Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9564

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
200.065.076-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inlener" ex artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk als "uitlener.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Burgerlijk Wetboek Boek 7 691
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/39
JIN 2012/3 met annotatie van P.L.M. Schneider
JAR 2012/33 met annotatie van mr. J.P.H. Zwemmer
AR-Updates.nl 2011-1085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonend te [gemeente], gemeente [S.],

APPELLANT,

advocaat: mr. W.A. van Veen te Utrecht,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSPORTBEDRIJF [GEÏNTIMEERDE],

gevestigd te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J. Mulder te Hoogeveen.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 19 maart 2010, hersteld bij exploot van 26 april 2010, is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (verder: de kantonrechter) van 21 december 2009, voor zover in deze zaak onder rolnum¬mer CV 07-16939 gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

[appellant] heeft bij memorie vier grieven geformuleerd, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht, met conclusie dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van

I. de door [appellant] geleden materiële en immateriële schade ten gevolge van het arbeidsongeval van 2 februari 2004, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf genoemde datum, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

II. het bedrag van € 9.409,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2011;

III. de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft bij memorie geantwoord en bewijs aangeboden, met conclu¬sie dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

Ter zitting van het hof van 22 november 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, beide door hun voornoemde advocaat; beide hebben daarbij pleitnotities in het geding ge¬bracht. Bij deze gelegenheid heeft [appellant] zijn hiervoor onder II vermelde vordering ingetrokken.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.6 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daaromtrent bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Verdere beoordeling

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) UPS SCS (Nederland) B.V. (verder: UPS) verleent diensten op het gebied van logistiek, transport en distributie, maar houdt zich niet feitelijk bezig met vrachtvervoer. [geïntimeerde] is een transportbedrijf, dat in opdracht van UPS vracht vervoert van Schiphol Luchthaven naar (de loods van UPS op) Schiphol Rijk.

(ii) [appellant] was met ingang van 27 juni 2003 op basis van een uitzendovereenkomst in dienst bij Randstad Transport B.V. (verder: Randstad). Randstad had hem uitgeleend aan [geïntimeerde].

(iii) Op 2 februari 2004 heeft [appellant] in opdracht van [geïntimeerde] en met een vrachtwagen van [geïntimeerde] goederen op pallets bezorgd in de loods van UPS. Daartoe heeft [appellant] de vrachtwagen met de achterzijde tegen een opening in de loods geplaatst. De pallets dienden met een elektrisch aangedreven pompwagen (palletwagen) uit de vrachtwagen te worden gereden en te worden geplaatst aan weerszijden (links en rechts van de opening met de vrachwagen) van het gebied in de loods aansluitend aan de betreffende opening (het zogenoemde dockshelter). De pallets dienden vervolgens te worden verplaatst door een zogenoemde reachtruck (vorkheftruck ook voor grotere hoogten) naar hun bestemming in de loods.

(iv) Op 2 februari 2004 om circa 17.30 uur had [appellant] een rij van circa zeven pallets links en een rij van circa drie pallets rechts geplaatst (bezien in de richting van de vrachtwagen). Na het plaatsen van de laatste pallet in de rechterrij is [appellant] schuin en iets draaiend achteruit gereden, met de bedoeling in een positie te komen waarbij hij vooruit rijdend weer naar de vrachtwagen kon gaan om de volgende pallet op te halen. Daarbij is [appellant] – achteruit rijdend – tegen een stilstaande reachtruck gebotst, waarbij zijn lichaam zich tussen beide voertuigen in bevond.

(v) Op 2 februari 2004 om 21.37 uur heeft [appellant] zich met diverse klachten gemeld bij de afdeling spoedeisende hulp van een ziekenhuis.

(vi) Op 2 februari 2004 heeft [appellant] zich ziek gemeld bij Randstad.

