kan worden ondertekend, “aangezien [belanghebbende] in detentie is” en dat op de aangiften over de maanden april 2003 tot en met december 2003 de aangifte op het voorblad telkens wél is ondertekend, waarbij als naam van de ondertekenaar die van belanghebbende en als plaats van ondertekening [K] is vermeld.

Bovendien zijn op het voorblad van de aangifte over april 2003 (die is ondertekend met dagtekening 20 mei 2003) de woorden “kan niet worden ondertekend” doorgehaald. Hieruit leidt het Hof het bewijsvermoeden af dat belanghebbende na afloop van zijn detentie in elk geval de supervisie heeft gehad over het opstellen en het daadwerkelijk indienen van de BTW-aangiften over de maanden april 2003 tot en met december 2003 en in die zin werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van Kwekerij B.V., al dan niet (mede) in zijn functie van directeur van Export B.V., de statutaire bestuurder van Kwekerij B.V. Belanghebbende heeft dit bewijsvermoeden niet ontzenuwd met zijn stelling dat hij geen enkele werkzaamheid heeft verricht en dat de handtekening afkomstig is van een stempel.

De laatstvermelde stelling sluit immers niet uit dat belanghebbende toezicht uitoefende op en leiding gaf aan het indienen van de desbetreffende aangiften. Op grond van het hiervoor overwogene is het Hof van oordeel dat de inspecteur het bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat belanghebbende in 2003 in elk geval na afloop van zijn detentie, vanaf mei 2003, werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van Kwekerij B.V. en/of Export B.V.

4.7. Het hiervoor overwogene heeft tot gevolg dat de inspecteur op grond van artikel 12a Wet LB 1964, in samenhang met artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001, bij belanghebbende een gebruikelijk loon van € 38.118 in aanmerking kan nemen, tenzij belanghebbende aannemelijk maakt dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat, voor zover de stelling van belanghebbende dat zijn detentie tot en met mei 2003 al tot gevolg dient te hebben dat het op jaarbasis berekende gebruikelijk loon op een lager bedrag moet worden vastgesteld, het hierbij ten hoogste een tijdsevenredige vermindering met 5/12e kan betreffen. Voor het overige heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot de gevolgtrekking kunnen leiden dat een lager bedrag aan loon dan € 38.118 gebruikelijk is. Beslissend is derhalve het antwoord op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het antwoord op de vraag of de gebruikelijkloon-regeling onverkort kan worden toegepast gedurende de detentie van belanghebbende buiten beschouwing kan blijven, omdat in dat geval het beroep van de inspecteur op interne compensatie slaagt.

4.8. Wat betreft het beroep van de inspecteur op interne compensatie oordeelt het Hof als volgt. Uit het onder onderdeel 2.4 genoemde taxatierapport blijkt dat belanghebbende eigenaar was van de onroerende zaak aan de [A]-straat [1] te [B].

De inspecteur heeft met een beroep op interne compensatie gesteld dat bij belanghebbende een resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking moet worden genomen nu belanghebbende (aanmerkelijkbelanghouder) over de genoemd onroerende zaak als eigenaar kon beschikken en deze onroerende zaak in 2003 aan [X]-Kwekerij B.V. ter beschikking is gesteld. De onroerende zaak was immers gelegen op het adres waar de bedrijfsactiviteiten van Kwekerij B.V. plaatsvonden. Voor zover gemachtigde heeft gesteld dat geen sprake kan zijn van resultaat uit overige werkzaamheden in verband met een op de betreffende onroerend zaak gelegd beslag is het Hof van oordeel, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank, dat dit niet afdoet aan het feit dat deze onroerende zaak in ieder geval tot en met november 2003 (tot de datum van ontbinding van de vennootschap) aan de vennootschap ter beschikking stond. Onder meer uit de ter zitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van gemachtigde, zoals weergegeven onder 2.8, leidt het Hof af dat het pand in 2003 ook gedurende de periode van beslag feitelijk te beschikking is blijven staan van Kwekerij B.V. De stelling van gemachtigde dat de in 2003 door [H] in het pand verrichte werkzaamheden (het inpakken van bollen) zijn verricht ten behoeve van andere vennootschappen, doet aan deze constatering niet af.

4.9. In hoger beroep is evenals bij de rechtbank gesteld noch gebleken dat het uitgangspunt van de inspecteur bij de berekening van het resultaat (10% van de waarde van de onroerende zaak, te verminderen met een afschrijving van 2% op de waarde exclusief grond) onjuist is. Wel dient hierbij nog rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat Kwekerij B.V. met ingang van 13 november 2003 is ontbonden, zodat met ingang van deze datum geen sprake meer is van terbeschikkingstelling van het pand aan Kwekerij B.V.

De door de inspecteur berekende inkomsten dienen derhalve te worden gecorrigeerd tot (afgerond) 10/12e x € 21.170 = (afgerond) € 17.641. Voorts stelt het Hof vast dat de rechtbank in onderdeel 4.3 van haar uitspraak het (potentiële) bedrag waarop de interne compensatie betrekking heeft, ten onrechte heeft berekend op het met de meewerkbeloning verhoogde bedrag van het gebruikelijk loon (€ 39.118); de juiste berekening bedraagt 5/12e x € 38.118 = (afgerond) € 15.882. Ook indien met de hiervoor vermelde correcties rekening wordt gehouden, slaagt derhalve het beroep van de inspecteur op interne compensatie, indien het beroep van belanghebbende op vermindering van het in aanmerking te nemen gebruikelijk loon vanwege de periode van detentie zou worden gehonoreerd.

De rechtbank is dan ook tot een juiste eindbeslissing gekomen.

Box 3

4.10. Ten aanzien van de hoogte van het inkomen van belanghebbende uit sparen en beleggen heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

4.4. Met betrekking tot de aanslag inzake eisers inkomen uit sparen en beleggen stelt de rechtbank vast dat eiser blijkens een renseignement eigenaar is van een onroerende zaak, plaatselijk bekend als [C]-straat [2], te [D] waaraan een WOZ-waarde is toegekend van € 366.654 [Hof: f 409.000 + f 399.000 = f 808.000 = € 366.654]. Niet is gesteld of gebleken dat eiser schulden had die bij de berekening van de heffing in aftrek dienen te worden gebracht. De rechtbank stelt daarom vast dat het bij de aanslag in aanmerking genomen inkomen van € 8.000 niet te hoog is vastgesteld.

4.11. Gemachtigde heeft zonder verdere onderbouwing gesteld dat ten onrechte inkomen in box 3 in aanmerking is genomen aangezien het vermogen van belanghebbende in 2003 geheel was geliquideerd. Gelet op hetgeen in onderdeel 2.6 van de feiten is opgenomen en nu gemachtigde in hoger beroep geen aanvullende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die een ander licht op de zaak (kunnen) werpen, is het Hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist dat het bij de aanslag IB/PVV 2003 in aanmerking genomen inkomen uit sparen en beleggen van € 8.000 niet te hoog is vastgesteld.

Slotsom

4.12. De slotsom is dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigt met verbetering van gronden, als hiervoor aangegeven.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, H.E. Kostense en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler als griffier. De beslissing is op 13 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.