Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0990

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
23-002997-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BN1731, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Promis arrest. Medeplegen poging moord, meermalen gepleegd.

Poging moord door vier personen 23 kogels op een auto met twee inzittenden afgevuurd.

Tegenover elkaar staande vekrlaringen medeverdachten en slachtoffers met ebtrekking tot betrokkenheid verdachte.

Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45, geldigheid: 2011-11-09
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2011-11-09
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2011-11-09
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2011-11-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PROMIS

parketnummer: 23-002997-10

datum uitspraak: 9 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-528230-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

adres: [adres], [woonplaats].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van

8 april 2010 en 16 juni 2010 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 31 mei 2011 en 26 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dat

Feit 1:

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 17 februari 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of twee, althans een, andere perso(o)n(en) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), de auto, waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of die voornoemde perso(o)n(en) zich bevonden, heeft/hebben klemgereden en/of (vervolgens) met een of meer (semi-automatische) vuurwapen(s) op die auto en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of die voornoemde perso(o)n(en), heeft/hebben geschoten;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen kan niet in stand blijven, omdat het hof zijn oordeel mede baseert op aanvullend onderzoek in de fase van het hoger beroep en gelet op de door de verdediging gevoerde verweren.

Waardering van het bewijs

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met de voormalig medeverdachten aan de ten laste gelegde poging tot moord heeft schuldig gemaakt. Hiertoe heeft zij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Vast staat dat er op 17 februari 2009 een schietpartij heeft plaatsgevonden op de inzittenden van een zwarte Volkswagen Golf, te weten de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Voorts staat vast dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een aandeel in deze schietpartij hebben gehad, dat [medeverdachte 2] de bestuurder van de auto was, dat [medeverdachte 1] de Glock heeft gebruikt en dat [medeverdachte 3] een revolver heeft gebruikt en achter de auto stond tijdens het schieten.

De politie heeft op veel punten de informatie gedurende het opsporingsonderzoek juist geïnterpreteerd. [medeverdachte 2] verklaart niet consistent over de volgorde waarin hij de twee wapens zou hebben gebruikt, bovendien strookt zijn verhaal niet met de door de technische recherche vastgelegde schietlijnen. De voormalig medeverdachten verklaren daarnaast verschillend over de aanleiding van de schietpartij en hun positie tijdens het schieten. Bovendien is het opvallend dat de voormalig medeverdachten na het moment waarop hun eigen vonnissen onherroepelijk werden niet zelf met hun verklaring zijn gekomen dat de verdachte [verdachte] niets met de schietpartij te maken heeft, maar daarmee pas kwamen na door het openbaar ministerie als getuigen te zijn opgeroepen, en dat terwijl hun vriend, zo stellen zij, onschuldig vast zou zitten.

De [slachtoffers] hebben daarentegen vanaf november 2009 steeds verklaard dat [bijnaam verdachte], de verdachte [verdachte], degene was die als eerste uit de auto kwam en als eerste heeft geschoten. Zij blijven consequent bij hun verklaringen en geven aan dat het niet mogelijk is dat zij zich hebben vergist. De overige details van hun verklaringen komen in grote lijnen overeen met de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en worden ondersteund door de resultaten van het technisch onderzoek. Ook worden de verklaringen van de [slachtoffers] ondersteund door verschillende getapte telefoongesprekken waarin wordt gesproken over vier schutters en dat 'die met dat lange haar en die groene auto' er ook bij was. Hieruit blijkt een verwijzing naar de verdachte [verdachte]. De getuige [slachtoffer 1] heeft dit ter terechtzitting in hoger beroep nogmaals bevestigd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -kort en zakelijk weergegeven- gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat zij onbetrouwbaar zijn. Nu daarnaast geen ander wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de betrokkenheid van de verdachte, dient deze te worden vrijgesproken, mede gezien de thans aanwezige ontlastende verklaringen.

