Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9608

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
23-000841-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BH1592, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemotiveerde vrijspraak moord/doodslag. Door de advocaat-generaal genoemde bewijsmiddelen bevatten feiten en omstandigheden die heel goed zouden kunnen passen in een scenario waarin de verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Zij vormen echter geen direct zelfstandig bewijs hiervoor. 21 maanden gevangenisstraf wegens voorhanden hebben vuurwapens en munitie en poging tot zware mishandeling. Overwegingen omtrent Salduz, bewijsuitsluiting, opzet op poging zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000841-09

datum uitspraak: 28 december 2011

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2009 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-527109-07 (zaak A) en 13-430582-08 (zaak B) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos, te Heerhugowaard.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen hem in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 4 is ten laste gelegd en heeft ter zake van het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 5 ten laste gelegde de inleidende dagvaarding nietig verklaard.

Het hoger beroep is door de officier van justitie onbeperkt ingesteld. Blijkens de inhoud van de appelschriftuur is het hoger beroep van het openbaar ministerie slechts gericht tegen de hoogte van de door de rechtbank opgelegde straf en niet tevens tegen de beslissingen ter zake van het in zaak A onder 4 en 5 in zaak A ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2011 medegedeeld dat de verdachte naar haar mening ten onrechte is veroordeeld voor wat betreft het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 1, 3 en 6 en in zaak B (parketnummer 13-430582-08) ten laste gelegde doch dat het ingestelde hoger beroep van de verdachte zich met name richt tegen de beslissingen van de rechtbank ter zake van het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van die feiten, zowel het openbaar ministerie als de verdachte niet ontvangen dienen te worden in het door hun ingestelde hoger beroep, wat betreft het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 4 en 5 ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 14 november 2008 en 15 januari 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 juni 2011, 7 september 2011, 17 november 2011 en 15 december 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

Zaak A (parketnummer 13-527109-07):

1.

hij op of omstreeks 15 maart 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [A.E.] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen een of meerdere kogels op die [A.E.] afgevuurd, welke kogel(s) het hoofd van die [A.E.] is/zijn binnengedrongen, tengevolge waarvan voornoemde [A.E.] is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 15 maart 2007 te Amsterdam, en of elders in Nederland, een of meer (vuur)wapens van categorie III, te weten merk Glock, model 26, Kaliber 9x19 mm en/of merk Glock, model 19, kaliber 9x19 en/of merk Makarov, model 61, kaliber 9x18 mm en/of munitie van categorie III, te weten een of meerdere (kogel)patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd;

3.

hij op of omstreeks 13 maart 2007 te Amsterdam [U.E.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voor voornoemde Er gericht en/of gericht gehouden;

6.

hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2007 tot en met 19 mei 2007 te Amsterdam en of elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld opzettelijk [M.T.] door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft uitgelokt om in voornoemde periode [T.] en/of [T.] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [T.] en/of [T.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Zaak B (parketnummer 13-430582-08):

hij op of omstreeks 22 februari 2008 te Ter Apel (PI Ter Apel) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [G.S.] van het leven te beroven en/of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in zijn hand naar voornoemde [G.S.] is toegelopen en vervolgens in/op het hoofd van die [G.S.] heeft gestoken en/of een of meerdere stekende beweging(en) richting het hoofd en/of de buik van die [G.S.] heeft gemaakt, althans in de richting van het lichaam van die [G.S.];

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - kan niet in stand blijven, reeds omdat het hof de verdachte ter zake van het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 1 en 3 ten laste gelegde zal vrijspreken.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding ter zake van het in zaak A onder 6 ten laste gelegde

Nu in de tenlastelegging een feitelijke omschrijving van de handelingen die de verdachte ter uitvoering van het hem in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 6 verweten misdrijf zou hebben verricht ontbreekt, voldoet de tenlastelegging niet aan de eis der wet. Derhalve is het hof van oordeel dat de inleidende dagvaarding wat betreft dit feit nietig dient te worden verklaard.

Vrijspraak

Ten aanzien van het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 1 ten laste gelegde:

De feiten

Op donderdag 15 maart 2007 omstreeks 22.00 uur werd naar aanleiding van een melding van een dode in een woning door verbalisanten een onderzoek ingesteld in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. In de woonkamer werd het lichaam van een levenloze man aangetroffen, liggend op een matras. Er was bloed zichtbaar in het haar op het achterhoofd. De gemeentelijk schouwer heeft een schouw verricht op het stoffelijk overschot waarbij door hem twee vermoedelijke schotverwondingen hoog aan het achterhoofd werden geconstateerd. Op 17 maart 2007 is het stoffelijk overschot door de broer van het slachtoffer geïdentificeerd als: [A.E.], (het hof begrijpt gelet op de paspoorten die in de woning zijn aangetroffen: [A.E.]) geboren in [geboorteplaats] op [1973]. Uit het obductieverslag van 17 maart 2007 leidt het hof af dat sprake was dat er tekenen waren van uitwendig mechanisch perforerend geweld, te weten schotverwondingen met ernstige letsels aan het hoofd en de hersenen. Deze letsels zijn bij leven opgetreden en hebben geleid tot verwikkelingen, met name hersenzwelling en herseninklemming en verklaren het overlijden van het slachtoffer volledig.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht, nu - in de kern en zakelijk weergegeven -:

a) de verdachte kort voor het overlijden van het slachtoffer bij het slachtoffer in de woning is geweest en daar met het slachtoffer heeft gesproken;

b) hij die dag als enige de beschikking had over de huissleutels van de woning waar het slachtoffer verbleef;

c) dat die huissleutels niet zijn teruggevonden in de woning, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij ze daar heeft achtergelaten;

d) de verdachte meerdere verkapte bekentenissen heeft afgelegd tegenover familie, vrienden en leden van de Koninklijke Marechaussee, zowel telefonisch als in persoon;

