Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0797

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
200.087.991
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijs van de stelling dat de vrouw heeft ingestemd met stopzetting betaling partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.087.991

(zaaknummer rechtbank 298623 / FA RK 10-7823)

beschikking van de familiekamer van 20 december 2011

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. M. van Riet-Holst te Utrecht.

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. E.M. Hetterscheidt te Utrecht.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 20 april 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 mei 2011, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, behoudens voor zover daarin door de rechtbank is bepaald dat zijn onderhoudsbijdrage jegens de vrouw op nihil is gesteld met ingang van 1 januari 2011, en opnieuw beschikkende de man alsnog in zijn oorspronkelijk verzoek ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw op nihil wordt gesteld met ingang van 1 december 2006 dan wel 1 januari 2007.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 juli 2011, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof om de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door de man verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 Ter griffie van het hof is binnengekomen op 28 oktober 2011 een brief van mr. Van Riet-Holst van 27 oktober 2011 met bijlagen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 8 november 2011 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 31 mei 1996 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 1 augustus 2001 heeft de rechtbank Utrecht echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 27 september 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1992 en

- [kind 2], op [geboortedatum] 1997,

partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind 2].

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de regeling zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan die beschikking gehechte en door de rechtbank gewaarmerkte en door partijen op 9 juli 2001 ondertekende convenant deel uitmaakt van die beschikking.

In voormeld convenant zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

“Artikel 5 Partneralimentatie

1. De man zal met ingang van 1 oktober 2001 maandelijks bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand aan de vrouw voldoen een bedrag van f 500,00 bruto, als bijdrage in haar levensonderhoud.

2. Deze alimentatie is te beginnen met ingang van 1 januari 2002 onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW.

3. Partijen zullen de rechter verzoeken de overeengekomen alimentatie bij beschikking – voor zover mogelijk – vast te leggen. Ingeval van verschil tussen de beschikking en de tekst van dit convenant, prevaleert het convenant.

Artikel 6 Inkomsten vrouw

1. Indien de vrouw inkomsten uit arbeid en/of vermogen geniet, geldt het navolgende:

* Eigen inkomsten tot een bedrag van f 2.000,00 bruto per maand (exclusief eventueel

vakantiegeld) vormen geen grond voor vermindering van de alimentatie.

* Eigen inkomsten, voor zoveel deze f 2.000,00 bruto per maand (exclusief eventueel

vakantiegeld) te boven gaan, komen voor 50% in mindering op de alimentatie.

2. De vrouw zal de hoogte van haar inkomsten aantonen door overlegging van bewijsstukken aan de man, zoals een recente werkgeversverklaring c.q. jaaropgave.

3. Het bedrag van f 2.000,00 bruto per maand wordt jaarlijks verhoogd met hetzelfde percentage als vermeld in artikel 5 lid 2. (enz)”

De hiervoor overeengekomen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 287,68 per maand.

3.4 Bij verzoekschrift, gedateerd 16 december 2010, heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2001 en daarmee het convenant te wijzigen in die zin dat de daarin bepaalde onderhoudsbijdrage van de man jegens de vrouw op nihil wordt gesteld met ingang van 1 december 2006, althans met ingang van 1 januari 2007, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure. Bij brief van 11 maart 2011 heeft de man zijn verzoekschrift tot wijziging aangevuld in die zin dat naast zijn standpunt dat de vrouw geen behoefte aan alimentatie heeft c.q. afspraken daarover gemaakt zijn, aan zijn zijde wijzigingen van omstandigheden hebben plaatsgevonden op grond waarvan zijn draagkracht ontoereikend is. De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.5 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 1 augustus 2001 en het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant met ingang van 1 januari 2011 gewijzigd en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2011 op nihil vastgesteld, het meer of anders verzochte afgewezen en de beschikking van 1 augustus 2001 en het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant voor het overige gehandhaafd.

Ten aanzien van de man

3.6 De man, geboren op [geboortedatum] 1965, is gehuwd met [A.] (verder te noemen “[A.]”), die in haar eigen levensonderhoud voorziet. Uit het huwelijk van de man en [A.] zijn geboren op [geboortedatum] 2008 [kind 3] en op [geboortedatum] 2010 [kind 4]. De man vormt samen met [A.] en [kind 3] en [kind 4] een gezin.

