Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8644

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
200.088.779/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ5223, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanduiding in media als ‘pornobaron’ en ‘koning van de online porno’

niet onrechtmatig omdat voor de aanduidingen voldoende steun bestaat in beschikbare feitenmateriaal en (ex-)politicus meer heeft te dulden dan doorsnee burger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2011

GERECHTSHOF AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BASISMEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [ X ],

3. [ Y ],

4. [ Z ],

allen woonplaats gekozen hebbende te [ plaats ],

APPELLANTEN in principaal appel,

GEÏNTIMEERDEN in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.P. van den Brink te Amsterdam,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

woonplaats gekozen hebbende te [ plaats ],

GEÏNTIMEERDE in principaal appel,

APPELLANT in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk Basismedia c.s. en [ Geïntimeerde ], principaal appellanten zullen tevens afzonderlijk Basismedia, [ X ], [ Y ] en [ Z ] worden genoemd.

Basismedia c.s. zijn bij dagvaarding van 6 juni 2011 (hersteld bij exploot van 17 juni 2011) in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, in deze zaak in kort geding onder zaaknummer/rolnummer 489758/KG ZA 11-718 gewezen tussen [ Geïntimeerde ] als eiser en Basismedia c.s. als gedaagden en uitgesproken op 20 mei 2011. De appeldagvaarding bevat de grieven.

Basismedia c.s. hebben overeenkomstig de appeldagvaarding negen grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof bedoeld vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [ Geïntimeerde ] alsnog geheel zal afwijzen, met veroordeling van [ Geïntimeerde ] in de kosten van het geding in beide instanties.

[ Geïntimeerde ] heeft bij memorie van antwoord in principaal appel, tevens van grieven in incidenteel appel, de grieven van Basismedia c.s. bestreden, producties overgelegd, zelf één grief aangevoerd en geconcludeerd, kort samengevat, dat het hof het vonnis waarvan beroep waar het betreft de afwijzing van zijn vordering tot betaling van een bedrag van € 20.000,- als voorschot op schadevergoeding alsmede de compensatie van de proceskosten, zal vernietigen, het gevorderde voorschot alsnog zal toewijzen en Basismedia zal veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en voor het overige het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van Basismedia c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en rente.

Basismedia c.s. hebben bij memorie van antwoord in incidenteel appel op de grief van [ Geïntimeerde ] gereageerd en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel met veroordeling van [ Geïntimeerde ] in de kosten daarvan, inclusief de nakosten.

Partijen hebben de zaak ter zitting van het hof van 14 oktober 2011 doen bepleiten, Basismedia c.s. door mr. Van den Brink voormeld en mr. R. van der Zaal, advocaat te Amsterdam, en [ Geïntimeerde ] door mrs. S.N. Vlaar en J.H. Woudenberg, beiden advocaat te Den Haag, elk aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Bij die gelegenheid zijn door beide partijen nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten opgesomd die door haar bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3. Beoordeling

3.1.(i) Basismedia is uitgever van de internetkrant op www.spitsnieuws.nl (hierna Spitsnieuws). [ X ] is hoofdredacteur van Spitsnieuws, [ Y ] en [ Z ] zijn als journalist aan Spitsnieuws verbonden.

(ii) [ Geïntimeerde ] heeft vanaf juni 2010 deel uitgemaakt van de Tweede Kamerfractie van de Partij voor de Vrijheid (PVV). Op 18 november 2010 is [ Geïntimeerde ] als Tweede Kamerlid afgetreden.

(iii) Op 8 april 2011 is op Spitsnieuws een artikel van [ Z ] verschenen, geïllustreerd met een foto van [ Geïntimeerde ], onder de titel “Pornobaron niet terug in Kamer”. In het artikel is onder meer de volgende volzin opgenomen: “En dat is dus bummer voor [ Geïntimeerde ], de koning van de online porno”.

(iv) Op 12 april 2011 is op Spitsnieuws een artikel van [ Y ] verschenen onder de titel “Strijder tegen porno voor PvdA in Kamer” met als onderwerp de beëdiging van [ Kamerlid ] als Kamerlid voor de PvdA. Het artikel wordt afgesloten met de volzin: “Aanstaande debatten met ex-PVV-Kamerlid [ voornaam ] ‘pornobaron’ [ Geïntimeerde ] staan nog niet in de agenda.”