e) de verdachte op de dag van het overlijden van [A.E.] vreemd gedrag heeft vertoond en op stel en sprong is gevlucht naar Thailand, na eerst getracht te hebben naar Spanje te reizen, zonder hiervoor een goede verklaring te geven;

f) de verdachte een motief had om [A.E.] van het leven te beroven.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem in zaak A onder 1 ten laste is gelegd. De raadsvrouw heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen die de verdachte op 19 en 21 mei 2007 bij de politie heeft afgelegd, moeten worden uitgesloten van het bewijs nu de verdachte voorafgaand en tijdens zijn verhoren geen advocaat heeft kunnen consulteren. Daarnaast heeft de raadsvrouw het tijdstip van overlijden, zoals eerder vastgesteld door het NFI, bestreden en heeft zij gesteld dat verdachte de doodslag niet kan hebben gepleegd omdat hij zich aantoonbaar niet in de woning bevond op het door de verdediging aangenomen tijdstip van overlijden. De verdediging heeft er voorts op gewezen dat een cruciaal spoor op de plaats delict is aangetroffen, namelijk het DNA van een medeverdachte op één van de naast de matras aangetroffen patronen. Gelet op het mogelijke tijdstip van overlijden kan tot slot niet worden uitgesloten dat een ander dan de verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht, aldus de raadsvrouw.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij de dood van [A.E.], zodat hij dient te worden vrijgesproken van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bruikbaarheid van de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd

De raadsvrouwe heeft betoogd dat verklaringen die de verdachte op 19 mei 2007 en 21 mei 2007 heeft afgelegd van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat verdachte geen bijstand van een advocaat voorafgaand, tijdens en na het verhoor heeft gehad. Eerst ter gelegenheid van het verhoor op 15 juni 2007 was een advocaat aanwezig.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2009 (BH3079) overweegt het hof hierover dat een verdachte die door de politie is aangehouden aan het bepaalde in artikel 6 Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen. Deze aanspraak op rechtsbijstand houdt, mede gelet op rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), in dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Dit brengt met zich dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken.

De verdachte is na zijn aanhouding op 19 mei 2007 omstreeks 12.45 uur door de politie gehoord ter gelegenheid van het verhoor bij inverzekeringstelling (dossierpagina 8420 e.v).

In het proces-verbaal is omtrent het recht van de verdachte op rechtsbijstand het volgende opgemerkt:

"Ik verbalisant heb de verdachte medegedeeld dat hij zich bij het verhoor kan laten bijstaan door een advocaat. Ik verbalisant heb de verdachte medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Nadat ik hem in kennis had gesteld met het ten laste gelegde feit (het hof begrijpt: van feit 1 van de dagvaarding in zaak A) legde hij de navolgende verklaring af:

Ik wil geen advocaat. Ik ga u alles vertellen. Ik ga mijn onschuld bewijzen".

De vorenstaande uitlatingen van de verdachte omtrent de mogelijkheid zich tijdens het verhoor te laten bijstaan door een advocaat kunnen naar het oordeel van het hof worden beschouwd als het ondubbelzinnig doen van afstand op het recht voorafgaand aan zijn desbetreffende verhoor een advocaat te raadplegen hoewel hij door de politie niet expliciet op die mogelijkheid is gewezen.

Ter gelegenheid van het voortgezette verhoor van 19 mei 2007 omstreeks 14.30 uur (dossierpagina 422 e.v.) en omstreeks 14.56 uur (dossierpagina 846 e.v.) is de verdachte door de politie niet gewezen op zijn consultatierecht als hiervoor bedoeld noch heeft de verdachte ter gelegenheid van dit verhoor expliciet afstand daarvan gedaan.

Ter gelegenheid van het verhoor dat plaatsvond op 21 mei 2007 omstreeks 15.52 uur (dossierpagina 922 e.v.) heeft de verdachte evenmin expliciet afstand gedaan van evengenoemd recht maar hij heeft toen wel verklaard de eventuele bijstand hiervan afhankelijk te willen stellen van het beantwoorden van vragen door de politie. Kort daarna heeft hij medegedeeld een advocaat te willen raadplegen (p. 923).

De politie heeft de verdachte vervolgens medegedeeld het wijs te achten een advocaat te nemen en de verdachte is vervolgens door gegaan met het beantwoorden van vragen. De verdachte heeft in het onderhavige geval zijn raadsman niet eerder dan na afloop van het verhoor door de politie geconsulteerd.

Uit het voorgaande volgt dat door de hierboven bedoelde mededeling voorafgaand aan het verhoor op 19 mei 2007, omstreeks 12.45 uur, recht is gedaan aan de verplichting die de politie heeft de verdachte te wijzen op zijn consultatierecht. Deze mededeling behoeft, gelet op de eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad, slechts plaats te vinden voorafgaand aan het eerste verhoor van de politie en behoeft - anders dan de raadsvrouw meent - niet telkens voorafgaand aan de daarop volgende verhoren te worden herhaald. In zoverre kan onder meer de verklaring van de verdachte als afgelegd op 19 mei 2007, omstreeks 14.30 uur, worden gebezigd voor het bewijs van het aan de verdachte ten laste gelegde.

De verdachte heeft bij zijn verhoor op 21 mei 2007 omstreeks 15.52 uur te kennen gegeven dat hij bijstand van een advocaat wenste. Door ondanks deze mededeling van de verdachte het verhoor niet te staken, hem niet - binnen redelijke grenzen - de gelegenheid te bieden overleg te plegen met een advocaat en niettemin met het verhoor verder te gaan heeft de politie in de onderhavige zaak gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit dwingt- zoals de raadvrouw terecht heeft aangevoerd - tot de conclusie dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering op grond waarvan in dit geval deze verklaring van het bewijs van het aan de verdachte ten laste gelegde moet worden uitgesloten. Het hof betrekt bij dit oordeel de ernst van het verzuim, het belang dat door het geschonden voorschrift wordt gediend en het nadeel dat daardoor voor de verdachte wordt veroorzaakt.

