Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9550

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
106.000.666-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 843a. Bevel hof tot toezending volledige inhoud stukken ter uitsluitende kennisneming door het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de GEMEENTE HAARLEM,

zetelend te Haarlem,

APPELLANTE IN DE HOOFDZAAK, VERWEERSTER IN HET INCIDENT,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JOH. ENSCHEDÉ B.V.,

gevestigd te Haarlem,

GEÏNTIMEERDE IN DE HOOFDZAAK, EISERES IN HET INCIDENT,

advocaat: mr. G.C.W. van der Feltz te 's-Gravenhage.

De partijen worden hierna de Gemeente en Enschedé genoemd.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 4 mei 2006 verwijst het hof naar dat arrest.

Ingevolge voornoemd tussenarrest heeft op 19 april 2007 een comparitie van partijen plaatsgevonden, welke comparitie is voortgezet op 30 september 2009. Van deze comparities is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens heeft de Gemeente een memorie na comparitie genomen, waarbij zij een aantal producties in het geding heeft gebracht. De Gemeente heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Enschedé zal veroordelen tot betaling aan de Gemeente van de kosten van onderzoek en sanering van de verontreiniging onder de Bakenessergracht en omgeving, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van beide instanties.

Daarna heeft Enschedé een memorie na tussenarrest en comparities genomen, waarbij zij een aantal producties in het geding heeft gebracht, en tevens een incidentele vordering tot inzage of afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv heeft ingesteld. Enschedé heeft geconcludeerd dat het hof in het incident de Gemeente zal veroordelen tot overlegging aan het hof van de volledige tekst van het Convenant en de Nota Kostenverhaal, met gelijktijdige toezending van een volledig afschrift aan Enschedé, en in de hoofdzaak het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen.

De Gemeente heeft bij memorie van antwoord in het incident tot inzage of afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv geantwoord en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van Enschedé tot afgifte zal afwijzen, met veroordeling van Enschedé in de kosten van het incident.

Ten slotte is in het incident arrest gevraagd.

2. De beoordeling in het incident

2.1 Het gaat in deze zaak, voor zover in het onderhavige incident van belang, om het volgende.

(i) Enschedé heeft tot 1991/1993 bedrijfsactiviteiten uitgevoerd op het zogeheten Enschedé-complex, gelegen in het oude stadscentrum van Haarlem.

(ii) Enschedé heeft het Enschedé-complex in 1987 verkocht en geleverd aan de Gemeente.

(iii) Uit onderzoeksrapporten van (onder meer) 1991 en 1992 is gebleken dat de bodem en het grondwater onder het Enschedé-complex ernstig tot zeer ernstig zijn verontreinigd.

(iv) De Gemeente heeft in verband hiermee meerdere vorderingen tegen Enschedé ingesteld, die voor een deel betrekking hebben op de verontreinging van de bodem en het grondwater onder het Enschedé-complex zelf, voor een ander deel betrekking hebben op omliggende terreinen die aan derden toebehoren en voor weer een ander deel betrekking hebben op omliggende terreinen die aan de Gemeente toebehoren.

(v) Nu het hof in zijn genoemde tussenarrest reeds heeft overwogen dat de vorderingen van de Gemeente voor zover betrekking hebbend op het Enschedé-complex zelf en op omliggende terreinen die aan derden toebehoren dienen te worden afgewezen, is thans nog slechts de vordering van de Gemeente aan de orde voor zover deze betrekking heeft op omliggende terreinen die aan de Gemeente toebehoren.

2.2 De vraag waar het in het onderhavige incident primair om gaat is of voldoende grond bestaat voor toewijzing op de voet van artikel 843a lid 1 Rv van de vordering van Enschedé tot volledige inzage van een tweetal stukken die haar door mr. M.E. Biezenaar, advocaat van de Gemeente, bij brief van 9 juli 2010 (slechts) gedeeltelijk zijn toegezonden, te weten een Convenant tussen de Staat, de provincie Noord-Holland en de Gemeente van 1995 (verder: het Convenant) en de Nota Kostenverhaal Bodemsanering van 19 november 1996 met bijlagen (verder: de Nota Kostenverhaal).