Zij heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring door de rechtbank ondersteunen voornamelijk het feit dát er een schietpartij heeft plaatsgehad en de betrokkenheid daarbij van [medeverdachte 1]. De betrokkenheid van de verdachte doet de rechtbank enkel en alleen steunen op de verklaringen van de broers [slachtoffers]. De verdachte heeft van meet af aan vastberaden verklaard dat hij niet betrokken is geweest bij het beschieten van de [slachtoffers]. Het dossier is inmiddels aangevuld met fors ontlastend bewijs. De verdachte beschikt volgens twee getuigen over een alibi en de schutters, die hun betrokkenheid inmiddels hebben bekend, hebben herhaaldelijk verklaard dat de verdachte er niet bij was op 17 februari 2009. De verklaringen van de broers [slachtoffers] moeten onbetrouwbaar worden geacht en van het bewijs worden uitgesloten. De [slachtoffers] verklaren pas maanden na het incident dat verdachte daarbij betrokken is geweest. Deze uiteindelijk belastende verklaringen zijn onder grote druk afgelegd. Dit alleen al doet afbreuk aan deze verklaringen. Bovendien zijn de getuigenverklaringen innerlijk tegenstrijdig en evenmin komen zij onderling of met de overige zich in het dossier bevindende verklaringen overeen. De herkenning op grond van de fotoconfrontatie is waardeloos, nu vier van de negen getoonde foto's foto's van de aangever zelf en zijn familieleden betreffen.

De verklaring van de getuige [getuige 1] is een de auditu verklaring die bovendien slechts op vermoedens berust, dit geldt ook voor de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3]. Ook uit de verklaringen van de getuigen die zich op de plaats delict hebben bevonden kan niet de betrokkenheid van de verdachte worden afgeleid. Bovendien is er geen enkel tapgesprek waaruit rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte blijkt.

Het oordeel van het hof

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het volgende worden afgeleid.

Op 17 februari 2009 omstreeks 17.55 uur krijgen verbalisanten de melding dat er ter hoogte van de Bijlmerdreef een schietpartij heeft plaatsgevonden. Hierbij zouden vier personen op de inzittenden van een zwarte (het hof begrijpt, gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] [dossierpagina]: donkerblauwe) Volkswagen Golf hebben geschoten.1 Wanneer verbalisanten zich omstreeks 18.20 uur naar het Academisch Medisch Centrum (hierna: "AMC") begeven, zien zij ter hoogte van de eerste hulp een donkergekleurde Volkswagen Golf staan. Verbalisanten constateren dat dit voertuig is beschoten: er zitten ongeveer drie gaten in de verbrijzelde achterruit. Voorts blijkt uit onderzoek dat beide ruiten aan de voorzijde van het voertuig eruit liggen, dat in de carrosserie van de auto diverse gaten zitten, dat er gaten in het dak zitten en dat zich in het voertuig glasresten bevinden die vermoedelijk van de zijruiten afkomstig zijn. De portier van het AMC verklaart desgevraagd dat hij heeft gezien dat twee inzittenden van de auto het ziekenhuis zijn binnengegaan.2 Dit blijken te zijn de broers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (hierna ook te noemen: de "slachtoffers" of "aangevers").3 In het ziekenhuis spreken verbalisanten met de moeder, oom en neef van de slachtoffers. Zij vertellen de verbalisanten dat de slachtoffers hen hebben verteld dat zij in hun auto zijn beschoten. 4 Ook verklaart de vriendin van de aangever [slachtoffer 1], [getuige 1], aan verbalisanten dat zij van [slachtoffer 1] heeft gehoord dat één van de schutters mogelijk [medeverdachte 1] was.

Op 20 februari 2009 spreken verbalisanten met de getuige [getuige 4]. Hij verklaart te hebben gezien dat vier jonge mannen ter hoogte van de Bijlmerdreef uit een auto sprongen en dat zeker drie van hen op de inzittenden van een zwarte Volkswagen Golf - die ter hoogte van de parallelweg met de Bijlmerdreef stil stond - schoten losten. De vier mannen liepen vervolgens weer gehaast terug naar hun voertuig en reden met grote snelheid weg.6 Ook de getuige [getuige 5] verklaart dat hij hoorde dat er werd geschoten. Vervolgens heeft hij gezien dat vier negroïde mannen in een auto met hoge snelheid wegreden.7