Tijdstip van overlijden ongewis

In het dossier bevindt zich een verslag van de forensisch geneeskundige [H.V.] van 24 augustus 2007. In dit verslag is op basis van het lichaamsgewicht van het overleden slachtoffer, zijn lichaamstemperatuur op het moment van aantreffen en de kamertemperatuur met behulp van het zogeheten nomogram van Henssge het tijdstip van overlijden geschat. Volgens de deskundige is het slachtoffer op 15 maart 2007 te 9.18 uur overleden, met een spreiding tussen 6.30 uur en 12.06 uur. Deze grenzen zouden daarbij een waarschijnlijkheidsinterval van 95% aangeven.

Het hof heeft in de inhoud van het pleidooi van de raadsvrouw, waarin zij de conclusies die door [H.V.] worden getrokken gemotiveerd heeft bestreden, aanleiding gezien om ambtshalve een contra-expertise te gelasten met betrekking tot het tijdstip van overlijden, zoals vermeld in eerdergenoemd verslag. Dit heeft geresulteerd in twee aanvullende NFI-rapporten van forensisch arts [H.N.], forensisch arts KNMG. De verdediging heeft op eigen initiatief de arts-patholoog [F. vd G.] ingeschakeld, die desgevraagd ook een contra-expertise heeft verricht. Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de nieuw ingekomen rapporten. De deskundigen [H.N.] en [F. vd G.] zijn op de terechtzitting van 17 november 2011 naar aanleiding van de door hen gedane bevindingen gehoord.

Het hof is naar aanleiding van die verhoren en de inhoud van de rapporten tot de conclusie gekomen dat het precieze tijdstip van overlijden van het slachtoffer niet kan worden herleid op grond van temperatuurmetingen en dat uitlatingen hieromtrent met de grootst mogelijke terughoudendheid moeten worden geïnterpreteerd. Dit nu de uitkomst van dergelijke metingen in grote mate afhankelijk is van verschillende variabelen, die in deze zaak onbekend zijn gebleven. Gelet hierop zal het hof geen uitspraken doen met betrekking tot het mogelijk overlijdenstijdstip van het slachtoffer, niet anders dan dat dit uitgaande van de in deze zaak voldoende vaststaande medisch-forensische gegevens in de loop van 14 maart dan wel 15 maart 2007 moet zijn geweest.

Gelet op het voorgaande kan de veronderstelling van de advocaat-generaal dat de verdachte - zo begrijpt het hof het betoog van de advocaat-generaal - de laatste persoon moet zijn geweest die het slachtoffer in leven heeft gezien, niet zonder meer uit de medisch-forensische bewijsmiddelen volgen.

Ontbreken van technisch bewijs

Het hof heeft voorts op grond van de inhoud van het dossier vastgesteld dat technisch bewijs dat duidt op directe betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [A.E.], ontbreekt.

Blijkens de inhoud van het dossier zijn er nabij het matras waarop het slachtoffer heeft gelegen twee patronen aangetroffen. Sporenonderzoek heeft uitgewezen dat een van de patronen DNA-materiaal bevat van een derde persoon, niet zijnde de verdachte of het slachtoffer.

Verklaringen van horen zeggen en inhoud telefoongesprekken

Blijkens de inhoud van het dossier hebben meerdere getuigen op enig moment verklaard dat zij van de verdachte in - naar het hof begrijpt - verkapte termen hebben vernomen dat hij [A.E.] van het leven zou hebben beroofd. Bedoeld getuigenbewijs betreft de verklaringen die [A.L.] en leden van de Koninklijke Marechaussee bij de politie en/of de rechter hebben afgelegd. Het gaat hier echter steeds om verklaringen "van-horen-zeggen" die bovendien afkomstig zijn uit één bron: de verdachte zelf. De verdachte heeft tijdens zijn verhoren in deze zaak steeds ontkend dat hij [A.E.] heeft vermoord.

Het hof is van oordeel dat in het bijzonder behoedzaam dient te worden omgegaan met het verbinden van conclusies aan de uitlatingen die de verdachte ter gelegenheid van zijn uitzetting op 10 september 2007 ten overstaan van de leden van de Koninklijke Marechaussee zou hebben gedaan, niet alleen omdat de verdachte ontkent deze in de Engelse taal gebezigde uitlatingen in de bewoordingen als verstaan door de verbalisanten gedaan te hebben, maar ook omdat de betreffende uitlatingen buiten een gewaarborgde verhoorsituatie zijn gedaan en de context waarin één en ander zich heeft afgespeeld alsmede de bedoeling van de verdachte met betrekking tot zijn mededelingen thans niet geheel meer kan worden nagegaan.

Ten aanzien van de verklaringen die de getuige [A.L.] heeft afgelegd is enige behoedzaamheid eveneens op zijn plaats, nu deze getuige wisselend heeft verklaard met betrekking tot de dag waarop de verdachte zijn uitlatingen tegenover haar gedaan zou hebben.

De verdachte heeft blijkens de inhoud van het dossier op verschillende tijdstippen na het overlijden van [A.E.] telefoongesprekken gevoerd met bekenden en familie. Hoewel die gesprekken naar hun inhoud lijken te gaan over het overlijden van [A.E.], kan daaruit naar het oordeel van het hof geen rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij de dood van die [A.E.] worden afgeleid. Het hof overweegt voorts dat ook ten aanzien van dit bewijs geldt dat dit afkomstig is uit één en dezelfde bron, te weten: de verdachte.

