Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8921

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
200.065.090/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BL0639, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN BQ3784. Schadevergoeding bij strafvorderlijke doorzoeking. De Staat brengt bij een doorzoeking schade toe aan een clubhuis van de stichting Hell's Angels. Het hof

oordeelt dat op grond van art. 6:101 BW de schadevergoedingsplicht van de Staat geheel vervalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.065.090/01

11 oktober 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de stichting

STICHTING HELL'S ANGELS AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

t e g e n

het openbaar lichaam

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. W. Heemskerk te Den Haag.

1. Verder verloop van het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna opnieuw de stichting en de Staat genoemd.

Bij arrest van 19 april 2011 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor memoriewisseling. Beide partijen hebben een memorie genomen en rechterlijke uitspraken als producties in het geding gebracht. Opnieuw is arrest gevraagd.

2. Verdere beoordeling

2.1 De Staat heeft bij memorie na tussenarrest betoogd dat de (gestelde) schade tot het normale maatschappelijke risico van de stichting behoort. Hetgeen het hof bij tussenarrest onder rov. 2.6 heeft overwogen, brengt mee dat dit betoog moet worden verworpen. Het hof ziet geen aanleiding daarvan terug te komen.

2.2 Onbetwist staat vast dat ook de stichting verdachte was in het strafvorderlijk onderzoek met de projectnaam Acroniem en dat de vordering doorzoeking betrekking had op vier bestuursleden van de stichting en acht als "members" bij de stichting betrokken personen. De delicten waarvan zij werden verdacht betroffen, kort gezegd, deelneming aan een criminele organisatie, het voorhanden hebben van verboden wapens en munitie, verboden verdovende middelen en verboden vuurwerk, opzetheling en strafbare vormen van discriminatie. De doorzoeking vond plaats in het clubhuis en op het clubterrein van de verdachten, waar zich woonwagens en opslagruimte bevonden en waar (sommige van) de verdachten regelmatig verbleven. In zoverre lagen de verdenkingen mede in de sfeer van de stichting, die kennelijk rechthebbende op het clubhuis en het clubterrein is. Deze omstandigheden brengen mee dat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan de stichting kunnen worden toegerekend en die evenzeer tot de schade hebben bijgedragen als de aan de Staat toe te rekenen omstandigheid dat zijn optreden buiten het normale maatschappelijke risico van de stichting viel. Wegens de ernst van de aan de stichting toe te rekenen omstandigheden eist de billijkheid dat de vergoedingsplicht van de Staat geheel vervalt. Dit is ook zo indien de schade mede een gevolg is van de omstandigheid dat de politie geen gebruik heeft gemaakt van beschikbare sleutels en toegangscodes van het toegangshek en van kluisjes, en/of indien de politie een gevleugelde schedel en harde schijven heeft vernield. Onvoldoende is gesteld om te kunnen aannemen dat de Staat een dergelijke handelwijze niet nodig mocht achten in het belang van een vlot en ongehinderd verloop van het strafvorderlijk onderzoek. Voorts is onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat de gestelde afspraak met de veiligheidsadviseur van de gemeente over de wijze waarop de politie de locatie kon betreden, niet alleen de strekking had om de uitoefening van controlebevoegdheden gemakkelijker te maken, maar ook de strekking om de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden aan beperkingen te onderwerpen.

2.3 Op grond van het voorgaande moet het bestreden vonnis worden bekrachtigd. De grieven behoeven verder geen bespreking. De bewijsaanbiedingen doen niet ter zake en worden daarom gepasseerd. De stichting dient als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten in hoger beroep te dragen.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de stichting in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van de Staat gevallen, op € 555,00 aan verschotten en € 1.788,00 aan salaris van de advocaat;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.C. Meijer en M.A.J.G. Janssen en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 11 oktober 2011.