Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8959

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
200.071.643-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Totstandkoming overeenkomst. De offerte kan ondanks het gebruik van het woord "vrijblijvend" als aanbod worden aangemerkt. De bijschrijvingen op de offerte gelden niet als nieuw aanbod. De rechtbank heeft terecht na getuigenbewijs geoordeeld dat de overeenkomst is tot stand gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.071.643/01

30 augustus 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats], gemeente [H.],

APPELLANTE,

advocaat: mr. R.H. Kuiper te Zoetermeer,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEÏNTIMEERDE],

gevestigd te Heerenveen,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. H.D.M. Brandsma te Heerenveen.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Haarlem van 9 september 2009 en 21 april 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnummer

152335 / HA ZA 08-1511 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven tegen de vonnissen aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de vonnissen zal vernietigen en alsnog de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep.

Ten slotte hebben partijen arrest op de stukken gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 De rechtbank heeft in het vonnis van 9 september 2009 onder rov. 2.1 tot en met 2.10 feiten vastgesteld. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. In 2007 hebben partijen overleg gevoerd over een door [geïntimeerde] in opdracht van [appellant] te bouwen woonark. Zijdens [geïntimeerde] werd het overleg (mede) gevoerd door [S.], toenmalig verkoopmedewerker van [geïntimeerde] (hierna: [S.]).

b. [geïntimeerde] heeft [appellant] een informatiemap doen toekomen met een begeleidende brief 24 september 2007.

Deze brief vermeldt:

"(...)

We spraken al met u over een woonark in enkele en dubbele uitvoering. Op basis van een door u aangeleverde indicatieve schets hebben we voor u een prijsberekening gemaakt.

Verderop in deze map vindt u een uitgebreide vrijblijvende offerte met specificaties. Een en ander op basis van de schets en door u per e-mail aangegeven wensen. Tevens is een prijsopgave van Aquabouw bijgevoegd.

De in deze offerte genoemde bedragen zijn geldig tot 2 maanden na dagtekening van deze offerte. Op al onze offertes en op alle met ons gesloten overeenkomsten zijn onze Algemene Leverings- en betalingsvoorwaarden van toepassing, welke u gelijktijdig met deze offerte ontvangt.

(...)

Indien u akkoord gaat met deze aanbieding, verzoeken wij u één exemplaar te ondertekenen en retour te zenden.

(...)"

c. De in de informatiemap meegezonden offerte van

24 september 2007 vermeldt op de eerste pagina:

"(...)

Met dank aan uw aanvraag, doe ik hierbij onze vrijblijvende offerte en algemene leveringsvoorwaarden toekomen betreffende de bouw van een woonark met betoncasco type 137, afmeting 19 x 6 meter, volgens een door u aangeleverde indicatieve schets.

(...)

Voor akkoord graag één exemplaar ondertekend retour sturen in bijgevoegde envelop.

.........

Naam:

Datum:"

d. De in de informatiemap meegezonden algemene voorwaarden vermelden:

"Artikel 3. Offertes en overeenkomsten

1. De door [geïntimeerde] gemaakte offertes zijn vrijblijvend, ook ten aanzien van de daarin genoemde prijzen en andere voorwaarden; zij zijn geldig gedurende 30 dagen na dagtekening, tenzij anders is aangegeven. [geïntimeerde] heeft het recht het aanbod binnen twee dagen na ontvangst van de aanvaarding te herroepen. (...)

2. Indien bij de acceptatie door de wederpartij voorbehouden of opzichte van de offerte worden gevraagd, komt de overeenkomst pas tot stand als [geïntimeerde] aan de wederpartij heeft bericht met deze afwijking van de offerte in te stemmen.

3. (...)

4. (...)

5. (...)."

e. [appellant] heeft de eerste pagina van de offerte ondertekend, als datum ingevuld: "2-10-2007" en op de offerte geschreven:

"1. onder voorbehoud dat alle vergunningen en de financiering rondkomt.