Blijkens de aangiften inkomsten belasting over de jaren 2007 tot en met 2009 bedroeg het belastbare loon van de man in 2007 € 37.061,-, in 2008 € 40.892,- en in 2009 € 43.926,-. Het belastbare loon van de man bedraagt volgens de jaaropgaven 2010 in dat jaar € 38.919,-.

3.7 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 700,38 aan 50% van de hypotheekrente;

- € 96,50 aan 50% van de premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 47,50 aan 50% van de overige eigenaarslasten;

- € 132,25 aan ziektekosten in 2010:

- € 162,08 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,

- € 14,17 eigen risico, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 44,-;

- € 309,38 aan bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen;

Het aandeel van de man in het eigenwoningforfait van de woning van de man en [A.] bedraagt € 794,50 per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.8 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1966, vormt met de kinderen van partijen een gezin. Zij heeft een WWB-uitkering ontvangen. Deze uitkering is in 2006 ingetrokken.

De vrouw exploiteert met ingang van 1 januari 2007 de eenmanszaak [...]. In deze zaak verricht de vrouw werkzaamheden als kapster en nagelstyliste .

Blijkens de resultatenrekening van de eenmanszaak bedroeg het verlies in 2007 € 2.148,61 en de winst in 2008 en 2009 respectievelijk € 419,67 en € 4.606,-. In de voorlopige aanslag 2009 heeft de belastingdienst het verzamelinkomen van de vrouw vastgesteld op € 4.705,-.

4. De motivering van de beslissing

4.1 In geschil is de door de man verzochte nihilstelling van zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 december 2006 dan wel 1 januari 2007 tot 1 januari 2011.

4.2 De man stelt dat de vrouw ermee heeft ingestemd dat hij met ingang van 1 januari 2007 geen bijdrage meer betaalt in haar levensonderhoud en voert daartoe het volgende aan. Bij brief van 29 november 2006 heeft de gemeente [woonplaats] aan de man het volgende geschreven:

"Voor mevrouw [verweerster], alsmede voor uw minderjarige kinderen [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1992 en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1997, die een uitkering volgens de WWB voor de kosten van levensonderhoud van de gemeente [woonplaats] ontvangt bent u wettelijk onderhoudsplichtig. Hierbij deel ik u mede dat uw onderhoudsplicht in het kader van de WWB/Abw voor bovengenoemde is geëindigd, omdat de bijstandsverlening is beëindigd."

De man heeft direct na ontvangst van deze brief telefonisch contact met de vrouw opgenomen en haar meegedeeld, dat hij stopt met de betaling van een onderhoudsbijdrage voor haar met ingang van 1 januari 2007, omdat de alimentatie voor de maand december 2006 al was betaald. Ter bevestiging heeft de man een e-mail met als bijlage de gescande brief van de gemeente, aan de dochter van partijen verzonden. Hij beschikte niet over een mailadres van de vrouw. De man heeft vervolgens vanaf 1 januari 2007 geen onderhoudsbijdrage voor de vrouw meer betaald. Tot de brief van de advocaat van de vrouw van 18 augustus 2010 heeft de vrouw hiertegen niet geprotesteerd. Partijen hebben elkaar in de periode van 1 januari 2007 tot 18 augustus 2010 frequent getroffen onder andere op verjaardagen van de ouders van de man en op de camping. Bij die gelegenheden is telkens luid en duidelijk aan de orde geweest dat de man niet meer betaalde voor de vrouw en dat de vrouw sinds 2001 samenwoonde met [B.]. Tijdens deze ontmoetingen is volgens de man door de vrouw nooit om alimentatie verzocht of anderszins aan de orde gesteld dat de man in gebreke was met de betaling van een bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw.

In hoger beroep heeft de man ter onderbouwing van voormelde stellingen een verklaring van zijn ouders en [A.] overgelegd. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog aangevoerd dat het opmerkelijk is dat de vrouw, nadat bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juni 2010 is bepaald dat de vrouw € 17.919,24 aan bijstand moet terugbetalen, hem bij brief van 18 augustus 2010 heeft aangesproken tot betaling van de partneralimentatie vanaf 1 januari 2007.