Ontbreken voldoende overig ondersteunend bewijs

Het hof zal de door de advocaat-generaal genoemde argumenten achtereenvolgens bespreken:

a) de verdachte is kort voor het overlijden van het slachtoffer bij het slachtoffer in de woning geweest en heeft daar met het slachtoffer gesproken.

Dat de verdachte op 15 maart 2007 in de woning is geweest kan worden afgeleid uit de verklaring van medeverdachte [B.Z.], alsmede uit de verklaring van de verdachte afgelegd bij zijn verhoor bij inverzekeringstelling. Het hof kan echter niet vaststellen of [A.E.] toen nog in leven was, nu het tijdstip van zijn overlijden ongewis is. Dat de verdachte toen nog met [A.E.] heeft gesproken berust bovendien alleen op zijn eigen verklaring, afgelegd ter zitting in hoger beroep, welke verklaring zeer summier is en op welke verklaring de verdachte bij zijn laatste woord is teruggekomen met de mededeling dat de door hem beschreven ontmoeting met [A.E.] best een dag eerder kan hebben plaatsgevonden.

b) de verdachte had die dag als enige de beschikking over de huissleutels van de woning waar het slachtoffer verbleef.

Het hof is van oordeel dat gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet kan worden uitgesloten dat een ander dan de verdachte in het bezit is geweest van de sleutels van de woning, allereerst omdat het slachtoffer mogelijk reeds op 14 maart 2007 om het leven is gebracht en ten tweede omdat sleutels betrekkelijk eenvoudig zijn te dupliceren.

c) die huissleutels zijn niet teruggevonden in de woning, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij ze daar heeft achtergelaten.

Het feit dat deze sleutels niet zijn teruggevonden houdt op zich nog niet in dat de verklaring van de verdachte dat hij de sleutels bij [A.E.] heeft achtergelaten en dat hij toen het pand heeft verlaten, waarbij [A.E.] nog in leven was, ongeloofwaardig moet worden geacht. Immers zoals zojuist al overwogen, blijft gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep de mogelijkheid open dat een ander of anderen over (een kopie van) de sleutel van het betreffende pand waarin [A.E.] zich bevond beschikte/beschikten en na de verdachte dit pand heeft/hebben betreden.

d) de verdachte heeft meerdere verkapte bekentenissen afgelegd tegenover familie, vrienden en leden van de Koninklijke Marechaussee, zowel telefonisch als in persoon.

Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van bedoelde verklaringen en gesprekken.

e) de verdachte heeft op de dag van het overlijden van [A.E.] vreemd gedrag vertoond en is op stel en sprong gevlucht naar Thailand, na eerder die dag getracht te hebben naar Spanje te reizen, zonder hiervoor een goede verklaring te geven

en

f) de verdachte had een motief om [A.E.] van het leven te beroven.

Het hof is van oordeel dat de door de advocaat-generaal genoemde bewijsmiddelen feiten en omstandigheden bevatten die heel goed zouden kunnen passen in een scenario waarin de verdachte [A.E.] om het leven heeft gebracht. Zij vormen echter geen direct zelfstandig bewijs hiervoor. Ook tezamen met de belastende getuigenverklaringen leiden zij - met inachtneming van de terughoudendheid waarmee het bewijs in dit geval moet worden beoordeeld - niet tot het overtuigende bewijs dat de verdachte [A.E.] om het leven heeft gebracht.

Daarbij zij nog opgemerkt dat het slachtoffer bij leven mogelijk in verband is gebracht met handel in verdovende middelen, en niet valt uit te sluiten dat ook anderen dan de verdachte een motief zouden kunnen hebben om het slachtoffer van het leven te beroven. Nu voorts het tijdstip van overlijden niet vast staat kan bovendien niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat een ander of anderen dan de verdachte de gelegenheid heeft/hebben gehad om [A.E.] van het leven te beroven.

Het hof zal gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, de verdachte vrijspreken van het hem in zaak A onder 1 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 3 ten laste gelegde

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 13 maart 2007 te Amsterdam - kort gezegd - [U.E.] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft bedreigd. Blijkens de inhoud van de aangifte heeft dit incident zich voorgedaan voorbij de afslag Schiphol op de Ceintuurbaan Zuid, te Schiphol (dossierpagina 397). Het is een feit van algemene bekendheid dat deze pleegplaats niet in Amsterdam is gelegen, doch in de gemeente Haarlemmermeer. Nu niet bewezen kan worden dat het ten laste gelegde feit in Amsterdam is gepleegd en tevens is nagelaten in de tenlastelegging (subsidiair) op te nemen dat dit feit elders in Nederland ('althans in Nederland') is gepleegd dient de verdachte te worden vrijgesproken van het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 3 ten laste gelegde.

Partiële vrijspraak ter zake van het in zaak B ten laste gelegde

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten raad, noch dat het opzet van de verdachte - ook niet in voorwaardelijke zin - was gericht op de dood van het slachtoffer, zodat de verdachte zowel van de hem tenlastegelegde poging moord, als van de poging doodslag dient te worden vrijgesproken. Ook zal de verdachte worden vrijgesproken van de voorbedachte raad ten aanzien van de poging zware mishandeling, nu ook daarvoor het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak B ten laste gelegde poging zware mishandeling. Aan dit verweer is door de raadsvrouw het navolgende - in de kern en zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd.

a) Niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met een mes heeft gestoken. De enige personen die dit beweren zijn de aangever en de getuige [K.]. Zij kennen elkaar echter al jaren en hun verklaringen zijn pas geruime tijd na het incident opgenomen. Hun verklaringen zijn daarom niet betrouwbaar. De PIW-er [H. vd B.], die aanwezig was bij dit incident, heeft niet gezien dat de verdachte een mes in zijn hand had en daarmee gestoken heeft.

b) Niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin -heeft gehad om de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsvrouw en overweegt daartoe het volgende.

