Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0909

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
200.083.472-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Staat artikel 282a lid 3 Rv eraan in de weg dat geïntimeerde in het kader van de mondelinge behandeling alsnog verweer voert en stukken overlegt? Wijziging van de onderhoudsbijdrage; beoordeling van de draagkracht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 282a, geldigheid: 2011-11-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 8 november 2011 in de zaak met zaaknummer 200.083.472/01 van:

1. […],

2. […],

beiden wonende te […],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. R.H. Wormhoudt te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. C.J. Gebuijs te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellanten sub 1 en 2 en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw, [de dochter] en de man genoemd.

1.2. Appellanten zijn op 7 maart 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 december 2010 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 451531 / FA RK 10-1298 (TG LB).

1.3. De man heeft op 24 augustus 2011 nadere stukken ingediend.

1.4. Appellanten hebben op 26 augustus 2011 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 5 september 2011 ter terechtzitting behandeld, alwaar is verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat. Appellanten zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen, maar wel hun advocaat.

2. De feiten

2.1. De vrouw en de man zijn [in] 1988 gehuwd. Hun huwelijk is op 8 mei 1996 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 april 1996 in de registers van de burgerlijke stand. [de dochter] is [in] 1992 uit hun huwelijk geboren.

2.2. Bij de echtscheidingsbeschikking van 10 april 1996 is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] bepaald van ƒ 350,- per maand. Deze bijdrage bedroeg met ingang van 1 januari 2010 € 221,98 per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1965. Hij is alleenstaand.

Hij is vanaf 15 januari 1992 tot en met 26 mei 2009 fulltime werkzaam geweest in loondienst van [bedrijf A].

Hij is tot 1 mei 2010 werkzaam geweest in loondienst van […] (hierna: [bedrijf B]) voor 20 uur per week. Blijkens de jaaropgave van [bedrijf B] over 2010 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 6.710,-. Zijn dienstverband met [bedrijf B] is per 1 mei 2010 overgenomen door […] (hierna: [bedrijf C]). Blijkens de jaaropgave van [bedrijf C] over 2010 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 11.309,-. Zijn dienstverband met [bedrijf C] is vanaf 1 januari 2011 overgenomen door […] (hierna: [bedrijf D]). Reeds over 2010 heeft hij bij [bedrijf D] een fiscaal loon van € 198,- gegenereerd.

Hij is vanaf 2 november 2009 daarnaast werkzaam in loondienst van […] (hierna: [bedrijf E]) voor 30 uur per week. Blijkens de jaaropgave over 2010 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 10.979,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem bewoonde woning betaalt hij € 1.467,- per maand aan rente en aflossing. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 52,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. Hij betaalt een erfpachtcanon van € 380,- per half jaar. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 311.500,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 106,- per maand.

Hij heeft een schuld aan ABN Amro in verband met een flexibel krediet, van € 15.962,- op 21 juli 2011. Hij betaalt hierop € 262,- per maand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is de beschikking van 10 april 1996 in zoverre gewijzigd dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de dochter] met ingang van 16 maart 2010 op nihil is gesteld en is voorts bepaald dat aan de betalingsverplichting die voortvloeit uit de beschikking van 10 april 1996 is voldaan met hetgeen tot heden in feite is betaald.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man de bijdrage met ingang van 1 juni 2009 op nihil te stellen, althans deze te bepalen op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist zou achten.

3.2. Appellanten verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de man alsnog af te wijzen (naar het hof begrijpt over de periode vanaf 16 maart 2010), althans hem in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans te bepalen dat hij een zodanige bijdrage levert in de kosten van levensonderhoud en studie van [de dochter] als het hof juist zal achten.

3.3. De man heeft ter zitting in hoger beroep verzocht appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek in hoger beroep dan wel hun verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Ontvankelijkheid

