Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9518

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
200.078.726-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkoop auto? Mogelijk ontbreken toestemming bewindvoerder wordt koper niet tegengeworpen. Geen misbruik van omstandigheden. Koopprijs reëel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANTE ],

wonende te [ woonplaats ],

APPELLANTE,

advocaat: mr. P.H. Visser te Wormerveer,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonende te [ woonplaats ], gemeente [ ],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J. de Haan te Alkmaar.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna (ook) [ Appellante ] en [ Geïntimeerde ] genoemd.

Bij dagvaarding van 9 december 2010 is [ Appellante ] in hoger beroep gekomen van twee vonnissen van de rechtbank Alkmaar van 30 september 2009 (het “tussenvonnis”) en 15 september 2010 (het “eindvonnis”), in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 107183 / HA ZA 08-991 gewezen tussen haar als eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie en [ Geïntimeerde ] als gedaagde, tevens eiser in voorwaardelijke reconventie.

Bij memorie van grieven heeft [ Appellante ] vijf grieven tegen de vonnissen aangevoerd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, haar vordering zal toewijzen, met veroordeling van [ Geïntimeerde ] in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft [ Geïntimeerde ] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal bekrachtigen.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

2.1 De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.5, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan. Met grief I klaagt [ Appellante ] erover dat de rechtbank sommige feiten niet als vaststaand heeft aangemerkt, doch daarmee miskent zij dat het de rechtbank vrijstond slechts die feiten op te nemen die zij aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd.

2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2.1. [ Appellante ] heeft op of omstreeks 10 maart 2008 met haar toenmalige echtgenoot met wie zij in gemeenschap van goederen was gehuwd, een personenauto Citroen C5 (hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 11.000,--. [ Appellante ] heeft zelf geen rijbewijs.

2.2.2. De echtgenoot van [ Appellante ] is sedert 27 maart 2008 gedetineerd en op 16 september 2008 wegens moord/doodslag veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.

2.2.3. [ Appellante ] is door de aanhouding van haar echtgenoot volkomen overstuur geraakt en voor psychiatrische behandeling opgenomen geweest in het MCA tot eind april 2008.

2.2.4. [ Geïntimeerde ], oud-politieman, is een kennis van [ Appellante ] en genoot als zodanig haar vertrouwen. Hij heeft in de periode april tot en met juni 2008 [ Appellante ] hulp en steun geboden en van alles voor haar geregeld.

2.2.5. [ Geïntimeerde ] is de auto in mei 2008 gaan gebruiken en heeft hem sindsdien onder zich. De auto is op 3 mei 2008 op zijn naam gezet.

3. Beoordeling

3.1 [ Appellante ] vordert – samengevat - dat [ Geïntimeerde ] wordt bevolen tot afgifte van de auto, op straffe van verbeurte van een dwangsom, dat [ Geïntimeerde ] wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding aan [ Appellante ] van € 400,-- per maand vanaf 16 september 2008 en, voor zover mocht blijken dat een koopovereenkomst tussen [ Appellante ] en [ Geïntimeerde ] met betrekking tot de auto is gesloten, dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomst nietig is, althans deze wordt vernietigd, althans wordt verklaard dat [ Geïntimeerde ] te goeder trouw geen beroep op de overeenkomst toekomt, subsidiair dat de overeenkomst wordt ontbonden voor wat betreft de koopprijs en die koopprijs op € 10.000,-- althans op een reële dagwaarde te stellen en dat [ Geïntimeerde ] wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag met rente.

3.2 In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen krachtens welke de auto voor € 5.000,-- aan [ Geïntimeerde ] is verkocht en is [ Geïntimeerde ] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat die koopprijs te laag is geweest. Nadat [ Geïntimeerde ] getuigenbewijs heeft geleverd heeft de rechtbank in het eindvonnis geoordeeld dat [ Geïntimeerde ] in het leveren van tegenbewijs is geslaagd. De rechtbank heeft daarop de vorderingen van [ Appellante ] afgewezen. Tegen die oordelen en de gronden waarop deze berusten, richt zich het hoger beroep van [ Appellante ].

3.3 Met grief II richt [ Appellante ] zich tegen de overwegingen in het tussenvonnis op grond waarvan tot het bestaan van een koopovereenkomst is geconcludeerd. De grief faalt. Het hof overweegt daarover als volgt.