2.3 Enschedé baseert haar vordering tot inzage hierop, kort gezegd, dat zij er belang bij heeft de volledige tekst van het Convenant in te zien omdat de Gemeente geen schade lijdt als gevolg van de verontreiniging wanneer de kosten ter zake niet door haar maar door anderen (de Staat of de provincie Noord-Holland) worden gedragen, waarmee de basis aan haar vordering tot vergoeding van die schade zou komen te ontvallen. Om die reden heeft zij herhaaldelijk aangedrongen op een afschrift van de documenten waarin die afspraken waren opgenomen (het Convenant en de Nota Kostenverhaal). Omdat het College van B&W inmiddels kenbaar heeft gemaakt dat de desbetreffende stukken volledig aan de rechter zullen worden overgelegd indien een gerechtelijke procedure dit noodzakelijk maakt, is het, aldus Enschedé, thans aangewezen een vordering ex artikel 843a Rv te dezer zake in te stellen, waarbij overigens geldt dat aan de vereisten van deze bepaling is voldaan en langs deze weg op de snelste wijze over de volledige inhoud van beide stukken kan worden beschikt. Het oordeel van het College van B&W over het door Enschedé ter zake van deze stukken ingestelde Wob-verzoek is nog niet onherroepelijk en Enschedé heeft er geen bezwaar tegen als de uitspraak in het onderhavige incident wordt aangehouden totdat definitief op het Wob-verzoek is beslist, aldus (nog steeds) Enschedé.

2.4 De Gemeente heeft hiertegen, kort samengevat, aangevoerd dat zowel het Convenant als de (bijlagen bij de) Nota Kostenverhaal uitsluitend betrekking heeft op het Enschedé-complex zelf en niet op de omliggende terreinen die aan de Gemeente toebehoren, zodat deze stukken voor de verdere beoordeling van de zaak niet relevant zijn, en dat zowel bijlage 1 als bijlage 2 bij de Nota Kostenverhaal geheim is verklaard met toepassing van artikel 55 Gemeentewet gezien de juridische positie van de Gemeente in de onderhandelingen met derden respectievelijk in verband met de lopende procedure tegen Enschedé. Voorts heeft de Gemeente aangevoerd dat artikel 843a Rv een uitzonderingsbepaling is die (slechts) ziet op het geval dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is maar zij dat niet onder zich heeft, en dat deze bepaling niet de mogelijkheid biedt voor het opvragen van documenten waarvan een partij indicaties heeft dat de wederpartij over die stukken beschikt en waarvan hij vermoedt dat deze wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen. Ten slotte is volgens de Gemeente niet voldaan aan de in het eerste lid van artikel 843a Rv geformuleerde eisen voor toepassing van deze bepaling en bestaat, als wel aan die eisen zou zijn voldaan, geen verplichting tot afgifte omdat zich in het onderhavige geval de gronden voor weigering van afgifte voordoen bedoeld in het vierde lid van die bepaling.

2.5 Bij de beoordeling van het onderhavige geschil in het incident neemt het hof als uitgangspunt dat voor toewijzing van een vordering op de voet van artikel 843a lid 1 Rv slechts plaats is indien degeen die een dergelijke vordering instelt daarbij een rechtmatig belang heeft, de bescheiden voldoende bepaald zijn en het bescheiden betreft aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

2.6 In het onderhavige geval gaat het om een vordering van Enschedé tot volledige inzage van een tweetal stukken die haar al eerder gedeeltelijk zijn toegezonden, te weten het Convenant en de Nota Kostenverhaal. De bescheiden zijn daarom voldoende bepaald in de zin van voornoemd artikel.

2.7 Het hof stelt, voorts, voorop dat Enschedé in beginsel bij haar vordering een rechtmatig belang heeft in de zin van artikel 843a lid 1 Rv, nu zij die vordering tot inzage, kort gezegd, hierop baseert dat zij er belang bij heeft de volledige tekst van het Convenant alsmede de bijlagen bij de Nota Kostenverhaal in te zien in verband met haar stelling dat de Gemeente geen schade lijdt als gevolg van verontreiniging wanneer de kosten ter zake niet door haar maar door anderen (de Staat en/of de provincie Noord-Holland) worden gedragen, waarmee de basis aan de vordering van de Gemeente tot vergoeding van die schade komt te ontvallen. Het standpunt van de Gemeente dat Enschedé geen rechtmatig belang heeft bij haar vordering omdat daarvoor ten minste is vereist dat het moet gaan om een bewijsmiddel waarvan de inhoud aan een partij in beginsel wel bekend is maar dat zij niet onder zich heeft (en de inhoud van de niet aan Enschedé openbaar gemaakte passages uit de twee stukken aan Enschedé niet bekend is), wordt door het hof verworpen, omdat deze regel – zo deze niet reeds in zijn algemeenheid als onjuist moet worden aangemerkt – in elk geval niet voor toepassing op een geval als het onderhavige in aanmerking komt. Voor zover de Gemeente stelt dat Enschedé geen rechtmatig belang bij haar vordering heeft omdat zowel het Convenant als de bijlagen bij de Nota Kostenverhaal uitsluitend betrekking heeft op de bodem onder het Enschedé-complex zelf en niet op die onder omliggende terreinen die aan de Gemeente toebehoren (in het bijzonder de bodem onder de Bakenessergracht), kan het hof de Gemeente hierin evenmin volgen, omdat uitsluitend door kennisneming van de volledige inhoud van de desbetreffende stukken kan worden vastgesteld of dit al dan niet het geval is.

