Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0069

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
09/00441 t/m 09/00443
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien en voor zover belanghebbende een verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling heeft gedaan, dan heeft belanghebbende dit uitstelverzoek niet tijdig en/of niet onder opgaaf van gewichtige redenen gedaan. Voorts heeft belanghebbende geen recht op aftrek van scholingsuitgaven in verband met door zijn echtgenote gevolgde cursussen op het gebied van intuïtieve ontwikkeling, reading en healing. Niet aannemelijk is dat de cursussen zijn gevolgd met als doel het verwerven van inkomen uit werk en woning.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:37, geldigheid: 2011-11-17
Algemene wet bestuursrecht 8:38, geldigheid: 2011-11-17
Algemene wet bestuursrecht 8:56, geldigheid: 2011-11-17
Wet inkomstenbelasting 2001 6.27, geldigheid: 2011-11-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/204 met annotatie van vanArnhem
FutD 2012-0078
V-N Vandaag 2012/49
V-N 2012/11.25.11

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken P09/00441 tot en met 09/00443

17 november 2011

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraken in de zaken met kenmerken AWB 08/4094, 08/4095 en 08/4096 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Hilversum, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 14 december 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.371.

1.1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 21 november 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag IB/PVV opgelegd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.630 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 94.

1.1.3. De inspecteur heeft met dagtekening 2 januari 2008 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag IB/PVV opgelegd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.232 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 840.

1.2. Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 3 mei 2008, de aanslag 2003 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.142, de aanslag 2004 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.130, de aanslag 2005 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.307, voor het overige zijn de aanslagen gehandhaafd en is de bij de aanslagen in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.3. De inspecteur heeft de aanslagen 2003 en 2005 op 21 oktober 2008 ambtshalve verminderd tot aanslagen naar belastbare inkomens uit werk en woning van € 58.371 (2003) respectievelijk € 59.151 (2005).

1.4. Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 14 mei 2009, heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen tegen de aanslagen 2003 en 2005 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de jaren 2003 en 2005 vernietigd, de aanslagen 2003 en 2005 zoals deze luiden na de ambtshalve verminderingen van 21 oktober 2008 gehandhaafd en het beroep tegen de aanslag 2004 ongegrond verklaard, met nevenbeslissingen als in de uitspraken van de rechtbank vermeld.

1.5. De tegen deze uitspraken ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 24 juni 2009, aangevuld bij brieven van 15 september 2009. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt in de uitspraak aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Eiser heeft voor de jaren 2003, 2004 en 2005 aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een verzamelinkomen van € 55.035 in 2003, € 55.166 in 2004 en € 57.796 in 2005.

2.2. Verweerder heeft de aangifte 2003 als volgt gecorrigeerd:

Bij: premie particuliere verzekeringen € 1.290

kosten levensonderhoud € 2.600

ziektekosten € 996

scholingsuitgaven € 1.363

giften € 1.087

Verweerder heeft de aangifte 2004 als volgt gecorrigeerd:

Bij: premie particuliere verzekeringen € 1.290

kosten levensonderhoud € 2.640

hypotheekrente € 650

scholingsuitgaven € 978

Verweerder heeft de aangifte 2005 als volgt gecorrigeerd:

Bij: inkomsten sparen en beleggen € 744

kosten levensonderhoud € 2.640

ziektekosten € 1.260

scholingsuitgaven € 532

giften € 100

2.2. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslagen verminderd. Verweerder heeft voor het jaar 2003 alsnog aftrek verleend voor een bedrag van € 3.137 aan ziektekosten en € 92 aan scholingsuitgaven. Voor het jaar 2004 heeft verweerder alsnog een aftrek van € 500 verleend ter zake van rente en kosten eigen woning en voor 2005 is een bedrag van € 335 ter zake van giften en een bedrag van € 2.590 ter zake van ziektekosten meer in aftrek toegelaten. Aldus heeft verweerder het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser gesteld op respectievelijk € 59.142, € 60.130 en € 59.307.