(v) Bij brief van 26 april 2011 heeft de advocaat van [ Geïntimeerde ] Spitsnieuws onder meer gesommeerd de woorden ‘pornobaron’ en ‘koning van de online porno’ niet meer ten aanzien van hem te gebruiken en de twee hiervoor genoemde artikelen te rectificeren. Aan deze sommatie is geen gevolg gegeven.

3.2. [ Geïntimeerde ] vordert in dit geding voorzieningen die er, kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog van belang, toe strekken dat Basismedia c.s. wordt gelast het gebruik van de woorden ‘pornobaron’ en ‘koning van de online porno’ of enig vergelijkbaar woord in verband met [ Geïntimeerde ] te staken en gestaakt te houden en dat Basismedia c.s. wordt bevolen ervoor zorg te dragen dat de genoemde artikelen niet langer in het digitale archief van Spitsnieuws te vinden en/of toegankelijk zijn, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft beide hiergenoemde onderdelen van de vordering van [ Geïntimeerde ] toegewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Basismedia c.s. met hun grieven op.

3.3. Hetgeen de voorzieningenrechter in haar vonnis onder 4.4 heeft overwogen met betrekking tot, kort gezegd, het grondrecht van vrijheid van meningsuiting en de daarop toegelaten beperkingen is geen onderwerp van debat in hoger beroep. Het hof sluit zich bij die overweging aan.

Met betrekking tot de uitingen die inzet zijn van het onderhavige geding overweegt het hof dat de termen ‘pornobaron’ en ‘koning van de online porno’ – ook in de context waarin zij op Spitsnieuws gebruikt zijn – een leidende rol van [ Geïntimeerde ] bij het vervaardigen en/of verspreiden van pornografie suggereren en derhalve dat hij ten minste een invloedrijke positie heeft bekleed in een bedrijf dat zich in aanmerkelijke mate bezighield met het product ‘porno’.

3.4. Of, in het licht van voormelde uitgangspunten, de gewraakte uitingen van Basismedia c.s. jegens [ Geïntimeerde ] onrechtmatig zijn, is in de eerste plaats afhankelijk van de vraag in hoeverre het bestaan van een betrokkenheid als onder 3.3 aangegeven steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

3.5. Niet in geschil is dat [ Geïntimeerde ], nadat hij gedurende de eerste jaren van zijn loopbaan functies had vervuld bij de bedrijven Antillephone N.V. en Info-Line Kft, van 1996 tot 2001 als ‘Business Development Director’ in Europa, Azië en Afrika werkzaam is geweest voor het in Ierland gevestigde bedrijf Translease International Ltd (verder Translease).

Hoewel volgens het door Basismedia c.s. in het geding gebrachte curriculum vitae van [ Geïntimeerde ], destijds gepubliceerd op de website van de PVV (productie 34 I), [ Geïntimeerde ] in de periode 2003 tot 2005, naast functies bij andere bedrijven, wederom voor Translease heeft gewerkt, nu als ‘Project manager (Hungary, Europe)’, zal het hof daarvan niet uitgaan omdat [ Geïntimeerde ] heeft aangevoerd dat de desbetreffende mededeling in het curriculum vitae daarin abusievelijk door medewerkers van de PVV is opgenomen en dit kort geding zich niet leent voor nader feitelijk onderzoek daaromtrent.

Ook indien laatstgenoemde periode echter buiten beschouwing wordt gelaten wijst een en ander op een langdurige betrokkenheid bij Translease in een positie waarin [ Geïntimeerde ] invloed uitoefende op (de aard van) de door dit bedrijf aangeboden diensten.

Op grond van door Basismedia c.s. met name in hoger beroep in het geding gebrachte producties is voldoende aannemelijk dat Translease, ook in de periode 1996-2001, zich in betekenende mate richtte op de verspreiding van erotisch en pornografisch materiaal via het internet, daartoe een platform bood voor zogenoemde ‘on-line adult programs’ (vgl. productie 33) en een groot aantal domeinnamen – waaronder hetemeisjes.com, gangbangclub.net, orgyhouse.net, pussy4you.net, sex4money.net en alwayshorney.net - op haar naam heeft doen registreren (vgl. onder meer producties 6, 31, en 32). Voldoende aannemelijk is voorts dat de websites achter deze domeinnamen voorzien waren van hardcore pornografische content (vgl. met name producties 6 en 32). Uit (onder meer) producties 35, 36 en 37 valt voorts op te maken dat Translease op de website Globalgirls.com een online verwijzingsdienst voor seksclubs en bordelen in (onder meer) Hongarije, India en Nederland exploiteerde.