3.3.1. [ Geïntimeerde ] heeft gemotiveerd aangevoerd dat en waarom de auto aan hem is verkocht en dat hij de koopprijs van € 5.000,-- contant heeft betaald in het bijzijn van [ E ]. Hij heeft zijn betoog onderbouwd met verschillende schriftelijke bescheiden, zoals de opzegging van de verzekering door [ Appellante ] (waarin met zoveel woorden staat vermeld dat de auto is verkocht) en een verklaring van [ E ]. Ook in hoger beroep heeft [ Appellante ] het gemotiveerde en onderbouwde betoog van [ Geïntimeerde ] onvoldoende betwist. Dat een schriftelijke koopovereenkomst van een auto alsmede een bewijs van betaling ontbreekt, is als zodanig onvoldoende om het bewijs van die transactie en betaling niet geleverd te achten, indien zulks – zoals in dit geval – door andere bewijsmiddelen kan worden vastgesteld. Ook indien [ Geïntimeerde ] andere transacties die hij is aangegaan wel met kwitanties kan onderbouwen maakt dat nog niet, dat uit het ontbreken van een overeenkomst of een kwitantie ter zake van de auto afgeleid kan worden dat de auto niet door hem is gekocht of betaald. Dat [ Appellante ], door het wegvallen van de inkomsten van haar echtgenoot, de kosten van de auto niet meer kon opbrengen en dat zij zelf geen rijbewijs heeft onderbouwt als zodanig niet dat de auto, zoals zij aanvoert, slechts aan [ Geïntimeerde ] in bewaring is gegeven totdat er duidelijkheid was over de veroordeling en duur van de detentie van haar echtgenoot: deze feiten en omstandigheden laten zich immers evenzeer verenigen met een (latere) verkoop van de auto aan [ Geïntimeerde ]. Ook het feit dat [ Appellante ] nog over een bewijs van overschrijving en een sleutel van de auto beschikt baat haar niet, gezien de – reeds in eerste aanleg – voor die feiten verstrekte verklaring van [ Geïntimeerde ], die [ Appellante ] niet heeft weerlegd. Hetgeen [ Appellante ] voor het overige nog heeft gesteld (zoals beweerde innerlijke tegenstrijdigheden in de verklaring van [ E ]) is, ter bestrijding van het gemotiveerde verweer van [ Geïntimeerde ], onvoldoende.

3.4 Met grief III stelt [ Appellante ] de aantastbaarheid van de koopovereenkomst aan de orde op verschillende grondslagen.

3.4.1. Voor zover [ Appellante ] aanvoert dat voor de verkoop van de auto toestemming van haar bewindvoerder was vereist, die ontbrak, heeft zij ook in hoger beroep het ontbreken van die toestemming niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een verklaring van haar bewindvoerder. Reeds op die grond faalt haar betoog. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat de toestemming inderdaad heeft ontbroken geldt overigens krachtens artikel 1:439, tweede lid, BW dat dit de verkrijger slechts kan worden tegengeworpen indien de verkrijger het bewind kende of behoorde te kennen. [ Appellante ] stelt weliswaar dat [ Geïntimeerde ] wist dat zij onder bewind stond, maar heeft dit niet onderbouwd, noch bewijs van die stelling aangeboden, terwijl [ Geïntimeerde ] gemotiveerd heeft aangevoerd en onderbouwd dat hij ten tijde van de verkoop van de auto niet van haar bewind op de hoogte was. Dat de koopprijs voor de auto klaarblijkelijk te laag was, zoals [ Appellante ] stelt, is onvoldoende ter onderbouwing van het standpunt dat [ Geïntimeerde ] het bewind kende of behoorde te kennen.

3.4.2. [ Appellante ] stelt voorts dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden. In dat verband voert [ Appellante ] (bij deze grief alsmede bij de toelichting op grief V) aan, samengevat, dat zij in die periode kwetsbaar was, dat zij geen verstand heeft van auto’s, dat [ Geïntimeerde ] wist van haar problemen, dat zij de lasten van de auto niet kon dragen en dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn vertrouwenspositie door (terwijl hij de prijs kende waarvoor de auto recent was gekocht) de koopprijs op € 5.000,00 te bepalen zonder eerst de waarde van de auto door een onafhankelijke deskundige te laten vaststellen.

3.4.3. De rechtbank heeft het oordeel over de vraag, of onder deze omstandigheden sprake was van misbruik van omstandigheden, terecht afhankelijk gesteld van de vraag, of de koopprijs van € 5.000,-- in de buurt kwam van de dagwaarde. Zo ja, dan valt immers niet in te zien waarom het kopen van een auto voor een reëel bedrag van [ Appellante ], die in financiële moeilijkheden verkeerde en de auto niet zelf kon besturen, als misbruik van omstandigheden zou moeten gelden. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de koopprijs van € 5.000,-- reëel was, en – zoals uit het hierna volgende blijkt - de tegen dat oordeel gerichte grieven falen, is het beroep op misbruik van omstandigheden ook in hoger beroep vergeefs voorgesteld.

