Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9333

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
200.085.981-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te hoge pensioenuitkeringen berekend en betaald.

Geen gerechtvaardigd vertrouwen gewekt. Geen omstandigheden waardoor het onaanvaardbaar zou zijn pensioenuitkeringen te verlagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/18
AR-Updates.nl 2011-1086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2011

GERECHTSHOF AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ M ], gemeente [ ]

APPELLANT,

advocaat: mr. M.N. Koenes te Tilburg,

t e g e n

de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS VAN DE METALEKTRO,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J. Los te Nieuwegein.

De partijen worden hierna [ Appellant ] en de stichting genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 11 april 2011 is [ Appellant ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 februari 2011 van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem (verder: de kantonrechter), in deze zaak onder zaak/rolnum¬mer 477954/CV EXPL 10-10642 gewezen tussen [ Appellant ] als eiser en de stichting als gedaagde.

[ Appellant ] heeft bij memorie vijf grieven aangevoerd, een productie overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn vordering alsnog zal toewijzen.

De stichting heeft daarop bij memorie de grieven bestreden, een productie overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de vorderingen van [ Appellant ] zal afwijzen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [ Appellant ] in de kosten van beide instanties.

Ten slotte hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje ‘de feiten’ een aantal feiten vermeld. De juistheid van deze feiten is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen.

3. Beoordeling

3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1. [ Appellant ] heeft uit hoofde van een vroeger dienstverband deelgenomen aan de verplicht gestelde pensioenregeling in de bedrijfstak Metalektro. De pensioenregeling, zoals afgesproken door de sociale partners in de bedrijfstak, is vastgelegd in diverse pensioenreglementen. De stichting voert de pensioenregeling uit.

3.1.2. De stichting heeft bij brief van 17 augustus 2006 aan [ Appellant ] meegedeeld dat hem ingevolge het pensioenreglement per 1 december 2006 een ouderdomspensioen is toegekend van € 29.671,08 bruto per jaar. Nadat [ Appellant ], naar aanleiding van eerder aan hem verstrekte pensioenoverzichten, aan de stichting had verzocht zijn pensioenuitkering te verhogen, heeft de stichting hem bij brief van 5 december 2006 meegedeeld dat de opgave van augustus 2006 juist is. De stichting heeft in januari 2007 aan [ Appellant ] meegedeeld dat zijn pensioen per 1 januari 2007 nader was vastgesteld op € 30.181,56 bruto per jaar en in januari 2008 dat zijn pensioen per 1 januari 2008 nader was vastgesteld op € 30.827,88 bruto per jaar en dat laatstgenoemd bedrag neerkomt op een pensioen van € 2.572,74 bruto en € 2.068,45 netto per maand.

3.1.3. De stichting heeft [ Appellant ] tot februari 2008 pensioen uitgekeerd conform bovenstaande mededelingen.

3.1.4. De stichting heeft [ Appellant ] bij brief van 10 februari 2008 meegedeeld dat zijn pensioen voor de maand februari 2008 € 2.162,61 bruto en € 1.777,32 netto zou bedragen. De brief bevatte geen nadere toelichting. [ Appellant ] heeft bezwaar gemaakt tegen de verlaging van zijn pensioen. De stichting heeft daarop bij brief van 28 februari 2008 aan [ Appellant ] geschreven dat de aanvulling minimumpensioen verkeerd was berekend en dat hij daardoor vanaf zijn 65e een te hoge pensioenuitkering had gekregen. De stichting heeft daarbij aan [ Appellant ] meegedeeld dat hij niets hoefde terug te betalen en dat hij vanaf februari 2008 een lagere pensioenuitkering zou krijgen.

3.1.5. [ Appellant ] heeft vanaf februari 2008 pensioen van de stichting ontvangen overeenkomstig het in de brief van 10 februari 2008 gestelde.

3.2. [ Appellant ] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd de stichting uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot het levenslang uitkeren aan hem van het ouderdomspensioen zoals is vastgesteld op 17 augustus 2006 alsmede het partnerpensioen vast te stellen op 70% daarvan, onder aanpassing van die pensioenen aan de jaarlijkse indexaties, met nabetaling van de gemiste uitkeringen vanaf 1 februari 2008, te vermeerderen met wettelijke rente en met buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van de stichting in de proceskosten van beide instanties. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij erop mocht vertrouwen dat het aan hem toegekende en reeds ingegane ouderdomspensioen juist was berekend en niet zou worden verlaagd. Hij heeft, zo stelt hij, zijn financiële huishouding ingericht op grond van de informatie die de stichting hem eerder had verstrekt. De kantonrechter heeft de vordering van [ Appellant ] afgewezen op gronden als in het bestreden vonnis weergegeven.