2. zoals tel. besproken, moet het mogelijk zijn dat eventuele bemoeiingen van het tv-programma 'Eigen Huis & Tuin' worden ingepast."

f. Een brief van [geïntimeerde] aan [appellant] van

28 november 2007 vermeldt:

"(...)

Van harte gefeliciteerd met de aankoop van een [geïntimeerde] woonark! (...)

Bouwtekening

Op basis van de offerte en beschrijving of eerste schetsen maakt de projectbegeleider de bouwtekening van uw woonark. Van hem ontvangt u een eerste tekening die met u besproken zal worden. Aan de hand van uw eventuele opmerkingen zou de tekening gewijzigd kunnen worden, waarmee een tweede versie ontstaat. Die kan als de eerste niet volstaat gebruikt worden voor de vergunningaanvraag, indien nodig.

Wijzigingen die daarna nog noodzakelijk zijn, kunnen verwerkt worden tot een derde definitieve versie. Eventuele wijzigingen die na deze derde versie volgen zullen op basis van tekenkosten (tijd- en drukkosten) worden doorberekend.

Eventuele meer- of minderkosten ten opzichte van de voorgaande offerteprijs zullen in een bevestiging verrekend worden. Het plaatsen van een handtekening op de bouwtekening en bijbehorende opdrachtbevestiging is de goedkeuring voor het bouwen van een woonark zoals deze getekend en omschreven is."

g. Vanaf 13 december 2007 heeft e-mailcorrespondentie plaatsgehad tussen [appellant] en [Y.], projectbegeleider bij [geïntimeerde], over de wijze van uitvoering van de bouw van de woonark.

h. [geïntimeerde] heeft aan [appellant] op 19 december 2007 een termijnfactuur verstuurd voor een bedrag van € 3.000,-. [appellant] heeft dat bedrag betaald.

i. Een door [geïntimeerde] aan [appellant] toegezonden geschrift van 30 januari 2008 vermeldt:

"Orderbevestiging

Hierbij bevestig ik u de uit te voeren werkzaamheden betreffende de nieuwbouw van een woonark 137, buitenwerks casco afmetingen gemeten 18 x 6 m.

(...)

Eerder afgegeven tekeningen en offertes komen na uitgifte van deze bevestiging en bijbehorende tekening te vervallen en worden nietig verklaard."

j. Bij e-mailbericht van 10 juni 2008 heeft [Y.] [appellant] gevraagd hoe de zaken ervoor staan. Bij e-mailbericht van dezelfde datum heeft [appellant] bericht dat zij heeft besloten niet met [geïntimeerde] in zee te gaan en dat de opdracht inmiddels naar een andere arkenbouwer was gegaan.

2.3 [geïntimeerde] heeft betaling gevorderd van

€ 19.311,50, met rente en kosten, als schadevergoeding wegens wanprestatie. De rechtbank heeft de vordering toegewezen, behoudens een deel van de nevenvorderingen.

2.4 Bij tussenvonnis van 9 september 2009 heeft de rechtbank [appellant] toegelaten te bewijzen dat [S.] vóór het tekenen van de offerte aan [appellant] heeft medegedeeld dat de offerte moest worden aangemerkt als een intentieverklaring en dat de opdracht tot het bouwen van de woonark pas zou worden gegeven door ondertekening van de definitieve uitvoering van het ontwerp met bijbehorende opdrachtbevestiging. Aan deze beslissing heeft de rechtbank, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat de offerte naar haar oordeel in beginsel dient te worden aangemerkt als aanbod tot het bouwen van een woonark en de ondertekening van de offerte in beginsel als aanvaarding daarvan, maar dat indien [appellant] slaagt in de bewijsopdracht, daarmee komt vast te staan dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. Hiertegen zijn de grieven I en II gericht. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.5 [appellant] heeft aangevoerd dat de offerte niet kan worden aangemerkt als een aanbod, althans dat zij de offerte redelijkerwijs niet heeft behoeven op te vatten als een aanbod. Daarbij heeft zij gewezen op het gebruik van het woord "vrijblijvend" en op haar bijschrijvingen op de offerte.