3.4.4. Dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens dwaling dan wel bedrog is ook in hoger beroep door [ Appellante ] niet verder toegelicht, laat staan onderbouwd, zodat ook aan dit betoog zal worden voorbijgegaan. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat [ Geïntimeerde ] niet te goeder trouw een beroep op de overeenkomst zou mogen doen, nu hetgeen zij heeft aangevoerd die conclusie niet kan dragen.

3.4.5. De slotsom luidt dat ook grief III faalt.

3.5 Grief IV van [ Appellante ] betreft een aantal oordelen van de rechtbank omtrent de bewijslastverdeling en het door [ Appellante ] geleverde tegenbewijs. Ook deze grief faalt.

3.5.1. Hetgeen [ Appellante ] ter bestrijding van de juistheid van de bewijslastverdeling aanvoert, miskent dat de rechtbank, na te hebben vastgesteld dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand was gekomen, is overgegaan tot onderzoek van [ Appellante ]’s standpunt dat deze koopovereenkomst aantastbaar was op grond van misbruik van omstandigheden, in welk verband zij erop had gewezen dat de koopprijs van € 5.000,--, gezien de recente aanschafprijs van de auto, veel te laag was. Van het bewijs van deze stelling draagt, ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv, in beginsel [ Appellante ] de bewijslast.

3.5.2. De rechtbank heeft deze stelling van [ Appellante ] vervolgens voorshands bewezen geacht en [ Geïntimeerde ] toegelaten tegenbewijs te leveren. Nu de bewijslast op [ Appellante ] rustte, gold [ Geïntimeerde ] krachtens artikel 179 lid 4 Rv niet als partijgetuige, zodat de bewijskracht van de door hem als getuige afgelegde verklaring niet aan de in dat artikel vermelde beperkingen onderhevig is. De rechtbank heeft mitsdien terecht [ Geïntimeerde ] niet als partijgetuige aangemerkt.

3.5.3. Volgens vaste rechtspraak is het voor het leveren van tegenbewijs ten slotte voldoende dat door het tegenbewijs de juistheid van de voorshands bewezen stelling wordt ontzenuwd. De rechtbank heeft aldus een juiste maatstaf aangelegd.

3.6 Met grief V komt [ Appellante ] ten slotte op tegen de waardering door de rechtbank van het door [ Geïntimeerde ] geleverde tegenbewijs.

Zij voert in dit verband aan dat [ Geïntimeerde ] weliswaar meende dat de waarde van de auto reëel was in verband met een vermeend effect aan de turbo waarvan de reparatie circa € 2.000,-- zou kosten, doch dat is gebleken dat het werkelijk defect voor € 113,23 is verholpen. Het hof constateert dat uit de verklaring van [ Geïntimeerde ] alsmede van getuige [ H ] (garagehouder) volgt dat [ Geïntimeerde ] in redelijkheid mocht menen dat de auto een kostbaar probleem met de turbo had, dat € 5.000,-- voor de auto ook zonder defect reëel was en dat aanmerkelijk verschil bestaat tussen prijzen voor auto’s bij particulieren en bij handelaren (waar [ Appellante ] heeft gekocht). [ Appellante ] voert nog aan dat [ D ] (de ex-echtgenoot van [ Appellante ]) als leraar autotechniek uiterst deskundig zou zijn op het vlak van prijzen, maar uit [ Di ]’s verklaring volgt juist dat hij als autotechnicus wel verstand heeft van auto’s, maar geen verkoper was, dus niet speciaal verstand heeft van prijzen. Het hof acht diens verklaring dan ook niet van doorslaggevend belang. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat het tegenbewijs is geleverd. Grief V faalt.

4. Slotsom en kosten

Nu de grieven falen en ook overigens geen grond bestaat voor vernietiging van het bestreden vonnis, zal dit worden bekrachtigd. [ Appellante ] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van rechtbank Alkmaar met zaak-/rolnum¬mer 107183 / HA ZA 08-991;

verwijst [ Appellante ] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [ Geïntimeerde ] gevallen, op € 280,-- wegens verschotten en € 894,-- aan kosten advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.C. Meijer en C.C.W. Lange en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 oktober 2011 door de rolraadsheer.