3.2 [appellant] heeft in eerste aanleg UPS, [geïntimeerde] en Randstad gedagvaard en gevorderd een verklaring voor recht dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en te lijden (materiële en immateriële) letselschade voortvloeiend uit het ongeval van 2 februari 2004, alsmede hoofdelijke veroordeling van hen tot betaling van die schade op te maken bij staat, en, voorts, een verklaring voor recht dat UPS, [geïntimeerde] en Randstad hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle buitengerechtelijke kosten – ook als deze door de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] zijn vergoed - alsmede hoofdelijke veroordeling van hen tot betaling van die kosten, op te maken bij staat, en van de proceskosten. [appellant] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat Randstad aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 lid 2 BW en [geïntimeerde] en UPS dit zijn krachtens het vierde lid van dat artikel, nu beide als inleners zijn aan te merken. [appellant] heeft UPS daarnaast aansprakelijk geacht op grond van artikel 6:170 BW alsmede artikel 6:162 BW.

3.3 De kantonrechter heeft bij het vonnis waarvan beroep, kort samengevat en voor zover thans nog relevant, als volgt overwogen. UPS heeft in de uitoefening van haar bedrijf arbeid laten verrichten door [appellant], met wie zij geen arbeidsovereenkomst had. UPS is aan te merken als een (voor de toepassing van artikel 7:658 lid 1 en 2 BW) met een werkgever gelijk te stellen (rechts)persoon. Zowel Randstad als [geïntimeerde] hadden geen enkele invloed op de plaats waar of de omstandigheden waarin [appellant] de desbetreffende werkzaamheden uitvoerde en hadden evenmin reden te veronderstellen dat sprake zou zijn van veiligheidsrisico's, terwijl voorts geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat Randstad of [geïntimeerde] is tekortgeschoten in haar zorgplicht als werkgever, zodat de vorderingen voor zover gericht tegen Randstad en [geïntimeerde] niet toewijsbaar zijn. UPS is daarentegen toerekenbaar in gebreke gebleven bij de nakoming van de onder artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht, heeft althans onvoldoende gesteld waaruit het tegendeel blijkt, en is, nu geen sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid van de kant van [appellant], aansprakelijk voor de als gevolg van het onder 3.1 sub (iv) bedoelde voorval door [appellant] geleden schade. Dat [appellant] schade heeft geleden is voldoende aannemelijk geworden, evenals het feit dat [appellant] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, zodat een verklaring voor recht en een veroordeling tot betaling ter zake van beide tegen UPS op zijn plaats is, met dien verstande dat de buitengerechtelijke kosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen voor zover het totaalbedrag daarvan hoger is dan 25% van het totaal van de door [appellant] van zijn rechtsbijstandverzekeraar te ontvangen vergoeding voor kosten rechtsbijstand. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] voor zover gericht tegen UPS toegewezen als hiervoor weergegeven en voor zover gericht tegen [geïntimeerde] en Randstad afgewezen.

3.4 De eerste twee grieven, die nauw met elkaar samenhangen en daarom gezamenlijk zullen worden behandeld, strekken ten betoge – zo begrijpt het hof - dat in de verhouding tussen Randstad en [geïntimeerde] Randstad formeel werkgever en [geïntimeerde] feitelijk werkgever van [appellant] was, dat [appellant] ten tijde van het ongeval op 2 februari 2004 werkzaamheden ter uitvoering van het bedrijf van UPS verrichtte en op UPS op dat moment een zorgplicht rustte, dat UPS in die zorgplicht tekortgeschoten is en [geïntimeerde] als uitlener aansprakelijk is voor de schade van [appellant]. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.5 Het hof stelt voorop dat wanneer een werkgever zijn werknemer te werk stelt bij een derde teneinde werkzaamheden ter uitvoering van diens bedrijf te verrichten en daarbij in dier voege gebruik maakt van de hulp van de derde dat hij de zorg voor de veiligheid van de werknemer geheel of gedeeltelijk aan de derde overlaat, hij voor een tekortschieten van de derde in die zorg als voor eigen tekortschieten aansprakelijk is. Onverschillig is daarbij in hoeverre de werkgever zeggenschap over de werknemer heeft behouden (vgl. HR 1 juli 1993, NJ 1993, 687, HR 15 juni 1990, NJ 1990, 716 en HR 4 oktober 2002, NJ 2002, 557). Tevens stelt het hof voorop dat [geïntimeerde] op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 4 BW overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk is voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, aangezien zij [appellant] van Randstad had ingeleend.