2.3. Nadat in augustus 2008 mediation heeft plaatsgevonden is tussen partijen overeenstemming bereikt over een aantal in aftrek gebrachte posten. Dit heeft geleid tot een op 27 oktober 2008 gedagtekende ambtshalve vermindering van de aanslagen voor de jaren 2003 en 2005 waarbij voor die jaren een extra aftrek van respectievelijk € 771 en € 156 is verleend in verband met ziektekosten. Aldus heeft verweerder het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser voor 2003 en 2005 nader vastgesteld op respectievelijk € 58.371 en € 59.151.”

Het Hof zal eveneens van deze feiten uitgaan waaraan het nog toevoegt:

2.1.2. Tot de gedingstukken behoort een schrijven van 28 maart 2008 van belanghebbende aan de inspecteur. Voor zover van belang is opgenomen:

“Betreft: Inkomstenbelasting 2003, 2004 en 2005

(…)

Ingevolge ons gesprek op uw kantoor te Hilversum, doe ik u de aanvullende gegevens van de desbetreffende belastingjaren toekomen.

(…)

Op de 2e bijlage doe ik u algemene informatie toekomen betreffende:

- Studiekosten (mijn vrouw)

(…)

ALGEMEEN

Studiekosten (mijn vrouw)

Mijn vrouw is met een nieuwe cursus begonnen met als doel:

- Het verkrijgen van inzicht, kennis en vaardigheden, waardoor de cursist op een verantwoorde en effectieve wijze het beroep van healer/reader kan uitoefenen.

De cursus is bedoeld voor afgestudeerde healers en readers van de healing en/of reading opleiding binnen [A] ten behoeve van het lidmaatschap van [B].

Tevens heeft ze een aanvraag gedaan voor Inschrijving bij de Kamer van Koophandel.”

2.1.3. Bij zijn hoger beroepschriften heeft belanghebbende de volgende opstelling als bijlage gevoegd:

“Specificatie studiekosten

Mijn vrouw:

Inkomstenbelasting 2003:

- Cursusgeld [A BV] € 304,00

- Cursusgeld [A BV] € 304,00

- Cursusgeld [A BV] € 320,00

- Cursusgeld [A BV] € 320,00

- Overige kosten € 115,00 € 1.363,00

Inkomstenbelasting 2004:

- Cursusgeld [A BV] € 320,00

- Cursusgeld [A BV] € 320,00

- Cursusgeld [C] € 440,00

- Boeken (gespecificeerd) € 184,00

- Benodigdheden € 149,00

- Overige kosten € 65,00 € 1.478,00

Inkomstenbelasting 2005:

- Cursusgeld [A BV] € 340,00

- Cursusgeld [A BV] € 284,00

- Boeken (gespecificeerd) € 187,00

- Benodigdheden € 135,00

- Overige kosten € 86,00 € 1.032,00

Alle kosten zijn aan de Belastingdienst aangetoond en door de Belastingdienst niet weersproken. Opleidingsinstituut [A BV] en [C] zijn officiële opleidingscentra.”

Voorts heeft belanghebbende bij de hoger beroepschriften, voor zover van belang, het volgende in een bijlage opgenomen:

“Bijlage:

Toelichting op aftrek studiekosten

Mijn vrouw:

(…)

Mijn vrouw geeft collectief cursussen en bijeenkomsten en individuele healing en readings. (tegen kostprijs)

Op deze manier bouwt ze zo een eigen klantenbestand op om zo spoedig mogelijk aan de slag te gaan.

Daar haar inkomsten nog veel te grillig zijn en ik mijn vaste inkomen NIET in gevaar wens te brengen, kan mijn vrouw pas definitief met haar bedrijf starten als ik 65 jaar ben geworden.”

2.1.4. Belanghebbende is geboren op 11 februari 1945.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. In hoger beroep is (nog) in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1. Bij aangetekende brieven met dagtekening 22 augustus 2011 heeft het Hof belanghebbende en de inspecteur uitgenodigd te verschijnen ter zitting van 18 oktober 2011. De griffier heeft de aan belanghebbende gerichte uitnodigingen van TNT-post terugontvangen. Op de envelop van de uitnodigingen is als reden voor het retour zenden aangetekend “niet afgehaald”. Nadat de griffier bleek dat belanghebbende op de dag van verzending stond ingeschreven op het op de uitnodigingen vermelde adres, heeft hij de uitnodigingen bij gewone brieven op 26 september 2011 verzonden.