4.3 De vrouw betwist de stelling van de man dat zij ermee heeft ingestemd dat de man met ingang van 1 januari 2007 geen bijdrage meer betaalt in haar levensonderhoud

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw erkend dat de man haar telefonisch op de hoogte heeft gesteld van de brief van de gemeente en dat zij een kopie van die brief van de man heeft ontvangen. Zij heeft de man tijdens het telefoongesprek wel laten weten dat zij zich niet kon voorstellen dat de man zo maar uit het niets geen alimentatie meer hoefde te betalen. Uit navraag van de vrouw bij de gemeentelijke Sociale Dienst bleek haar dat het anders was. De man betaalde normaal aan die dienst en zou nu een deel aan haar moeten gaan betalen. Omdat de vrouw op dat moment bezig was met het starten van een eigen bedrijf via een reïntegratietraject bij de Sociale Dienst heeft zij het achterwege blijven van de partneralimentatie gelaten voor wat het is, maar de man wist dat zij erop zou terugkomen, aldus de vrouw. Ook stelt de vrouw dat zij de man vaak heeft aangesproken op de betaling van partneralimentatie, wanneer hij de kinderen kwam halen voor de uitvoering van de omgangsregeling.

4.4 Naar het oordeel van het hof staat vast dat de man aan de vrouw heeft meegedeeld dat hij gelet op de brief van 29 november 2006 van de gemeente [woonplaats] met ingang van 1 januari 2007 stopt met het betalen van een bijdrage in haar levensonderhoud. Niet is gebleken dat de vrouw met zoveel woorden hiermee heeft ingestemd. Zij heeft de man kennelijk wel laten weten dat zij zich niet kon voorstellen dat hij niet meer hoefde te betalen. Zij heeft naar haar zeggen bij de gemeente geïnformeerd of dat juist was, maar heeft vervolgens tot 18 augustus 2010 geen maatregelen getroffen tot inning van de partneralimentatie die de man haar in haar visie nog verschuldigd was. Naar haar zeggen heeft zij dat onderwerp laten rusten, omdat zij op dat moment bezig was met de start van een eigen bedrijf via het reïntegratieproject bij de sociale dienst en later op de partneralimentatie zou terugkomen. Niet is gebleken dat zij de man daarvan op de hoogte heeft gesteld of dat de man dat anderszins wist. Dat de vrouw gedurende een periode van ruim drieënhalf jaar geen aanspraak maakt op partneralimentatie omdat zij eerst andere zaken wil regelen, terwijl het bij partneralimentatie nu juist gaat om een periodieke bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud waaraan zij gelet op haar eigen stellingen behoefte moet hebben gehad, maakt haar betwisting van de stelling van de man onaannemelijk. Het hof oordeelt dat tegenover de betwisting daarvan door de wederpartij niet is komen vast te staan dat, zoals de man stelt, luid en duidelijk aan de orde is geweest dat hij geen partneralimentatie meer betaalde en dat de vrouw daarmee heeft ingestemd, en ook niet dat de vrouw, zoals zij stelt, de man vaak heeft aangesproken op de betaling van partneralimentatie. Op grond van het voorgaande is het hof wel van oordeel dat de man, op wie de bewijslast van zijn stelling rust, is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat de vrouw ermee heeft ingestemd dat hij met ingang van 1 januari 2007 stopt met het betalen van een bijdrage in haar levensonderhoud, althans dat hij dat uit haar verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mocht afleiden., behoudens tegenbewijs. Het hof zal de vrouw in de gelegenheid stellen tegenbewijs van deze stelling te leveren.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling van de man dat zij heeft ingestemd met een beëindiging van de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2007, althans dat hij dat uit haar verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mocht afleiden;

bepaalt dat, indien de vrouw dat tegenbewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.H. Lieber, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat de vrouw het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven uiterlijk 20 januari 2012, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat de vrouw overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, A.E.F. Hillen en M.E.L. Klein, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is op 20 december 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.