Ad a) Betrouwbaarheid getuigen

Het hof acht bewezen dat de verdachte de aangever met een mes heeft gestoken en heeft trachten te steken. De stelling van de raadsvrouw dat slechts sprake was van enig duw- en trekwerk en dat de verdachte geen mes in zijn handen heeft gehad, acht het hof niet aannemelijk geworden gelet op de inhoud van de verklaringen die de aangever [G.S.] (dossierpagina 11 e.v.) en de getuige [K.] (dossierpagina 15 e.v.) hebben afgelegd, welke verklaringen in de kern worden gesteund door de inhoud van het telefoongesprek dat de verdachte op 7 maart 2008 vanuit de PI met zijn zus heeft gevoerd (dossierpagina 30 e.v.). Tijdens dit gesprek heeft de verdachte immers verklaard dat hij in de problemen zat en dat toen 'die jongen', 'drie keer in zijn hoofd is gestoken'. Naar het oordeel van het hof moet het ervoor worden gehouden dat dit gesprek naar zijn inhoud ziet op het steekincident van 22 februari 2008. Reeds gelet hierop ziet het hof geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de verklaringen die de aangever en de getuige getuigen hebben afgelegd onbetrouwbaar en/of onjuist zijn en daarom niet voor het bewijs gebezigd zouden mogen worden. Ook overigens is het hof niet gebleken van feiten en omstandigheden die hiervoor enig aanknopingspunt bieden.

Ad b) Opzet

Naar het oordeel van het hof dient als vaststaand te worden aangenomen dat de verdachte aangever [G.S.] eenmaal met een metalen broodmes in het hoofd heeft gestoken en dat hij voorts tweemaal een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van buik en hoofd van die aangever. De kans dat een persoon

- die zich in een dynamische situatie bevindt op korte afstand van een persoon die stekende bewegingen maakt - als gevolg van het steken met een mes in de richting van vitale delen van het lichaam, zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Daarbij rekent het hof het hoofd, waarin zich onder meer de ogen en de hersenen bevinden, en de buikstreek tot die vitale delen. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders geduid kunnen worden dan dat deze waren gericht op het toebrengen van zwaar letsel aan de aangever, en dat het er voorts voor gehouden moet worden gehouden dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit zware letsel door zijn handelen kon intreden. Dat het delict uiteindelijk niet is voltooid, is niet te danken aan een omstandigheid van de wil van de verdachte afhankelijk, maar louter aan het tijdig en adequaat ingrijpen van een medegedetineerde. Het hof acht de poging tot zware mishandeling dan ook bewezen.

Naar aanleiding van het desbetreffende verweer van de raadsvrouwe merkt het hof nog op dat het mes waarmee [G.S.] is gestoken van metaal was en geschikt om te gebruiken bij het smeren van brood of bij de warme maaltijd. Naar zijn aard is dit voorwerp geschikt tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat [G.S.] zwaar gewond had kunnen raken vindt voorts nog bevestiging in de mededeling van de getuige [K.], die heeft verklaard dat uitsluitend de omstandigheid dat hij de verdachte heeft weg kunnen houden bij [G.S.] laatstgenoemde heeft behoed voor het bekomen van zwaar lichamelijk letsel (dossierpagina 17).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 2 en het in zaak B (parketnummer 13-430582-08) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A (parketnummer 13-527109-07):

2.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 15 maart 2007 te Amsterdam, en of elders in Nederland, vuurwapens van categorie III, te weten merk Glock, model 26, Kaliber 9x19 mm en merk Glock, model 19, kaliber 9x19 en merk Makarov, model 61, kaliber 9x18 mm en munitie van categorie III, te weten kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Zaak B (parketnummer 13-430582-08):

hij op 22 februari 2008 te Ter Apel (PI Ter Apel) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [G.S.] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes in zijn hand naar voornoemde [G.S.] is toegelopen en vervolgens in het hoofd van die [G.S.] heeft gestoken en stekende bewegingen richting het hoofd en de buik van die [G.S.] heeft gemaakt.

Hetgeen in de zaak A(parketnummer 13-527109-07) onder 2 en in zaak B (parketnummer 13-430582-08) meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van zaak A (parketnummer 13-527109-07) feit 2:

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2011. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het is juist dat ik de drie pistolen zoals genoemd in het onder 2 ten laste gelegde voor [A.E.] bewaarde.

2. Een proces-verbaal van studioverhoor verdachte van 19 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [T. vd H.] (doorgenummerde dossierpagina's 422-425). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

De drie pistolen die in de woning van [B.Z.] lagen, die zijn van Bambi (het hof begrijpt hier en verder: [A.E.]). Ik was voor Bambi "de bumper", de bewaarplaats. Bambi is een jaar geleden vertrokken naar Brazilië, hij heeft toen die drie pistolen aan mij in bewaring gegeven.

(...)

In de woning (het hof begrijpt: perceel [adres] te [woonplaats] liggen als het goed is twee zwarte pistolen, beide van het merk Glock, kaliber 9 mm. Het andere wapen is vermoedelijk een Tsjechisch wapen. In een van de wapens zat geen patroonhouder, er was ook een doos patronen bij.

3. Een proces-verbaal van bevindingen bij technisch onderzoek van 12 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [M. van O.], [M.E.] en [M.K.] (doorgenummerde dossierpagina's A20-A30). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten

Tussen donderdag 15 maart 2007 te 23.00 uur en vrijdag 16 maart 2007 te 20.00 uur stelden wij een onderzoek in. Naar aanleiding hiervan verklaren wij het volgende.

Het onderzoek vond plaats op verzoek van [D. v W.] van het 4e district, Bureau Opsporing te Amsterdam naar aanleiding van het aantreffen van een door misdrijf overleden man in een woning.