4.2. Bij brief van 16 oktober 2011, ingekomen bij het Hof op 18 oktober 2011, heeft belanghebbende, voor zover van belang, het volgende geschreven:

“Net thuis gekomen uit het buitenland las ik uw (on)aangetekende brief met bovenvermeld kenmerk. Het is voor mij onmogelijk om op zo’n korte termijn deze zitting bij te kunnen wonen”. Het Hof heeft de mondelinge behandeling van 18 oktober 2011 niet uitgesteld.

4.3. Het Hof merkt het schrijven van belanghebbende van 16 oktober 2011 niet aan als een verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling op 18 oktober 2011. Indien er veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat hierin wel een verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling ligt besloten dan heeft het volgende te gelden.

4.4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 mei 2007, nr. 41429, als volgt geoordeeld:

“De eisen van een goede rechtspleging brengen mee dat in geval een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich op de behandeling kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, de rechter dat verzoek inwilligt tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient in zijn uitspraak met redenen te worden omkleed.”

4.5.1. Belanghebbende schrijft dat hij de uitnodiging(en) ‘net thuisgekomen uit het buitenland’ heeft gelezen. Voor zover belanghebbende hiermee stelt dat de uitnodiging(en) niet tijdig, dan wel overigens niet regelmatig, is verzonden verwerpt het Hof dit standpunt.

Belanghebbende is overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.37, eerste lid, en artikel 8.38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgenodigd om bij de mondelinge behandeling van de onderhavige hoger beroepen op 18 oktober 2011 aanwezig te zijn. Immers de uitnodigingen zijn tweemaal – eenmaal aangetekend en eenmaal per gewone brieven – naar het door belanghebbende opgegeven adres – en derhalve naar het juiste adres – gezonden.

4.5.2. Daar partijen ingevolge artikel 8.56 van de Awb ten minste drie weken vóór de zitting – derhalve vóór 28 september 2011 – diende te worden uitgenodigd, is ook deze bepaling door het Hof in acht genomen.

4.5.3. Belanghebbende schrijft dat het hem ‘onmogelijk [is] om op zo’n korte termijn deze zitting bij te kunnen wonen’. Dienaangaande heeft naar het oordeel van het Hof het volgende te gelden. Indien belanghebbende vanaf een tijdstip gelegen vóór de aanbieding van de aangetekende uitnodiging(en) (omstreeks 23 augustus 2011) tot kort voor de zitting op vakantie was (en hij de uitnodigingen om die reden niet heeft gelezen), had het op zijn weg gelegen om maatregelen te treffen met betrekking tot het verwerken van belangrijke post als de onderhavige uitnodiging(en), dan wel had hij het Hof van zijn lange buitenlandse verblijf in kennis kunnen stellen (met het verzoek om bij het plannen van de zittingen met afwezigheid rekening te houden). Belanghebbende heeft noch het een noch het ander gedaan.

Ook is mogelijk dat belanghebbende de kennisgeving van de aanbieding van de aangetekende uitnodiging(en) bewust genegeerd heeft, in die zin dat hij deze brief willens en wetens niet heeft afgehaald.

Naar het oordeel van het Hof komt in al deze gevallen de – gestelde – late ontvangst van de uitnodiging(en), en derhalve de korte voorbereidingstijd, voor belanghebbendes rekening en risico.

4.6. Het Hof komt derhalve tot de slotsom dat belanghebbende niet tijdig en/of niet onder opgaaf van gewichtige redenen zijn – veronderstelde – uitstelverzoek heeft gedaan.

Scholingsuitgaven

4.7. Op grond van artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden als scholingsuitgaven aangemerkt de uitgaven voor het door een belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat voor zover de scholingsuitgaven op de partner van een belastingplichtige drukken, deze eveneens als scholingsuitgaven worden aangemerkt.