[de dochter] is met ingang van 6 februari 2010 meerderjarig. De vrouw heeft met ingang van die datum haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger verloren. Voor zover haar hoger beroep is gericht tegen de nihilstelling met ingang 16 maart 2010 kan de vrouw niet in haar hoger beroep worden ontvangen. Voor zover het hoger beroep van de vrouw is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat aan de betalingsverplichting die voortvloeit uit de beschikking van 10 april 1996 is voldaan met hetgeen tot heden in feite is betaald (en dit beroep in zoverre de periode voor 6 februari 2010 zou betreffen) mist de vrouw belang bij haar hoger beroep. De rechtbank heeft deze beslissing op pagina 3 van de bestreden beschikking, onder het kopje ‘Ingangsdatum’ als volgt gemotiveerd: “Voor zover door de man vanaf 16 maart 2010 tot heden meer is betaald of op hem is verhaald bepaalt de rechtbank de bijdrage over die periode op dat meerdere. Omdat de bijdrage ten behoeve van het levensonderhoud en studie door de dochter is verbruikt, kan van de dochter in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.” In het licht van deze overweging legt het hof de betreffende beslissing aldus uit dat de rechtbank niet heeft beoogd wijziging te brengen in de betalingsverplichtingen van de man uit hoofde van de beschikking van 10 april 1996 vóór de ingangsdatum van de wijziging, 16 maart 2010. De vrouw kan derhalve niet worden ontvangen in haar hoger beroep.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1. De man heeft een verweerschrift ingediend, maar dit is door het hof met toepassing van artikel 282a lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) teruggezonden omdat hij het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft betaald, zodat het geen deel is gaan uitmaken van het dossier. [de dochter] heeft als preliminair verweer gevoerd dat artikel 282a lid 3 Rv eraan in de weg staat dat de man in het kader van de mondelinge behandeling alsnog verweer voert en stukken overlegt. Dit verweer wordt verworpen. Het recht van de man op toegang tot de rechter en op een eerlijke behandeling van zijn zaak brengt mee dat hij ook in geval artikel 282a lid 3 Rv wordt toegepast, verweer kan voeren bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van zijn zaak, dat hij op de voet van artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftenprocedures familiezaken gerechtshoven nadere stukken kan indienen die betrekking hebben op zijn financiële situatie en dat hij op de voet van artikel 1.4.4 van dat procesreglement pleitnotities kan overleggen.

5.2. Het hoger beroep betreft de vraag of de man ook met ingang van 16 maart 2010 nog dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [de dochter] – en zo ja – tot welk bedrag.

5.3. De behoefte van [de dochter] aan de bij de echtscheidingsbeschikking bepaalde onderhoudsbijdrage wordt niet betwist en staat derhalve vast.

5.4. [de dochter] stelt dat bij het bepalen van de draagkracht van de man tot het betalen van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie, rekening dient te worden gehouden met het (hogere) salaris dat hij bij [bedrijf A] waar hij tot en met mei 2009 werkzaam was, heeft verdiend. Volgens [de dochter] moet de man in staat worden geacht opnieuw inkomsten uit arbeid te genereren ter grootte van dat salaris, door middel waarvan hij een hoger inkomen uit arbeid had dan hij thans heeft.

Het hof volgt de stelling van [de dochter] evenwel niet. Het hof is van oordeel dat de man aan de op hem rustende inspanningsverplichting heeft voldaan door na zijn ontslag bij [bedrijf A] zich opnieuw een vergelijkbaar inkomen te verwerven. De man heeft in het tijdvak vanaf 16 maart 2010 twee dienstverbanden en werkt in totaal ruim 50 uur per week. Niet kan worden volgehouden dat de man aldus op verwijtbare wijze verdiencapaciteit onbenut heeft gelaten. Nu de man aldus van zijn inkomensvermindering geen verwijt kan worden gemaakt, zal zijn draagkracht worden berekend met inachtneming van zijn huidige inkomen. Dit inkomen zal worden bepaald aan de hand van zijn jaaropgaven over 2010.

5.5. Daarnaast gaat het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man uit – naast de hierboven onder 2.3 vermelde feiten – van het volgende.

De man heeft als lasten opgevoerd: advocaatkosten, een schuld aan ABN Amro in verband met een flexibel krediet en een schuld aan de Belastingdienst in verband met in 2010 ten onrechte ontvangen vooraftrek. Het hof zal met geen van deze lasten rekening houden, nu deze volgens de thans geldende normen geen noodzakelijke last vormen die ten opzichte van [de dochter] als een redelijke uitgave kunnen worden beschouwd. Wel zal rekening worden gehouden met zijn woonlasten. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de man de woning al in 2002 heeft gekocht, en dat destijds niet te voorzien was dat zijn inkomen aanmerkelijk zou dalen. Van hem kan niet worden gevergd deze woning te verkopen.

Van de aanwezige draagkracht acht het hof volgens de thans gebruikelijke normen 70% beschikbaar voor een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de dochter].

5.6. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is de man niet in staat een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de dochter] te betalen.

5.7. De nihilstelling van de onderhoudsbijdrage dient te geschieden met ingang van 16 maart 2010, zijnde de datum van indiening van het inleidend verzoek van de man. Op dat tijdstip bestonden immers de omstandigheden die grond voor de nihilstelling hebben opgeleverd. Daar komt bij dat [de dochter] vanaf dat tijdstip rekening ermee kon houden dat de bijdrage zou worden verminderd. Voor zover door de man vanaf 16 maart 2010 tot heden enige bijdrage ten behoeve van [de dochter] is betaald en/of op hem is verhaald, kan in redelijkheid niet van haar worden gevergd dat zij dit terugbetaalt.

5.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. Beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, W.J. van den Bergh en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2011.