2.8 De Gemeente heeft verder de stelling betrokken dat de twee stukken waar het hier om gaat geen bescheiden zijn aangaande een rechtsbetrekking waarin Enschedé of haar rechtsvoorgangers partij zijn als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv. De Gemeente heeft gesteld dat in dit verband is vereist dat de eiser partij is bij de documenten waarom hij verzoekt en dat in het onderhavige geval aan die eis niet is voldaan omdat Enschedé geen partij is bij het Convenant en evenmin als partij kan worden aangemerkt bij de Nota Kostenverhaal en de (daarbij behorende) bijlagen. Hieromtrent overweegt het hof dat tussen partijen vaststaat dat beide documenten, die zich in de macht van de Gemeente bevinden, (bij uitstek althans mede) betrekking hebben op de rechtsverhouding tussen de Gemeente en Enschedé, bestaande uit een (vermoede) onrechtmatige daad van Enschedé jegens de Gemeente en een daarop gebaseerde schadevordering van de Gemeente. Daarmee is aan het onderhavige vereiste voldaan, welk oordeel impliceert dat het hof de opvatting van de Gemeente omtrent de uitleg van (dit aspect van) deze bepaling niet volgt.

2.9 De Gemeente heeft, ten slotte, gesteld dat zij niet is gehouden aan de vordering van Enschedé te voldoen omdat daarvoor gewichtige redenen bestaan, en heeft aldus een beroep gedaan op het bepaalde in het vierde lid van artikel 843a Rv. Meer in het bijzonder heeft de Gemeente op dit punt gesteld dat zij het recht heeft afgifte van de (ontbrekende gedeeltes van de) beide stukken te weigeren gezien haar financiële en economische belangen en de belangen van derden (bedrijven wier identiteit en rechtspositie niet dient te worden onthuld) en dat de procedure van artikel 843a Rv niet tot een verplichting tot inzage en afschriften van documenten kan leiden waarvan de openbaarmaking op grond van de Wob (tot dusverre) is geweigerd.

2.10 Het hof stelt het volgende voorop. De rechter die gesteld wordt voor de vraag of gewichtige redenen geheimhouding met betrekking tot bepaalde stukken (of gedeelten daarvan) of bepaalde inlichtingen rechtvaardigen, zal die vraag in het algemeen niet kunnen beantwoorden zonder kennis te nemen van die stukken of die inlichtingen. De rechter zal dan ook kunnen verlangen dat de partij die zich op de gewichtige redenen beroept, daartoe medewerking verleent door uitsluitend hem ter vertrouwelijke kennisneming de desbetreffende inlichtingen te verstrekken of de stukken (eventueel alleen ter inzage) te verschaffen. Mocht de rechter, na kennisneming van de inlichtingen of stukken, tot het oordeel komen dat geheimhouding om gewichtige redenen gerechtvaardigd is, dan vervalt de verplichting tot het geven van die inlichtingen of het overleggen van die stukken. Wel kan de partij die op grond van dit oordeel niet verplicht is tot het geven van die inlichtingen of het overleggen van die stukken, desgewenst mededelen dat, met het oog op de beoordeling van de vordering, uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van de van haar verlangde inlichtingen of stukken. De rechter zal evenwel in dat geval niet mede op grond van die inlichtingen of stukken uitspraak mogen doen dan nadat de wederpartij ondubbelzinnig toestemming daartoe heeft verleend. De rechter die het geding verder behandelt, zal uit het niet verlenen van die toestemming de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht. In het geval dat de eerder bedoelde mededeling niet door eerstgenoemde partij wordt gedaan, of dat bedoelde toestemming niet door haar wederpartij wordt verleend, dan wel in het geval dat de rechter heeft geoordeeld dat geen gewichtige redenen aanwezig zijn voor de weigering doch de betrokken partij daarin volhardt, brengen de eisen van een behoorlijke rechtspleging mee dat de rechter die over de geheimhouding heeft beslist en in dat verband heeft kennisgenomen van de betrokken stukken of inlichtingen, niet deelneemt aan de verdere behandeling van het geding. Eventueel aan deze rechter ter beschikking gestelde stukken worden aan de partij die ze heeft verstrekt teruggegeven (vgl. HR 11 juli 2008, NJ 2009, 451).