3.3. De grieven richten zich tegen die afwijzing en tegen de overwegingen die daartoe hebben geleid, en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling van die grieven heeft het volgende te gelden.

3.4. [ Appellant ] heeft niet langer betwist dat de pensioenuitkeringen die hij vanaf februari 2008 ontvangt juist zijn berekend. Dat betekent dat tussen partijen vaststaat dat [ Appellant ] vanaf dat moment de pensioenuitkering krijgt uitbetaald waarop hij ingevolge de geldende pensioenreglementen recht heeft. De stichting is dan ook in beginsel niet gehouden hem meer uit te keren dan zij thans doet. Dat houdt tevens in dat de stichting in beginsel, zoals in het geval van [ Appellant ] is gebeurd, gerechtigd was de te hoog vastgestelde pensioenuitkering te verlagen tot het volgens de reglementen juiste bedrag. Dat zou slechts anders zijn indien en voor zover het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de lager vastgestelde uitkering te betalen.

3.5. [ Appellant ] heeft zich in de eerste plaats beroepen op de herhaalde mededelingen van de zijde van de stichting omtrent de hoogte van zijn pensioenuitkeringen. Uit de feiten zoals onder 3.1.2 weergeven blijkt inderdaad dat de stichting [ Appellant ] meermalen verkeerd heeft geïnformeerd over de hoogte van zijn pensioen. Dat betekent evenwel niet dat [ Appellant ] erop mocht vertrouwen dat hij de in die informatie genoemde pensioenuitkeringen zou (blijven) ontvangen. De hoogte van die pensioenuitkeringen wordt immers vastgesteld op grond van de pensioenreglementen, zoals hem ook bij brief van 17 juni 2006 is meegedeeld. Dat betekent dat [ Appellant ] aan de mededelingen geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen omtrent de hoogte van zijn pensioen. De foutieve mededelingen kunnen evenmin, op zichzelf beschouwd, worden gezien als een omstandigheid waardoor het onaanvaardbaar zou zijn om de pensioenuitkering te verlagen.

3.6. Dat zou mogelijk anders kunnen zijn als [ Appellant ] op grond van die mededelingen onomkeerbare financiële verplichtingen zou zijn aangegaan. Daarvan is echter niet concreet gebleken. [ Appellant ] heeft in dit verband gesteld dat een teruggang in inkomen van 15% ernstig is en lopende verplichtingen in gevaar brengt. Hij heeft voorts in algemene termen aangevoerd dat hij zijn financiële huishouding heeft ingericht op grond van de foute mededelingen. Hij heeft aldus echter niet aangevoerd dat hij bepaalde concrete verplichtingen is aangegaan naar aanleiding van het foutief berekende pensioen, die hij niet zou kunnen nakomen als hij minder pensioen ontvangt dan hem in het vooruitzicht was gesteld.

3.7. [ Appellant ] heeft daarnaast nog erop gewezen dat de stichting hem ten onrechte geen termijn heeft gegeven om de inkomensachteruitgang op te vangen, althans dat de stichting hem niet (tijdig) heeft meegedeeld dat een fout was gemaakt dan wel niet heeft uitgelegd waaruit de fout bestond. Onder 3.1.4 is overwogen dat de stichting [ Appellant ] op 10 februari 2008 heeft meegedeeld dat zijn pensioenuitkering zou worden verlaagd. [ Appellant ] heeft dat ook zo begrepen, zo blijkt uit het feit dat hij daartegen heeft geprotesteerd. De stichting heeft vervolgens bij haar brief van 28 februari 2008 kort aangegeven waaruit de fout bestond. Deze gang van zaken geeft geen grond om de stichting gehouden te achten ook in of na februari 2008 de te hoge pensioenuitkering aan [ Appellant ] te betalen. [ Appellant ] wist immers vanaf die maand waar hij aan toe was. [ Appellant ] heeft voor het overige niet concreet aangegeven welke verplichtingen hij zou moeten afbouwen. [ Appellant ] heeft dan ook onvoldoende aangevoerd om de stichting gehouden te achten om hem een overgangstermijn te gunnen.

3.8. Hetgeen [ Appellant ] voor het overige heeft aangevoerd kan niet tot het oordeel leiden dat zijn vordering geheel of deels dient te worden toegewezen. Dat betekent dat de grieven falen.

3.9. Partijen hebben geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die tot andere beslissingen zouden kunnen leiden. De bewijsaanbiedingen zullen dan ook worden gepasseerd.

3.10. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [ Appellant ] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof ziet in de memorie van antwoord van de stichting geen incidenteel hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst [ Appellant ] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van de stichting gevallen, op € 1.769,- aan verschotten en € 894,- voor salaris advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, R.J.M. Smit en A.M.A. Verscheure en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 december 2011.