De technische recherche heeft onderzoek gedaan naar de Volkwagen Golf en heeft meerdere schietgaten in de auto geconstateerd. Daarnaast heeft de technische recherche verschillende hulzen, volmantel projectielen en looddelen veiliggesteld. Op grond van het onderzoek door de technische recherche kan worden vastgesteld dat er minimaal 23 keer is geschoten.8 Op grond van het NFI rapport van 2 april 20099 kan worden vastgesteld dat er gebruik is gemaakt van vier vuurwapens, waaronder één revolver. De pistolen hebben een kaliber van 9mm. Op grond van de schietlijnen kan geconcludeerd worden dat er gericht is geschoten op de inzittenden van de auto. Er zijn drie vuurwapens aan de rechterkant van de Volkswagen Golf gehanteerd, terwijl er met de revolver op de achterkant van de auto is geschoten.10 Tot slot kan worden vastgesteld dat één pistool van het merk Glock of Smith en Wesson is.11

Op 26 februari 2009 wordt [medeverdachte 1]aangehouden op verdenking van verboden wapenbezit. Tijdens zijn aanhouding blijkt hij een vuurwapen en negen patronen voorhanden te hebben.12 Uit het wapenonderzoek blijkt dat het hier gaat om een Glock en negen volmantelpatronen.13 Op het wapen worden biologische sporen van [medeverdachte 1] aangetroffen.14 Voorts blijkt uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut dat de drie hulzen [nummers], die naar aanleiding van de schietpartij op 17 februari 2009 ter hoogte van de Bijlmerdreef in beslag zijn genomen, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het vuurwapen dat onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen.15

Bij deze schietpartij waren in elk geval betrokken [medeverdachte 1],[medeverdachte 2] en[medeverdachte 3].16

Zij zaten in een Cadillac. Zij hebben de Golf waarin de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten klemgereden,17 zij zijn uitgestapt en hebben alle drie meermalen op de Volkswagen Golf geschoten. [medeverdachte 2] was de bestuurder en heeft gezien dat in de Volkswagen Golf de broers [slachtoffers]zaten.19 [medeverdachte 3] zat achterin de Cadillac en [medeverdachte 1] voorin op de passagiersstoel. [medeverdachte 1] heeft met de Glock waarmee hij op 26 februari 2009 was aangehouden, geschoten. [medeverdachte 3] heeft met een revolver geschoten.20

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat zij op 17 februari 2009 door vier personen zijn beschoten en zij hebben zowel de medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] als verdachte herkend en aangewezen als de schutters.21

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Het hof overweegt ten aanzien van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [slachtoffers] naar voren is gebracht, het volgende.

Totstandkoming en inhoud van de verklaringen.

Uit het dossier is gebleken dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich kort na de schietpartij tegenover hun familieleden hebben uitgelaten over de betrokkenheid van [medeverdachte 1]en zijn crew bij de schietpartij op 17 februari 2009 en over het mogelijke motief daarvoor, althans zo is in ieder geval kort na het schietincident door deze familieleden verklaard.22

Tegenover de politie aanvankelijk23 en tijdens het eerste verhoor als getuigen bij de rechter-commissaris zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terughoudend. Tijdens de aanhoudende verhoren verklaren zij niet te weten wie er op hen geschoten heeft.24 Uit verschillende getapte telefoongesprekken, waaraan de slachtoffers zelf ook deelnemen, blijkt echter dat zij wel degelijk van de identiteit van de schutters op de hoogte zijn.25

Zo spreken zowel [slachtoffer 2]als [slachtoffer 1] over vier personen die hebben geschoten en dat "die met dat lange rasta haar en die groene auto er ook bij was".26

Als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar aanleiding hiervan opnieuw worden gehoord en met de afgeluisterde gesprekken worden geconfronteerd, erkennen zij de schutters wel herkend te hebben, doch willen geen namen noemen.27 Dit was reden voor de officier van justitie aan de rechter-commissaris te verzoeken [slachtoffer 1] te gijzelen28, welk verzoek door de rechter-commissaris bij het verhoor van 6 november 2009 is toegewezen.29