2.6 Het woord "offerte" duidt in de regel op een aanbod. De onderhavige offerte is voldoende bepaald om als aanbod te kunnen worden aangemerkt. Het gebruik van het woord "vrijblijvend" in de begeleidende brief, de offerte en

art. 3 van de toepasselijke algemene voorwaarden (zie

rov. 2.2 sub b, c en d), brengt niet mee dat [appellant] de offerte niet als aanbod behoefde op te vatten. Aannemelijk is dat met deze aanduiding is bedoeld te verwijzen naar

art. 6:219 lid 2 BW, welk artikellid betrekking heeft op de mogelijkheid om een aanbod te herroepen (de aanbieder blijft dus in zoverre vrij).

De aanduiding kan redelijkerwijs ook worden opgevat als mededeling dat nog geen overeenkomst tot stand is gekomen en dat de wederpartij niet verplicht is het in de offerte vervatte aanbod te aanvaarden (degene aan wie het aanbod wordt gedaan, blijft dus in zoverre vrij). [appellant] mocht de aanduiding echter redelijkerwijs niet opvatten als een mededeling dat de offerte geen aanbod behelsde, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat [appellant] een in dit opzicht onervaren consument is en [geïntimeerde] een professioneel bedrijf dat de aanduiding heeft gebruikt. Die betekenis heeft het begrip "vrijblijvende offerte" in het gewone spraakgebruik immers niet. Afgezien van de hierna te bespreken stellingen over de mededelingen van [S.], is niets gesteld of gebleken op grond waarvan [appellant] niettemin die betekenis mocht toekennen aan dat begrip.

De omstandigheid dat art. 3 van de algemene voorwaarden voorts vermeldt dat [geïntimeerde] bevoegd is het aanbod binnen twee werkdagen na ontvangst van de aanvaarding te herroepen, brengt evenmin mee dat de offerte niet als aanbod behoefde te worden aangemerkt. In deze volzin wordt met het woord "aanbod" immers verwezen naar het in de voorgaande volzin gebruikte woord "offertes", zodat de volzin een aanwijzing oplevert dat de offerte juist wel als aanbod is bedoeld.

2.7 Volgens artikel 6:225 lid en 2 BW geldt een aanvaarding die van het aanbod afwijkt, als een nieuw aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke. Wijkt een tot aanvaarding strekkend antwoord op een aanbod daarvan slechts op ondergeschikte punten af, dan geldt dit antwoord als aanvaarding en komt de overeenkomst overeenkomstig deze aanvaarding tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de verschillen. Art. 3 lid 2 van de algemene voorwaarden (in de tekst "voorbehouden of opzichte van de offerte" moet kennelijk gelezen worden als: "voorbehouden of ... ten opzichte van de offerte", waarbij een of meer woorden zijn weggevallen) dient te worden uitgelegd als een afwijking van de wettelijke regeling ten gunste van [geïntimeerde], in die zin dat zij niet wordt gebonden aan afwijkende aanvaardingen waarmee zij niet heeft ingestemd, ook niet als zij er niet onverwijld bezwaar tegen heeft gemaakt. De bepaling strekt dus ter bescherming van de belangen van [geïntimeerde].