4.8. De eis dat de opleiding of studie moet zijn gevolgd met als doel het verwerven van inkomen uit werk en woning, betekent dat het doel van de opleiding of studie moet zijn hetzij het verbeteren van de financieel-economische positie van degene die de opleiding volgt, hetzij het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit werk en woning. Uitgaven voor een opleiding of studie die wordt gevolgd als hobby of uit persoonlijke interesse, kunnen niet als scholingsuitgaven in aanmerking komen, evenmin als dergelijke uitgaven in een te ver verwijderd verband staan met het verwerven van inkomen uit werk en woning (MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26727, nr. 3, p. 260 en 261).

4.9. De rechtbank heeft omtrent de scholingsuitgaven onder meer overwogen:

“4.2.2. Eiser heeft gesteld dat in 2003, 2004 en 2005 scholingsuitgaven zijn gedaan van respectievelijk € 1.363, € 1.478 en € 1.032 in verband met door zijn echtgenote gevolgde cursussen op het gebied van intuïtieve ontwikkeling, reading en healing. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn echtgenote de cursussen dit jaar heeft afgerond en deze heeft gevolgd teneinde een praktijk energetisch genezen te beginnen. Zij staat thans ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en heeft een cursus gevolgd om een eigen bedrijf te starten. De echtgenote heeft inmiddels zelf een keer een cursus gegeven en heeft inmiddels 2 à 3 klanten per week, waarvan slechts een minimale, kostendekkende vergoeding wordt gevraagd. Dit omdat eiser met ingang van 11 februari 2010 een AOW-uitkering zal gaan ontvangen en tot die datum zijn huidige IOAW-uitkering niet in gevaar wil brengen dan wel daarop niet gekort wil worden.

4.2.3. De bewijslast dat zoals in casu een opleiding wordt gevolgd met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning rust op eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, met hetgeen hij heeft aangevoerd onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de cursussen van zijn echtgenote, die zij sinds 2001 volgt, met dit doel zijn gevolgd. Voor de beantwoording van de vraag of aan voornoemd vereiste van aftrek wordt voldaan is in het bijzonder van belang of de echtgenote van eiser ten tijde van de in het geding zijnde jaren waarvoor de aftrek wordt gevraagd het oogmerk had om de verworven kennis in het economisch verkeer productief te maken. Niet aannemelijk is geworden dat de echtgenote van eiser in de in geschil zijnde jaren de intentie heeft gehad in de toekomst een klantenbestand op te bouwen met het oog op het verwerven van positieve inkomsten uit reading- en healingwerkzaamheden. Dit leidt de rechtbank mede af uit de omstandigheid dat de echtgenote zeven jaar na aanvang van de eerste cursus nog geen positieve inkomsten uit de werkzaamheden heeft genoten dan wel activiteiten van enige omvang heeft ontplooid, zich pas in 2008 heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en zij een cursus voor het starten van een eigen bedrijf eerst na de in het geding zijnde jaren heeft gevold. Gelet op het vorenstaande is het naar het oordeel van de rechtbank veeleer aannemelijk dat de echtgenote van eiser de cursussen is begonnen uit persoonlijke interesse dan wel ter verbetering van haar persoonlijke uitrusting. Gelet hierop heeft verweerder de verzochte aftrek terecht geweigerd.”

4.10. Het Hof verenigt zich met de hiervoor aangehaalde overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Het Hof voegt daaraan toe dat ook in hoger beroep door belanghebbende geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat door zijn echtgenote (inmiddels) positieve inkomsten uit het geven van cursussen/bijeenkomsten en activiteiten op het terrein van reading- en healing worden genoten dan wel deze activiteiten (inmiddels) van enige omvang zijn. Daarbij merkt het Hof op dat de door belanghebbende in de bijlage bij het hoger beroepschrift gestelde belemmering voor het “definitief starten van een bedrijf” door zijn echtgenote (zie onder 2.1.3: belanghebbende wenst zijn vaste inkomen niet in gevaar te brengen en daarom kan zijn echtgenote pas definitief met haar bedrijf starten als hij 65 jaar is geworden) inmiddels (vanaf 11 februari 2010), door het door hem bereiken van de 65 jarige leeftijd op 11 februari 2010, niet meer opgaat.

Slotsom

De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn. De uitspraken van de rechtbank dienen te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 17 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.