De woning was gelegen op de tweede etage van het perceel [adres] in de gemeente Amsterdam.

Tijdens het onderzoek zagen en bevonden wij het volgende:

In de slaapkamer stonden in de hoek nabij het matras en achter de kast diverse koffers en een laptoptas. In de hoek nabij de keuken stond een schoenendoos. In de schoenendoos werden twee pistolen aangetroffen en één in de laptoptas.

Deze goederen zijn veiliggesteld en als volgt gewaarmerkt:

3046097

Object : Vuurwapen

Merk/type : Glock 26

Bijzonderheden : 9 x 19, met houder

3046100

Object : Vuurwapen

Merk/type : Glock 19

Bijzonderheden: 9 x 19, zonder houder

3046101

Object : Vuurwapen

Bijzonderheden: merk onbekend, zonder houder

3046114

Object : Munitie (Patroon)

Aantal : 34

Merk/type : Luger 9x19

Bijzonderheden : Merk dsc Burnaul, in doos tbv 50 stuks

3046116

Object : Munitie (Patroon)

Aantal : 9

Merk/type : Luger

Bijzonderheden: in de houder van de Glock 26, itemnummer 3046097

3046122

Object : Munitie (Patroon)

Merk/type : Luger 9x19

Bijzonderheden: in de houder van itemnummer 3046101

4. Een proces-verbaal van technisch onderzoek van 27 april 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [J.W.] (doorgenummerde dossierpagina's 402-404). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Ik, verbalisant, Inspecteur van Regiopolitie Amsterdam/Amstelland, dienstdoende bij de Dienst Executieve Ondersteuning, bureau Conflict en Crisisbeheersing, taakveld Explosievenveiligheid en Wapens, Taakaccenthouder Vuurwapens, verklaar:

Op vrijdag 27 april 2007 werd door mij een aantal voorwerpen onderzocht.

Onder nummer 3046097: een pistool.

Merk : Glock

Model : 26

Kaliber : 9x19 millimeter

Genoemd pistool is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Het pistool werkte naar behoren en verkeerde technisch in goede staat.

Juridische omschrijving pistool:

Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1, lid 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Onder nummer 3046116: een patroonhouder

Het pistool was voorzien van een patroonhouder waarin zich een aantal patronen bevonden. De patronen die zichtbaar waren zijn alle van het kaliber 9 x 19 millimeter. Alle patronen zijn geschikt om met het in beslag genomen vuurwapen, Glock model 26, te worden verschoten.

Juridische omschrijving munitie:

Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4e gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Onder nummer 3046100: een pistool

Merk : Glock

Model : 19

Kaliber : 9 x 19 millimeter

Genoemd pistool is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Het pistool werkte naar behoren en verkeerde technisch in goede staat.

Juridische omschrijving pistool:

Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1, lid 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Onder nummer 3046101: een pistool

Merk : Makarov

Model : 61

Kaliber : 9 x 18 millimeter

Genoemd pistool is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Het pistool werkte naar behoren en verkeerde technisch in goede staat.

Juridische omschrijving pistool:

Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1, lid 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Onder nummer 3046122: een patroonhouder

Het pistool was voorzien van een patroonhouder waarin zich een patroon bevond. De patroon die zichtbaar was is voorzien van een volmantelprojectiel

Juridische omschrijving munitie:

Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4e gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Onder nummer 3046114: een kartonnen doosje munitie,

met daarin 34 kogelpatronen. Alle patronen zijn van het kaliber 9x19 millimeter (= 9 millimeter Luger). Alle patronen zijn voorzien van volmantelprojectielen. Alle patronen hebben als bodemstempel Logo Barnaul 9 mm luger.

Juridische omschrijving munitie:

Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4e gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van zaak B (parketnummer 13-527109-07):

5. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL01PF/08-030705 van 19 maart 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [A.K.] (doorgenummerde dossierpagina's 11-14). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 maart 2008 door de aangever [G.S.] bij de politie afgelegde verklaring:

Ik ben momenteel gedetineerd in de PI te Ter Apel. Op vrijdag 22 februari 2008, omstreeks 14.15 uur, liep ik de afdeling A0 op. Op die afdeling staan twee telefooncellen. Een medegedetineerde stond te bellen met het toestel waarmee je dus collect call kan bellen. Omdat ik graag even collect call wilde bellen, vroeg ik hem of even snel mocht bellen. Ik weet niet of hij mij toen niet goed begreep of iets dergelijks, want hij begon hierop tegen mij te schreeuwen. Ik vond dat hij raar reageerde en riep daarom terug. Ik ben vervolgens op een stoel gaan zitten die nabij de telefooncel staat. Ik wilde wachten tot deze medegedetineerde klaar was met zijn telefoongesprek. Ik zag echter dat hij direct hierop de telefooncel verliet en naar zijn cel liep. Omdat ik dus dacht dat hij klaar was met bellen, ben ik in de telefooncel gegaan, heb de deur gesloten en ben gaan bellen met een vriend van mij. Ik stond hierbij met de rug naar de deur.

Even later hoorde ik dat de deur van de telefooncel waarin ik stond open ging. Ik stond toen nog steeds met mijn rug naar de deur toegekeerd. Ik voelde dat ik met iets werd geraakt aan mijn hoofd. Ik voelde dat het pijn deed en er kwam bloed uit. Ik keek achterom en zag dat de gedetineerde die kort daarvoor in de telefooncel had staan bellen met een mes in zijn handen stond nabij de ingang van de telefooncel, waarin ik stond. Ik zag dat het een metalen mes betrof, hetwelk tot het standaard bestek behoort dat gedetineerden op cel hebben. Ik zag dat hij door een andere gedetineerde, genaamd [K.], werd tegengehouden. Ik zag namelijk dat [K.] met kracht en moeite deze andere gedetineerde bij de handen vasthield en wegtrok bij de telefooncel vandaan, waarin ik stond. Kennelijk lukte het de medegedetineerde toch om los te komen. Ik zag namelijk dat hij in mijn richting kwam en dat hij een steekbeweging met het mes in mijn richting maakte. Ik zag dat hij het mes in zijn rechterhand had en met zijn arm boven zijn hoofd naar beneden een steekbeweging in de richting van mijn hoofd maakt. Ik heb mij toen verdedigd door hem weg te trappen. Ondanks dit lukte het hem toch om de steekbeweging af te maken en ik zag en voelde dat hij met het mes van boven naar beneden een steekbeweging langs mijn buik maakte.