[appellant] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat haar bijschrijvingen op de offerte over vergunningen, financiering en een tv-programma zodanige afwijkingen van de offerte behelsden, dat [geïntimeerde] die redelijkerwijs moest opvatten als een nieuw aanbod met verwerping van het oorspronkelijke of als voorbehouden ten opzichte van de offerte als bedoeld in art. 3 lid 2 van de algemene voorwaarden. Bovendien komt haar geen beroep op die bepaling toe, omdat die niet strekt ter bescherming van haar belangen. Voorts mocht en moest zij uit de brief van

28 november 2007 afleiden dat [geïntimeerde] instemde met de inhoud van de bijschrijvingen, ook al staat dat er niet uitdrukkelijk in. Uit die brief moest [appellant] immers afleiden dat [geïntimeerde] uitvoering wilde geven aan de overeenkomst en de brief bevat geen bezwaar tegen de bijschrijvingen. Het beroep van [appellant] op die bepaling wordt dus verworpen.

2.8 Het antwoord op de vraag of een overeenkomst is totstandgekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden (zie: HR 21 december 2001, NJ 2002, 60).

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat indien wordt afgegaan op de tekst van de begeleidende brief, de offerte en de algemene voorwaarden, geoordeeld moet worden:

(a) dat [appellant] redelijkerwijs moest begrijpen dat de

offerte het aanbod inhield dat [geïntimeerde] de

in de offerte gespecificeerde woonark tegen de in de

offerte gespecificeerde vergoeding zou bouwen en

leveren;

(b) dat [appellant] redelijkerwijs moest begrijpen dat zij

door ondertekening van de offerte - ondanks de daarop

aangebrachte bijschrijvingen - dit aanbod aanvaardde;

en

(c) dat [geïntimeerde] redelijkerwijs mocht verwachten dat [appellant] dit een en ander begreep.

Daarmee is een overeenkomst tot stand gekomen met een inhoud overeenkomstig de offerte van [geïntimeerde] en de bijschrijvingen van [appellant].

Deze oordelen vallen echter anders uit, indien hetgeen [appellant] heeft gesteld over de mededelingen van [S.], als juist moet worden aanvaard. Nu die stellingen zijn betwist en [appellant] zich heeft beroepen op de rechtsgevolgen ervan, heeft de rechtbank terecht [appellant] belast met het bewijs van die stellingen.

In zoverre falen de grieven I en II.

2.9 Nadat [S.] en [appellant] als getuigen zijn gehoord, heeft de rechtbank bij vonnis van 21 april 2010 geoordeeld dat [appellant] niet in de bewijslevering is geslaagd. Hiertegen is grief V gericht.

2.10 [S.] heeft onder meer verklaard:

"(...) Het ondertekenen van de offerte is het vastleggen van een wilsovereenstemming over het bouwen van een ark met de bedoeling die te bouwen zoals omschreven in de offerte en een nadere invulling van de detaillering daarvan. (...) Ik kan mij voorstellen dat ik met [appellant] heb besproken dat uiteindelijk pas gestart kan worden met de bouw van de ark als de definitieve uitvoering van het ontwerp is ondertekend. De bouwtekeningen moeten ondertekend worden. (...)

Ik weet niet of ik het woord 'intentieverklaring' in mijn gesprek met [appellant] in de mond genomen heb. (...) Ik denk dat ik aan [echtgenote] heb verteld dat de opdracht voor de start van de bouw van de woonark gegeven wordt op het moment dat de invulling van de bouw, daarmee bedoel ik de bouwtekening en de bijbehorende omschrijving van de woonark, wordt ondertekend. De offerte bevat een algemene omschrijving van de woonark en de bouwtekening en de daarbij behorende bescheiden, het bestek, bevat een exacte beschrijving van de woonark. Op het moment dat de bouwtekening en de bijbehorende stukken worden ondertekend, kan met de bouw van de woonark worden begonnen (...)

U vraagt mij of ik bij of na het ondertekenen van de offerte [echtgenote] op de een of andere manier de indruk zou kunnen hebben gegeven dat zij nog terug zou kunnen komen op haar besluit. Mijn antwoord daarop is: nee. (...)"

