Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9528

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
200.073.401-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tweede tussenarrest (voortzetting van hof Amsterdam 20 september 201: BT2727) inzake vergoeding voor 'artiestenmanagement'. Vraag of ook na de beëindiging van dit management nog aanspraak bestaat op een percentage van inkomsten uit (nog lopende) sponsorovereenkomsten. Bewijslast van de gewezen manager die dit stelt, doch het ter afwering van de vordering gedane beroep op een regeling waarbij volledig zou zijn afgerekend is een bevrijdend verweer, zodat de wederpartij daarvan de bewijslast draagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LOS B.V.

gevestigd te Haarlem,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.N. Mense te Haarlem.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof heeft in deze zaak op 20 september 2011 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat tussenarrest (hierna: het tussenarrest). Partijen worden hierna wederom aangeduid als [appellant] en Los B.V., de bestuurder/aandeelhouder van Los B.V. als [G.].

1.2 Bij gelegenheid van de in het tussenarrest bepaalde comparitie van partijen kon geen minnelijke regeling worden bereikt, en heeft [appellant] zijn aanbod bewijs van de aan zijn vorderingen ten grondslag liggende stellingen te leveren nader gespecificeerd. Daarop is de zaak naar de rol van heden verwezen voor arrest, onder mededeling dat het hof thans eerst op dit bewijsaanbod heeft te beslissen.

2. De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1 Zoals in het tussenarrest reeds overwogen, staat tussen partijen vast dat tot medio juli 2008 een contractuele relatie tussen hen heeft bestaan die te maken had met het te gelde maken van de door sportieve prestaties bekend geworden naam van [G.], en ook dat [appellant] uit dien hoofde werkzaamheden heeft verricht, maar is tussen partijen in geschil wat die werkzaamheden hebben ingehouden met betrekking tot de door Los B.V. en/of [G.] gesloten sponsorcontracten, en verschillen zij ook van mening over de aard/hoogte van de overeengekomen beloning voor die werkzaamheden.

2.2 Onder verwijzing naar hetgeen in het tussenarrest voorts nog werd overwogen, oordeelt het hof dat [appellant], teneinde zijn vordering te doen slagen, met name zal moeten bewijzen:

- dat Los B.V. zich jegens [appellant] heeft verbonden een commissie te betalen ter grootte van een percentage van de inkomsten die [G.], althans Los B.V., zouden verkrijgen uit sponsorcontracten die tot stand zijn gekomen in de periode waarin [appellant] voor Los B.V. het “artiestenmanagement” voerde;

- dat deze door Los B.V. aanvaarde betalingsverplichting voortduurt zolang [G.], althans Los B.V., inkomsten verkrijgen uit sponsorcontracten die in de zojuist bedoelde periode tot stand zijn gekomen, waarbij niet uitmaakt dat de contractuele band tussen [appellant] en Los B.V. inmiddels is verbroken;

- dat uit hoofde van de sponsorcontracten € 64.513,64 aan commissie opeisbaar is geworden.

2.3 In dit verband merkt het hof, ter vermijding van misverstanden, op dat de tekst in de voorgaande overweging bij het laatste gedachtestreepje niet inhoudt dat het hof terugkomt van overweging 3.9, laatste volzin, van het tussenarrest. Dat betekent dat ook nog moet worden onderzocht of voor die vorderingen al geheel of gedeeltelijk een regeling is getroffen. De bewijslast ten aanzien van de inhoud van die regeling rust op Los B.V. In dit stadium van het geding is het doelmatig [appellant] meteen de gelegenheid te bieden te onderbouwen welke van de aan zijn kant opeisbaar geworden vorderingen niet zijn meegenomen in het overzicht – opgesteld door een toenmalige medewerkster van [appellant] – op basis waarvan in juli 2008 is afgerekend.

2.4 Het hof zal [appellant] tot bewijs van zijn hiervoor genoemde stellingen toelaten, overeenkomstig diens daartoe strekkend aanbod en op de wijze zoals hierna bepaald. Alle verdere beslissingen zal het hof aanhouden.

3. Beslissing

Het hof:

laat [appellant] toe tot het bewijs van diens stellingen zoals hiervoor, onder 2.2 en onder 2.3, laatste volzin, vermeld;

bepaalt dat getuigen zullen worden gehoord door het lid van deze kamer mr. E.M. Polak, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris, die daartoe op dinsdag 6 maart 2012 des namiddags te 13.30 uur zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam;

bepaalt dat partijen tot twee weken na de uitspraakdatum van dit arrest schriftelijk aan het enquêtebureau van de griffie van dit hof kunnen meedelen dat zij of de getuigen verhinderd zijn op het zojuist genoemde tijdstip te verschijnen, onder opgave van de verhinderdagen van beide partijen en de getuigen in de daaropvolgende drie maanden, in welk geval met inachtneming van die verhinderdagen een nieuw tijdstip voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Wortel, G.B.C.M. van der Reep en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 december 2011.