Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0532

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
10/00647
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3328, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding kosten bezwaar. Naheffingsaanslag parkeerbelasting ingetrokken omdat belanghebbende over een parkeervergunning beschikt. Het nalaten van onderzoek hiernaar brengt niet mee dat het herroepen van de naheffingsaanslag is geschied “wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid”.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15, geldigheid: 2011-11-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 140
FutD 2012-0161
Belastingblad 2012/76
V-N Vandaag 2012/141

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P 10/00647

17 november 2011

uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. [A],

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/432 van de rechtbank Amsterdam in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum, de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is met dagtekening 10 september 2009 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 52,40. Met dagtekening 16 december 2009, ingekomen bij de gemeente Hilversum op 21 december 2009, heeft de gemachtigde tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak, gedagtekend 8 januari 2010, de naheffingsaanslag verminderd tot nihil.

Bij uitspraak van 23 augustus 2010 heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 1 oktober 2010, aangevuld bij brief van 28 oktober 2010. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben vervolgens toestemming gegeven om de behandeling van het hoger beroep ter zitting achterwege te laten.

2. Feiten

2.1. Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast:

2.2. Op 10 september 2009 stond de auto van belanghebbende met kenteken 12-[AA-BB] geparkeerd op de [A-weg] te Hilversum. Bij controle heeft de parkeercontroleur geen geldig parkeerbewijs in de auto aangetroffen. Ter zake van dat feit is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende, ten bedrage van € 52,40.

2.3. Belanghebbende beschikt over een parkeervergunning om met deze auto op de [A-weg] te Hilversum te parkeren. Nadat zij dit (in haar bezwaarschrift) ter kennis van de heffingsambtenaar had gebracht, heeft deze de naheffingsaanslag ingetrokken.

3. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of belanghebbende aanspraak kan maken op vergoeding van de door haar in het kader van de bezwaarprocedure gemaakte kosten.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en hierbij het volgende overwogen:

“2. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende en voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3. In het onderhavige geval heeft verweerder de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag ingetrokken op grond van het feit dat eiseres - zoals zij in haar bezwaarschrift aangaf - bleek te beschikken over een parkeervergunning voor het desbetreffende gebied op grond waarvan zij voor het parkeren geen belasting verschuldigd was. Het enkele feit dat een bestuursorgaan na een bezwaarschrift terugkomt op een eerder genomen besluit brengt echter nog niet met zich dat het primaire besluit reeds daarom kan worden aangemerkt als een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Omdat de waarneming van de parkeercontroleur, die heeft vastgesteld dat de vergunning op het moment van het opleggen van de aanslag niet zichtbaar in de auto aanwezig was door eiseres niet met enig onderbouwde stelling is bestreden, gaat de rechtbank van de juistheid van die waarneming uit. Nu artikel 15, eerste lid, van de Parkeerverordening Hilversum 2003 de vergunninghouder verplicht de originele vergunning duidelijk zichtbaar achter de voorruit of achterruit geplaatst te houden en deze voorwaarde door publicatie van de verordening en vermelding van de desbetreffende bepaling op de vergunning ook kenbaar is voor eiseres, was het opleggen van de naheffingsaanslag niet onrechtmatig. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van het Hof te ’s-Gravenhage van 13 november 2009 (BK-09/00044 en LJN:BL3550) leidt niet tot een ander oordeel, nu in het aan die uitspraak ten grondslag liggende geval sprake was van een parkeercontroleur die bekend was met het feit dat de parkeerder over een geldige parkeervergunning beschikte. Dat de parkeercontroleur in het onderhavige geval ook op de hoogte was of kon zijn van de aan eiseres op kenteken verstrekte vergunning is niet aannemelijk geworden. Verweerder heeft ter zitting uitdrukkelijk ontkend dat het in de gemeente Hilversum gebruikte geautomatiseerde systeem waarmee naheffingsaanslagen worden opgelegd dergelijke informatie beschikbaar heeft voor de op straat werkzame parkeercontroleurs, terwijl er ook geen rechtsregel is aan te wijzen die het gebruik van een dergelijk - geavanceerder - systeem aan gemeenten voorschrijft.

4. Gelet op het onder 3 overwogene komt de rechtbank niet toe aan de vraag of het feit dat de door eiseres ingeschakelde rechtshulpverlener haar echtgenoot is aan toekenning van de proceskostenvergoeding in de weg staat.

5. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard”.

5. Beoordeling van het geschil

De ontvankelijkheid van het bezwaar

5.1.1. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een kostenvergoeding op de voet van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen plaats is, omdat geen sprake was van een ontvankelijk bezwaarschrift, en de herroeping van de naheffingsaanslag ambtshalve is geschied.

5.1.2. Tegenover de betwisting door de gemachtigde ter zitting bij de rechtbank heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag op 10 september 2009 is bekendgemaakt door aanbrenging van het aanslagbiljet op of aan de auto als bedoeld in artikel 234, achtste lid, van de Gemeentewet. Gelet op het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb moet het er daarom voor worden gehouden dat de op 10 september 2009 vastgestelde naheffingsaanslag eerst later aan belanghebbende is bekendgemaakt in de zin van artikel 3:41 Awb. Door belanghebbende is gesteld dat die bekendmaking eerst heeft plaatsgevonden door toezending van een naheffingsaanslag met dagtekening 15 december 2009; kennelijk doelt belanghebbende hiermee op een duplicaat van althans herinnering aan de oorspronkelijke (niet bekend gemaakte) naheffingsaanslag. Het Hof acht dit, bij gebreke van betwisting door de heffingsambtenaar, aannemelijk.

Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Hieruit volgt dat – uitgaande van de bekendmaking op 15 december 2009 – het op 21 december 2009 bij de gemeente Hilversum ingekomen bezwaar tijdig is ingediend.

De kosten van het bezwaar

5.2.1. Het Hof onderschrijft hetgeen de rechtbank in de onderdelen 2 en 3 van haar uitspraak heeft overwogen en beslist, evenwel met dien verstande dat blijkens de tekst van artikel 7:15 van de Awb niet beslissend is (zoals de rechtbank overweegt) of het primaire besluit is te wijten aan een onrechtmatigheid van het bestuursorgaan maar of het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Doch ook indien van dit criterium wordt uitgegaan is de rechtbank naar ’s Hofs oordeel tot een juiste beslissing gekomen.

5.2.2. In hoger beroep voert de gemachtigde nog aan dat de heffingsambtenaar, alvorens een duplicaat van de naheffingsaanslag aan belanghebbende toe te zenden, ten kantore van de gemeente het aldaar aanwezige bestand van vergunninghouders had behoren te raadplegen, en dan zou hebben geconstateerd dat belanghebbende over de vereiste parkeervergunning beschikte, waarna de (duplicaat-) naheffingsaanslag niet zou zijn verzonden. Dit doet evenwel niets af aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank. De oorzaak van het opleggen van de naheffingsaanslag ligt immers in het parkeren zonder dat werd voldaan aan de verplichting de vereiste vergunning duidelijk zichtbaar achter de voorruit of achterruit geplaatst te houden. Geen rechtsregel verplichtte de heffingsambtenaar tot nader onderzoek alvorens deze naheffingsaanslag – door toezending van een herinneringsbrief dan wel duplicaat-naheffingsaanslag – aan belanghebbende bekend te maken, en het nalaten van dit onderzoek brengt niet mee dat het herroepen (in de bezwaarfase) van de naheffingsaanslag is geschied “wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid”.

5.3. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat het Hof de uitspraak van de rechtbank zal bevestigen.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. J. den Boer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus, als griffier. De beslissing is op 17 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.