Dat het hier zou gaan om activiteiten van Translease die zij met name is gaan ontwikkelen na het vertrek van [ Geïntimeerde ] in 2001 vindt in vorenbedoeld feitenmateriaal geen steun. Blijkens genoemde producties zijn immers vele van de domeinnamen in de periode 1997 tot 2000 ten name van Translease geregistreerd en derhalve juist in de periode dat [ Geïntimeerde ] in dat bedrijf de functie van ‘business development director’ bekleedde.

3.6. Het voorgaande betekent dat de ten aanzien van [ Geïntimeerde ] gebruikte kwalificaties ‘pornobaron’ en ‘koning van de online porno’ in ieder geval op het eerste gezicht voldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Het hof passeert in dit verband het betoog van [ Geïntimeerde ] voor zover dit inhoudt dat de functiebenaming ‘business development director’ in het gebied Europa, Azië en Afrika meer suggereert dan de functie in werkelijkheid voorstelt. Basismedia c.s. voeren terecht aan dat de media in beginsel mochten afgaan op de omschrijving van de functie in het curriculum vitae van [ Geïntimeerde ] zoals die voorafgaand aan de Tweede Kamer verkiezingen op de website van de PVV is gepubliceerd en de daaraan normaal te hechten betekenis. In dit verband is echter met name van belang dat [ Geïntimeerde ] weliswaar betoogt dat hij in het bedrijf van Translease geen invloedrijke functie vervulde en zich vanuit Hongarije met name bezighield met het ontwikkelen van plat-forms/infrastructuren voor betaalde telefoondiensten in een (zeer) beperkt aantal landen, maar dat hij deze stellingen betreffende zijn rol in het bedrijf niet of nauwelijks feitelijk heeft toegelicht, laat staan met (deugdelijk) bewijsmateriaal heeft gestaafd. Zo blijft - ook na daarop gerichte specifieke vragen van het hof ter zitting - onduidelijk hoe het bedrijf van Translease indertijd was georganiseerd, wie daaraan (feitelijk) de leiding gaf, of er naast [ Geïntimeerde ] ‘business development directors’ voor het bedrijf werkzaam waren en zo ja hoeveel, wie verantwoordelijk was/waren voor de aard van de door het bedrijf aangeboden diensten, en, indien juist is dat [ Geïntimeerde ] met name platforms voor betaalde telefoondiensten ontwikkelde, waartoe die door Translease (en haar eventuele opdrachtgevers) werden gebruikt. De door [ Geïntimeerde ] bij memorie van antwoord overgelegde verklaring van B. van de Vondervoort, die tekent als vertegenwoordiger (‘representative’) van Translease op briefpapier waarop een adres in Ierland is vermeld en waarin onder meer wordt gesteld dat het werk van [ Geïntimeerde ] bestond in “analysis of potential markets or assistance in the deployment of commercial initiatives on those markets”, is te vaag en werpt te weinig licht op de hierbedoelde vragen om hierover anders te oordelen, te meer nu [ Geïntimeerde ] ter zitting heeft verklaard dat het (hoofd)kantoor van Translease van waaruit hij werd aangestuurd zich in België bevindt.

[ Geïntimeerde ] heeft nog gesteld dat het wat hem betreft louter zou zijn gegaan om de ontwikkeling van infrastructuren voor algemene telefoondiensten, zoals bijvoorbeeld horoscoop-, weerbericht- en nieuwslijnen. Hij heeft het hof er echter niet van kunnen overtuigen dat Translease zich destijds daadwerkelijk met dergelijke activiteiten bezighield.

Daar komt bij dat – zoals Basismedia c.s. in de toelichting op grief VII aan de orde stellen - ook het op Curaçao gevestigde bedrijf Antillephone NV, waar [ Geïntimeerde ] in de periode 1991 tot 1993 als directeur klantrelaties werkzaam was, en het in Hongarije gevestigde bedrijf Digitania Zrt, waar [ Geïntimeerde ] sedert 2005 als Group Chief Executive Officer werkzaam is, blijkens de in zoverre niet bestreden inhoud van producties (producties 20 respectievelijk 10 t/m 12 en 42 van Basismedia c.s.) zich (mede) hebben beziggehouden met dienstverlening die op zijn minst genomen als aan seks en erotiek gerelateerd kan worden beschouwd (de exploitatie van sekslijnen respectievelijk zogenoemde datingdiensten en het verspreiden van seksueel getinte sms-boodschappen), zodat voorshands niet onaannemelijk is dat de stelling van [ Geïntimeerde ], waaraan de voorzieningenrechter refereert, dat telecommunicatie de rode draad vormt in zijn carrière, ook voor zover het de voor en na zijn betrokkenheid bij Translease gelegen periodes betreft, enige nuancering behoeft.