Bij de rechter-commissaris heeft aangever [slachtoffer 1] vervolgens op 6 november 200930 in aanwezigheid van de verdediging op vier foto's de mannen herkend die op 17 februari 2009 op hem en zijn broer hebben geschoten. Hij kende deze mannen van de straat en wist dat een van hen "[bijnaam verdachte]" werd genoemd. Dat betrof de foto van de verdachte en de overige foto's betroffen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie op 6 november 2009 een verzoek tot gijzeling gedaan. Daarop heeft de getuige aangegeven wel aan een fosloconfrontatie te willen meewerken, welke op 12 november 2009 bij de politie heeft plaatsgevonden31 Daarover is hij op 26 januari 2010 bij de rechter-commissaris gehoord.32 Hij heeft toen zijn verklaring en zijn herkenningen bevestigd dat er 4 mannen uit de Cadillac bij het schietincident betrokken waren. Op de foto's had hij de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] herkend. Van zijn broer heeft hij gehoord dat de man met het lange rastahaar op foto [dossierpagina](zijnde de foto van de verdachte) "[bijnaam verdachte]" werd genoemd.

Met betrekking tot de getoonde foto's overweegt het hof dat deze confrontatie geen bewijsconfrontatie betreft. [slachtoffer 1] heeft eerder verklaard dat hij alle schutters van de straat kent en dat hij één van de schutters van naam kent. Dit brengt mee dat deze fotoconfrontatie niet als een op zichzelf staand bewijsmiddel, doch uitsluitend in samenhang met de door de aangever afgelegde verklaringen voor het bewijs wordt gebruikt.

Het hof is, anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ongeoorloofde druk, noch door de kortstondige en op de wet gebaseerde gijzeling van [slachtoffer 1], noch door de dreiging daarmee ten aanzien van [slachtoffer 2] noch anderszins. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het feit dat de [slachtoffers] pas negen maanden na de schietpartij de identiteit van de daders hebben prijsgegeven, niet onbegrijpelijk is. Daarbij kunnen een rol hebben gespeeld, zoals blijkt uit de verklaringen bij de rechter-commissaris op 6 november 200933 van [slachtoffer 1] (blz. 4: "Ik moet ook aan mijn eigen veiligheid denken.") en [slachtoffer 2] (blz. 8: "Ik vrees voor mijn veiligheid"), angst voor eventuele wraakacties van de zijde van de verdachten en/of de wens niet als verklikkers (blz. 3: "Ik weet wie de schutters zijn, maar ik ga het U niet zeggen, want het is niet mijn probleem. Ik ga geen namen noemen.") gezien te worden, waarbij niet onaannemelijk is dat het feit dat er uiteindelijk slechts relatief gering fysiek letsel is opgelopen daarbij heeft meegewogen. [slachtoffer 1] verklaarde immers tegenover de rechter-commissaris op 25 januari 2010 op een vraag hierover van een van de raadslieden: "ik wilde er geen gedoe over hebben."34

Ter terechtzitting in hoger beroep is [slachtoffer 1] als getuige geconfronteerd met zowel de verdachte als met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Hij is door zowel de verdediging als het hof indringend ondervraagd en is door de voormalig medeverdachten verbaal aangevallen in die zin dat hem werd verweten dat hij aan het liegen was. Desondanks is hij gebleven bij zijn verklaring dat er vier schutters waren, dat de verdachte daar één van was en dat de verdachte degene was met het lange rastahaar die is begonnen met schieten. Ter terechtzitting geconfronteerd met de ontkenning van de verdachte [verdachte] heeft [slachtoffer 1] gezegd: "[verdachte] weet zelf heel goed waar hij op 17 februari 2009 was."