6. Een proces-verbaal verhoor met nummer PL01PF/08-030705 van 19 maart 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [A.K.] (doorgenummerde dossierpagina's 15-18). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 maart 2008 door de getuige [K.] bij de politie afgelegde verklaring:

Ik ben gedetineerd in de PI te Ter Apel. Op vrijdag 22 februari 2008, omstreeks 14:15 uur, bevond ik mij in de hal van genoemde cellengang. Ik zag toen dat [G.S.] de hal binnen kwam en naar een telefooncel liep. Ik zag dat in die telefooncel een andere gedetineerde stond te bellen. Ik zag dat dit [verdachte] was. Ik weet niet precies of [verdachte] nu zijn voor of achternaam is. Het kan dus ook zijn dat hij [verdachte] heet. Ik zag dat [G.S.] de deur van die telefooncel opende en ik hoorde dat hij aan [verdachte] vroeg of hij even snel mocht bellen. Ik hoorde dat [G.S.] die netjes en beleefd aan [verdachte] vroeg. Ik hoorde dat [verdachte] hierop tegen [G.S.] begon te schelden. Toen [verdachte] [G.S.] dus uitschold, sloot [G.S.] de deur van de telefooncel weer. Ik zag dat [G.S.] nabij de telefooncel bleef wachten. Ik zag dat [verdachte] vrijwel direct hierna de hoorn op haak hing en de telefooncel verliet. Ik zag dat [G.S.] vervolgens in de telefooncel stapte en ging bellen. [G.S.] stond met zijn rug naar de deur gekeerd. Ik zag dat [verdachte] naar zijn cel liep. Ik zag vervolgens dat [verdachte] een paar minuten later weer uit zijn cel kwam. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een voorwerp vasthield. Ik zag dat [verdachte] strak in de richting van de telefooncel liep, waar [G.S.] in stond te bellen. Ik zag dat [G.S.] nog steeds met zijn rug naar de deur toegekeerd stond. Ik kon toen beter zien wat [verdachte] in zijn hand had en zag dat het een mes betrof. Ik bedoel hiermee een bestekmes dat we allemaal op onze cel hebben. Omdat ik [verdachte] wilde stoppen, ben ik voor hem gaan staan en heb hem aangesproken. Ik heb toen in het Engels gezegd: "no,no,no, leave him!". [verdachte] duwde mij echter aan de kant. Ik zag dat [verdachte] doorliep in de richting van die telefooncel. Ik ben toen achter [verdachte] aan gerend om hem weer tegen te houden. Ik zag echter dat [verdachte] de deur van de telefooncel opende waarin [G.S.] stond. Ik zag dat [G.S.] nog steeds met zijn rug naar de deur stond gekeerd. Ik zag vervolgens dat [verdachte] zijn hand met daarin het mes omhoog hief en met kracht naar beneden stak. Ik heb op dat moment [verdachte] bij zijn middel gepakt en hem bij [G.S.] wegtrokken. Hierbij raakte [verdachte] uit balans. Ik zag dat [verdachte] [G.S.] met het mes op het hoofd raakte. Toen dit gebeurde zag ik dat [G.S.] zich omdraaide. Hoewel ik probeerde [verdachte] tegen te houden, lukte het hem toch weer om los te komen. Ik zag dat hij weer zijn hand met daarin het mes omhoog hield en met kracht in de richting van [G.S.] stak. Ik zag dat [G.S.] hierbij [verdachte] een trap gaf, waardoor [verdachte] bij [G.S.] weg werd geduwd. Ik zag dat [verdachte] met het mes nog stak in de richting van [G.S.]. Terwijl [verdachte] naar achteren kwam, door die trap die [G.S.] hem gaf, heb ik [verdachte] weer om zijn middel gepakt.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. E.M.M. Gabel, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam, en de griffier. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 april 2008 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [K.]:

Ik heb op 18 maart 2008 naar waarheid verklaard toen ik werd verhoord. Nadat het voorval op 22 februari 2008 heeft plaatsgehad, heb ik in de telefooncel gekeken en zag bloed. Op de grond van de telefooncel zit een ijzeren plaat en daar zag ik het bloed. Ik heb wat druppels gezien buiten de telefooncel.

8. Een proces-verbaal van uitwerking van telefoongesprekken P.I. Lelystad met nummer 2007071823 van 16 april 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [T. vd H.]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De telefoongesprekken in de P.I. Lelystad worden automatisch opgenomen en opgeslagen op een harde schijf.

Middels een vordering van de officier van justitie zijn de gesprekken opgevraagd van [verdachte], betreffende de periode 7 t/m 10 maart 2008.

Gesprekken:

7 maart 200 te 16.31 uur:

[verdachte] (O) belt met zijn zuster [A.]

O: Ik ben in grote problemen geraakt

A: Dat dacht ik al, zeker op de vrijdag, waarop je me gebeld had

O: Die jongen is 3 keer in zijn hoofd gestoken! Ze willen een nieuwe zaak tegen mij openen, een poging moord tijdens mijn detentie

(...)

A: Waarom? Waarom moest het zover komen?