3.6 Hiervan uitgaande oordeelt het hof als volgt. In het onderhavige geval is tussen partijen niet in geschil, enerzijds, dat [geïntimeerde] [appellant] van Randstad had “ingeleend”, anderzijds, dat [geïntimeerde], voor zover het om het uitladen uit de vrachtwagen en plaatsen van de pallets in de loods ging, [appellant] (ten tijde van het ongeval) had "uitgeleend" aan UPS met als doel dat [appellant] die werkzaamheden ten behoeve van het bedrijf van UPS zou verrichten, waarbij [geïntimeerde] de zorg voor de veiligheid van [appellant] aan UPS had overgelaten. In de stellingen van [appellant] in dit hoger beroep ligt – in overeenstemming met wat hij in de procedure in eerste aanleg tussen hem en UPS had gesteld en de rechtbank hieromtrent heeft overwogen – besloten dat UPS is tekortgeschoten is in haar zorgplicht jegens hem, wat door [geïntimeerde] niet althans niet (voldoende) gemotiveerd is weersproken. Daaruit volgt, gelet op wat onder 3.5 is overwogen, dat [geïntimeerde] in beginsel aansprakelijk is voor de schade die [appellant] als gevolg van het ongeval op 2 februari 2004 heeft geleden.

3.7 Het voorgaande brengt mee dat de grieven 1 en 2 slagen.

3.8 De vraag of het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd hangt echter nog hiervan af of het (in eerste aanleg gevoerde) verweer van [geïntimeerde] dat [appellant] geen schade heeft geleden als gevolg van het ongeval, slaagt. Dit is niet het geval. Nu voor het uitspreken van een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat reeds voldoende is dat het bestaan van schade of de mogelijkheid van schade als gevolg van het ongeval aannemelijk is, ziet het hof, gelet op wat [appellant] hieromtrent in eerste aanleg – met bescheiden onderbouwd - heeft gesteld (zie onder meer conclusie van repliek onder 20 t/m 29), aanleiding om in het onderhavige geval een dergelijke veroordeling uit te spreken. In verband met het feit dat ook UPS jegens [appellant] tot schadevergoeding in verband met het onderhavige ongeval is veroordeeld, zal het hof bepalen dat alleen schade behoeft te worden voldaan die nog niet is vergoed.

3.9 Al het voorgaande impliceert dat grief 3 buiten bespreking kan blijven.

3.10 [geïntimeerde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zodat haar bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.

4. Slotsom en kosten

Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde zal worden vernietigd. De vordering van [appellant] zal alsnog worden toegewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Wat betreft de kosten van de eerste aanleg geldt – mutatis mutandis – de laatste volzin van rov. 3.8 ook hier. Dit betekent dat ook grief 4 slaagt.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde, en, opnieuw recht doende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van de door [appellant] geleden materiële en immateriële schade ten gevolge van het arbeidsongeval op 2 februari 2004, voor zover nog niet vergoed, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf genoemde datum, nader op te maken bij staat;

verwijst, voorts, [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellant] gevallen, op € 190,31 aan verschotten en € 900,- aan salaris gemachtigde, een en ander voor zover nog niet (door UPS) betaald;

verwijst [geïntimeerde], eveneens, in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellant] gevallen, op € 350,93 aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat, op de voet van artikel 243 Rv te betalen aan de griffier van het hof;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, R.J.M. Smit en D.J. van der Kwaak en en op 27 december 2011 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.