2.11 Voor zover de Gemeente heeft gesteld dat de procedure van artikel 843a Rv niet tot een verplichting tot inzage en afschriften van documenten kan leiden waarvan de openbaarmaking op grond van de Wob (tot dusverre) is geweigerd verwerpt het hof dit betoog. In een procedure als de onderhavige gaat het immers om de toegang van partijen tot voor die procedure relevante informatie, terwijl het in een Wob-procedure gaat om de aan een ieder toekomende aanspraak op publieke openbaarheid. Dit betekent dat de beslissing in een Wob-procedure op zichzelf niet beslissend is voor de invulling van het begrip "gewichtige redenen" als bedoeld in het vierde lid van voornoemde bepaling, zodat het niet aangewezen is om – zoals Enschedé (in haar memorie na tussenarrest onder 2.8.3) naar voren heeft gebracht – de uitspraak in het onderhavige incident en de procedure in de hoofdzaak op te schorten totdat de bestuursrechter met betrekking tot het Wob-verzoek onherroepelijk uitspraak zal hebben gedaan.

2.12 De vraag of de gronden die de Gemeente in het onderhavige geval heeft aangevoerd als gewichtige reden voor geheimhouding (haar financiële en economische belangen en die van derden, te weten bedrijven wier identiteit en rechtspositie niet dient te worden onthuld) geheimhouding met betrekking tot de ontbrekende gedeeltes uit de desbetreffende stukken rechtvaardigen, kan door het hof niet worden beantwoord zonder kennis te nemen van ook die ontbrekende gedeeltes uit die stukken. Het hof zal de Gemeente dan ook bevelen dat zij daartoe medewerking verleent door uitsluitend het hof ter vertrouwelijke kennisneming de volledige inhoud van de desbetreffende stukken te verschaffen. Daarna zal het hof, alvorens het beroep van de Gemeente op geheimhouding ervan te beoordelen, allereerst bezien of, zoals de Gemeente heeft gesteld, de ontbrekende gedeeltes van deze stukken uitsluitend betrekking hebben op de bodem onder het Enschedé-complex zelf en niet op die onder omliggende terreinen die aan de Gemeente toebehoren (in het bijzonder de bodem onder de Bakenessergracht). Is dit niet of niet volledig het geval, dan zal het hof aan de hand van een afweging van de belangen in de concrete omstandigheden van het onderhavige geval beoordelen of de belangen die de Gemeente heeft aangevoerd voor haar beroep op vertrouwelijkheid zwaarder moeten wegen dan het zwaarwegende maatschappelijke belang dat in rechte de waarheid aan het licht komt.

2.13 Daarbij tekent het hof aan dat voor zover de Gemeente ook in dit verband heeft gesteld dat alleen documenten waarvan de inhoud bekend is moeten worden overgelegd, dit betoog niet kan slagen op de hiervoor (onder 2.7) genoemde grond.

2.14 Voor zover de Gemeente heeft gesteld dat zij niet is gehouden de ontbrekende gedeeltes van de beide stukken ter inzage aan Enschedé te geven omdat, in de bewoordigen van artikel 843a lid 4 Rv, een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd, met name omdat de gevorderde documenten geen betrekking hebben op de verontreiniging en sanering van de Bakenessergracht en omgeving - waarover het in de procedure thans alleen nog gaat -, kan het hof de Gemeente evenmin in haar betoog volgen, omdat – zoals het hof eveneens hiervoor (onder 2.7) heeft overwogen - uitsluitend door kennisneming van de inhoud van (de ontbrekende gedeeltes van) de desbetreffende stukken kan worden vastgesteld of dit al dan niet het geval is.

2.15 Het hof zal elke verdere beslissing aanhouden.

3. De beslissing

Het hof:

in het incident:

beveelt de Gemeente om uitsluitend het hof ter vertrouwelijke kennisneming de volledige inhoud van het Convenant en de Nota Kostenverhaal te verschaffen, en wel door middel van toezending van beide stukken (met eventuele bijlagen) – uiterlijk binnen vier weken na de datum van deze uitspraak - aan de griffier van de Eerste Meervoudige Burgerlijke Kamer van het hof;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, G.J. Visser en A.M.A. Verscheure en op 27 december 2011 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.