2.11 Deze verklaring kan niet dienen als aanvullend bewijs dat de getuigenverklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maakt. De verklaring strekt er juist toe dat [S.] ontkent mededelingen te hebben gedaan op grond waarvan [appellant] mocht begrijpen dat ondertekening van de offerte geen gebondenheid zou meebrengen aan een overeenkomst waarbij de bouw van een woonark werd opgedragen. Uit de enkele omstandigheid dat [S.] heeft verklaard niet te weten of hij het woord "intentieverklaring" heeft gebruikt, kan geen bewijs worden afgeleid van de stelling dat hij dat wel heeft gedaan, en al zeker niet dat hij dat woord in een zodanige context heeft gebruikt dat [appellant] op grond daarvan mocht begrijpen dat ondertekening van de offerte de hiervoor omschreven gebondenheid niet zou meebrengen. Hetgeen

[S.] heeft verklaard over "opdracht voor de start van de bouw", begrijpt het hof zo, dat volgens [S.] pas als de bouwtekening en de bijbehorende omschrijving zijn ondertekend, aan de werklieden die met de uitvoering van de bouwwerkzaamheden zijn belast, de instructie zou worden verstrekt dat zij met de bouwwerkzaamheden moesten beginnen, maar niet dat volgens hem dan pas een overeenkomst van opdracht tot stand zou komen tussen [geïntimeerde] en [appellant], en evenmin dat hij mededelingen van die strekking aan [appellant] heeft gedaan, of mededelingen die [appellant] zo zou kunnen opvatten. [appellant] is dus niet in de bewijsopdracht geslaagd. Het bewijsaanbod dat zij in hoger beroep heeft gedaan, wordt gepasseerd, omdat het niet is gespecificeerd. Grief V mist dus doel.

2.12 Grief III is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep van [appellant] op dwaling. Aan dit beroep heeft [appellant] dezelfde feitelijke grondslag gegeven als aan haar verweer dat geen overeenkomst tot stand is gekomen die de opdracht tot de bouw van een woonark inhoudt. Ook voor het beroep op dwaling geldt echter dat dit gelet op de inhoud van de overgelegde geschriften faalt, tenzij [appellant] zou slagen in de gegeven bewijsopdracht. Daarin is zij echter niet geslaagd, zodat dit beroep terecht is verworpen. Grief III faalt.

2.13 [appellant] heeft bij de toelichting op grief I nog een beroep gedaan op de orderbevestiging (zie rov. 2.2 sub i). Voorzover [appellant] heeft willen aanvoeren dat zij uit de ontvangst van de orderbevestiging heeft mogen begrijpen dat zij, ongeacht de vraag of zij de orderbevestiging voor akkoord zou ondertekenen, bevrijd was van de overeenkomst zoals tot stand gekomen door aanvaarding van het in de offerte vervatte aanbod, faalt dit betoog. De orderbevestiging kan redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan dat de overeenkomst, zoals omschreven in de orderbevestiging, in de plaats kwam van de overeenkomst, zoals omschreven in de offerte.

2.14 Grief IV bestrijdt dat [geïntimeerde] uit het

e-mailbericht van [appellant] van 28 juni 2008 heeft moeten afleiden dat [appellant] zou tekortschieten. De grief faalt in zoverre, want uit het e-mailbericht kan redelijkerwijs niet anders worden afgeleid dan dat [appellant] niet meer wenste dat [geïntimeerde] een woonark voor haar zou bouwen en dat zij de in de offerte genoemde vergoedingen niet zou betalen en dus dat zij zou tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst die tot stand was gekomen.

2.15 Grief IV bestrijdt voorts de hoogte van de gevorderde schadevergoeding, zowel de post die berekend is als 10% van de koopsom, als de post die berekend is op basis van

116 manuren. [geïntimeerde] zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte deze schadeposten nader toe te lichten en met bescheiden te onderbouwen. [appellant] zal een antwoordakte mogen nemen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 27 september 2011 voor een akte aan de zijde van [geïntimeerde] in verband met

rov. 2.15;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, R.H. de Bock en J.C. Toorman en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 30 augustus 2011.