O: Waarom?? Hij zei tegen me: "ik zal je moeder neuken"

A: Maar alles was toch naast de telefoon gebeurd?... Waarom? Wilde hij soms bellen?

O: Ja

(...)

O: Nu gaan ze deze zaak tegen mij openen.

A: Tja, waarom doe je dat jezelf aan? Waarvoor is dat nodig?

O: Maar wat moest ik anders doen. Ik zit vast en de man zegt tegen me: "Ik zal je moeder neuken". Wat moest ik doen?

(...)

O: Het is een zaak van twee weken geleden (het hof begrijpt: vrijdag 22 februari 2008), voor wat er toen gebeurd was. Het was precies toen jij met mij aan de telefoon was.

9. Een geschrift, zijnde een schriftelijk verslag/rapport (artikel 50.1 PBW) van 22 februari 2008, opgemaakt door inrichtingswerker [H. vd B.] (doorgenummerde dossierpagina 19). verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als waarnemingen van de inrichtingswerker [H. vd B.]:

Omstreeks 14.30 uur tijdens het recreatiemoment zag ik dat gedetineerde [verdachte] de telefooncel verliet en naar zijn cel liep. Enkele ogenblikken later zag ik gedetineerde [verdachte] teruglopen naar de telefooncel, op dat moment was gedetineerde [G.S.] aan het telefoneren. Gedetineerde [verdachte] opende de deur van de telefooncel en maakte slaande en schoppende bewegingen in de richting van gedetineerde [G.S.]. Gedetineerde [K.] stond bij de telefooncel en greep gedetineerde [verdachte] vast en trok hem bij de telefooncel weg. Gedetineerde [verdachte] rukte zich los en ging terug naar de telefooncel en maakte wederom slaande en schoppende bewegingen naar gedetineerde [G.S.]. Gedetineerde [G.S.] is gewond geraakt aan zijn hoofd.

10. Een geschrift, zijnde een notitie van dr. [R.S.], werkzaam in de P.I. Ter Apel, afdeling medische dienst van 31 maart 2008, (doorgenummerde dossierpagina 22). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[G.S.] werd volgens VPK in telefooncel (het hof begrijpt: op 22 februari 2008 in de PI Ter Apel aangevallen. In eerste instantie hevig bloeden. Hij werd gezien met een kras (niet diep) op linker hoofdhelft.

Bewijsoverweging

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 13-527109-07 onder 2 en in de zaak met parketnummer 13-430582-08 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

het in zaak B (parketnummer 13-430582-08) bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2, 3 en 6 ten laste gelegde en het in zaak B ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft voorts de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2, 3, 6 en het in zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van voorarrest en dat de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft drie vuurwapens en een, voor die vuurwapens geschikte, hoeveelheid munitie voorhanden gehad. Dit levert een ernstig feit op. Ongecontroleerd wapen- en munitiebezit brengt onaanvaardbare veiligheidsrisico's en gevoelens van onveiligheid in de samenleving mee.

De verdachte heeft zich daarnaast in de penitentiaire inrichting schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een medegedetineerde door onder meer met een mes in zijn hoofd te steken. De verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer niet alleen pijn en letsel toegebracht, maar tevens een zeer gevaarlijke en beangstigende situatie voor hem geschapen. Dat het slachtoffer geen zwaar letsel heeft opgelopen is louter te danken aan het tijdig en adequaat ingrijpen van een medegedetineerde, en geenszins aan het gedrag van de verdachte.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 november 2011 is de verdachte eerder ter zake van geweldsdelicten veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

De op te leggen straf is aanzienlijk lager dan die door de advocaat-generaal is geëist, nu het hof de verdachte onder meer heeft vrijgesproken van de moord/doodslag op [A.E.]. Voorts houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met zijn minder gunstige medische situatie, zoals daarvan is gebleken uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting.

Het hof stelt ten slotte vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden bij de behandeling van de zaak in hoger beroep, nu deze termijn een aanvang nam op 11 februari 2009, de datum waarop het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld en het hof eerst heden, 28 december 2011, arrest wijst. In dit geval is sprake van een zodanige overschrijding van de redelijke termijn dat er aanleiding is voor strafvermindering.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden.

Het hof zal echter gelet op de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de zaak in hoger beroep, deze straf met drie maanden verminderen.

Beslag

De onder de verdachte in beslag genomen vuurwapens en munitie dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 2 bewezen verklaarde met betrekking tot deze voorwerpen is begaan, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen dozen met daarin pillen overweegt het hof het volgende. Uit onderzoek is gebleken dat het hier gaat om pillen bevattende MDMA en valse Viagra-pillen. Deze pillen zijn tijdens het opsporingsonderzoek in beslag genomen en behoren toe aan de verdachte. Zij zijn, evenals de doos met patronen, van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang. Gelet hierop zal het hof bepalen dat deze voorwerpen eveneens dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 45, 57, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [G.S.]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Nu de benadeelde partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering en niet is gebleken dat zij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep (wederom) als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, kan haar vordering buiten beschouwing blijven.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 4 en 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart de inleidende dagvaarding wat betreft het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 6 ten laste gelegde nietig.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 2 en het in de zaak B (met parketnummer 13-430582-08) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A (parketnummer 13-527109-07) onder 2 en het in zaak B (parketnummer13-430582-08) bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Drie kartonnen dozen met pillen;

- Een pistool, merk Glock met houder (3046097);

- Een pistool, merk Glock zonder houder (3046100);

- Een pistool, merk onbekend (3046101);

- 34 patronen merk luger 9x19 (3046114);

- 9 patronen merk luger 9x19 (3046116);

- 1 patroon merk luger 9x19 uit houder 3046101 (3046122);

- 50 patronen, merk luger 9mm (3046122);

- 1 patroonhouder kleur zwart, merk Glock 9mm (3042843).

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. E. Mijnsberge en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 december 2011.