Het hof acht het voorts van belang dat de verklaringen van aangevers voor het overige, zoals de plaats van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de auto en de plaats van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tijdens het schieten, overeenkomen met de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en bovendien ondersteund worden door de resultaten van het technisch onderzoek. De [slachtoffers] hebben, toen zij eenmaal de identiteit van de schutters hadden prijsgegeven, steeds consequent verklaard dat het [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte] waren. Hun verklaring was het meest duidelijk ten aanzien van de verdachte [verdachte]; de [slachtoffers] hebben hem bij naam genoemd ([bijnaam verdachte]) en hebben gezegd dat hij de eerste was die uit de auto stapte en begon te schieten. Drie van de vier door de aangevers opgegeven personen, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], hebben inmiddels bekend dat zij verantwoordelijk zijn voor de schietpartij.35 Hun verklaring komt in grote lijnen overeen met de verklaringen van de aangevers. Deze verklaringen wijken slechts af met betrekking tot de rol van [medeverdachte 2], waar hij stond tijdens het schieten en hoeveel wapens hij heeft gebruikt, en met betrekking tot de aanwezigheid en de rol van de verdachte [verdachte]. Het hof acht het onaannemelijk dat de [slachtoffers] wel de waarheid hebben gesproken over de drie voormalig medeverdachten, maar niet over de verdachte [verdachte].

Het hof overweegt daarbij dat door de verdediging of de voormalig medeverdachten geen enkel mogelijk motief is gegeven waarom de broers [slachtoffers] de verdachte [verdachte] 'erbij zouden willen lappen' (vraag van het hof aan zowel de verdachte als de voormalig medeverdachten ter zitting van 26 oktober 2011) . Van een dergelijk motief is het hof ook niets gebleken uit het dossier. Het hof acht deze mogelijkheid dan ook niet aannemelijk.

Gelet op al het bovenstaande ziet het hof in de wijze van de totstandkoming van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen aanleiding deze verklaringen van het bewijs uit te sluiten omdat zij onder druk zouden zijn afgelegd en onbetrouwbaar zouden zijn.

Het hof onderkent dat de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op een aantal onderdelen onderling verschillend verklaren. Naar het oordeel van het hof zijn deze verschillen van ondergeschikte aard. De schietpartij heeft inmiddels meer dan twee en half jaar geleden plaatsgevonden en de slachtoffers zijn hier intussen vele malen over gehoord. Het hof acht het niet onbegrijpelijk dat zij zich niet alle details precies meer kunnen herinneren.

Dat betekent dat het hof de getuigenverklaringen van aangevers voor het bewijs zal gebruiken ook ten aanzien van door de verdediging naar voren gebrachte aspecten zoals het aantal schutters en de vraag of de verdachte daar deel van uitmaakte.36

Die verklaringen vinden ook steun in overige bewijsmiddelen.

Ook onafhankelijke getuigen spreken over vier personen.37 Drie van de vier getuigen die over drie personen spreken zeggen dat er wel een vierde persoon bij geweest moet zijn, aangezien geen van de drie personen aan de bestuurderskant van de auto instapte en de auto direct nadat alle drie de personen waren ingestapt wegreed.38

De verklaring van [slachtoffer 1] over waar de schutters hebben gestaan tijdens het schieten, te weten de man met het lange rastahaar rechts voor bij de auto, een andere man met rastahaar achter de auto, een man met kort zwart haar ter hoogte van het rechter achterportier van de auto en een andere man met kort zwart haar rechts voor de auto, aan de kant waar [slachtoffer 2] zat,39 komt overeen met de schietlijnen zoals vastgelegd in het technisch onderzoek.40

Voorts neemt het hof nog in aanmerking dat al direct na het schietincident in de verschillende tapgesprekken signalen zijn gegeven dat de verdachte met de voormalig medeverdachten bij de schietpartij betrokken is. Zo spreken zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] over vier personen die hebben geschoten en dat "die met dat lange rasta haar en die groene auto er ook bij was".41 Met deze gesprekken ter terechtzitting in hoger beroep in aanwezigheid van de verdachte geconfronteerd, heeft [slachtoffer 1] bevestigd dat hij met "die met dat lange rastahaar en die groene auto" de ter zitting aanwezige verdachte [verdachte] heeft bedoeld. De verdachte heeft, zoals hij ook zelf verklaart ter zitting van het hof van 26 oktober 2011, lang rastahaar tot op zijn middel en heeft wel gebruik gemaakt van een groene auto.

Tevens heeft de verdachte bevestigd dat hij [bijnaam verdachte] wordt genoemd.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de verklaringen van de voormalig medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], op het onderdeel dat de verdachte niet bij de schietpartij aanwezig was, niet geloofwaardig.

Met betrekking tot de verklaringen van de getuigen [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 8], afgelegd ter terechtzitting bij het hof op 31 mei 2011, overweegt het hof nog het volgende. De verklaring van de vriendin van verdachte, [getuige 6], houdt in dat zij rond kwart voor zeven 's avonds thuiskwam. Aangezien de schietpartij zich rond zes uur 's avonds heeft voorgedaan, acht het hof haar verklaring in het geheel niet van belang. De verklaring van de getuigen [getuige 7] en [getuige 8] acht het hof niet geloofwaardig. Pas in hoger beroep is door de verdediging verzocht om deze getuigen te horen. De verklaring van de verdachte (ter terechtzitting van het hof van 31 mei en 26 oktober 2011) dat hij zijn partner en schoonzussen niet bij zijn strafzaak wilde betrekken, dan wel bang was dat hen hetzelfde zou overkomen als de broers [slachtoffers], te weten gijzeling, acht het hof onvoldoende. De verdachte werd bijgestaan door een raadsvrouw. Gijzeling is mogelijk indien een getuige weigert een verklaring af te leggen. De vriendin en de schoonzusjes van de verdachten wilden juist wel een verklaring afleggen in het voordeel van de verdachte. Voorts overweegt het hof dat deze verklaringen lijnrecht tegenover de verklaringen van de aangevers staan en niet stroken met de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, zoals hiervoor weergegeven. Voor deze verklaringen is geen steun te vinden in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op 17 februari 2009 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg de auto, waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, hebben klemgereden en vervolgens met vuurwapens op die auto en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geschoten.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte en zijn mededaders, voorzien van meerdere vuurwapens, hebben op de openbare weg vanaf korte afstand met vier vuurwapens het vuur geopend op de auto van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De auto is doorzeefd met kogels. Het mag een wonder heten dat beide slachtoffers deze hevige beschieting hebben overleefd. Dit alles vond, zoals gezegd, plaats op de openbare weg en meerdere personen zijn hiervan getuige geweest. Het openen van het vuur op de slachtoffers rond zes uur 's avonds op de openbare weg getuigt van een grote brutaliteit en kan niet anders worden uitgelegd dan dat de daders erop uit waren een kennelijk aanwezig conflict met vuurwapens te beslechten. Deze praktijk dient met kracht te worden bestreden. De slachtoffers hebben voor hun leven gevreesd. Dat zij niet zijn gedood en dat geen omstanders zijn getroffen is niet aan de verdachte en zijn mededaders te danken.

De slachtoffers is door deze schietpartij angst toe gebracht. [slachtoffer 2] schrijft in zijn schriftelijke slachtofferverklaring van 24 mei 2011 in deze zaak: "Ik ben maanden bang geweest voor wraak van de schutters. Ik weet dat zij vast zaten, maar ik was bang dat er anderen op mij zouden worden afgestuurd. Ik heb angst voor wraak doordat ik naar de politie ben gegaan. En daarna de gang naar justitie. Ja ik ben echt bang voor wraak, Ik wil de verdachte nooit meer zien. Het doodsbedreigende misdrijf komt altijd weer terug in mijn gedachten."

De verdachte is bruut en zonder respect voor het menselijk leven te werk gegaan en heeft geen blijk gegeven de verantwoordelijkheid te nemen voor het door hem gepleegde feit. Een dergelijke schietpartij brengt voorts niet alleen grote schade toe aan het imago van Amsterdam en het stadsdeel Zuidoost in het bijzonder, maar draagt voorts bij aan het algemene gevoel van angst van de bewoners van het betreffende stadsdeel en anderen. Het kan de verdachte worden aangerekend dat hij aan deze negatieve beeldvorming en gevoelens van onveiligheid heeft bijgedragen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 oktober 2011 is de verdachte eerder ter zake van geweldsmisdrijven veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

cd-rom van de [inhoud CD-rom]

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben mr. T.A.C. van Hartingsveldt, en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 november 2011.