3.7. Het hof vermag voorshands niet in te zien dat Basismedia c.s. in de gegeven omstandigheden niet tot de gewraakte publicaties hadden mogen overgaan alvorens nader onderzoek te doen en/of informatie in te winnen bij [ Geïntimeerde ]. Dat Translease zich indertijd bezighield met het verspreiden van pornografisch materiaal via zogenoemde porno-sites en dat [ Geïntimeerde ] daarvan destijds op de hoogte was, wordt door [ Geïntimeerde ] erkend (zie memorie van antwoord onder 48). Van belang acht het hof in dit verband voorts dat in de publicatie van 8 april 2011 is vermeld dat [ Geïntimeerde ] de aantijgingen ontkent en dat in de publicatie van 12 april 2011 het woord ‘pornobaron’ tussen aanhalingstekens is geplaatst, waarmee – naar mag worden aangenomen – wordt verwezen naar eerdere publicaties waarin die aanduiding werd gebruikt en waarmee die kwalificatie ook enigszins wordt gerelativeerd. Bij dit alles komt dat [ Geïntimeerde ] in het geheel niet duidelijk heeft gemaakt hoe hij, hoewel aldaar werkzaam als ‘business development director’, de stelling dat hij niet betrokken was bij de - naar het zich laat aanzien – hoofdactiviteit van Translease had willen of kunnen motiveren, nu hij deze bewering in de onderhavige procedure nauwelijks substantieert.

3.8. In het licht van het voorgaande acht het hof de door [ Geïntimeerde ] gewraakte publicaties voorshands jegens hem niet onrechtmatig, ook niet indien daarbij wordt betrokken dat, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, de daarin gebruikte termen een beschadigend karakter hebben en aannemelijk is dat [ Geïntimeerde ] daarvan hinder ondervindt bij het zoeken naar een nieuwe werkkring.

In dit verband speelt een belangrijke rol dat het hier om een persoon gaat die, door zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer en deel te nemen aan de verkiezingen, de publieke/politieke arena heeft betreden en – blijkens de onbestreden inhoud van door Basismedia c.s. in het geding gebrachte publicaties alsmede de opname van een door hem ([ Geïntimeerde ]) gegeven interview (vgl. producties 2 en 29 respectievelijk 30 van Basismedia c.s.) - niet uitsluit dat hij daarin zal (willen) terugkeren. Basismedia c.s. wijzen er in dit verband terecht op dat waar het de achtergronden/loopbaan van een politicus (in spe) betreft het belang van de pers om hierover vrijelijk te kunnen rapporteren zwaar weegt, alsmede dat de betrokkene, zeker waar het uitingen betreft omtrent zijn persoon die aan het publieke debat kunnen bijdragen, over het algemeen meer heeft te dulden dan de doorsnee burger. Aangenomen moet worden dat daarbij enige overdrijving is toegestaan. Het argument van [ Geïntimeerde ] dat het gebruik van de gewraakte termen in de gegeven omstandigheden nodeloos grievend is moet in het licht hiervan eveneens worden verworpen.

3.9. Dit brengt mee dat van omstandigheden die een beperking van het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting rechtvaardigen voorshands onvoldoende is gebleken. Reeds in het licht hiervan moet het door [ Geïntimeerde ] gevorderde verbod niet toewijsbaar worden geacht. De stellingen van Basismedia c.s. met betrekking tot, kort gezegd, de proportionaliteit en (te) vergaande strekking van het verbod zoals dat in eerste aanleg is toegewezen kunnen daarom verder onbesproken blijven.

De grieven van Basismedia c.s. treffen derhalve doel. Bij de verdere (afzonderlijke) behandeling daarvan hebben Basismedia c.s. onvoldoende belang.

Gelet op het voorgaande faalt de incidentele grief van [ Geïntimeerde ].

Het vonnis van de voorzieningrechter zal worden vernietigd en de vordering van [ Geïntimeerde ] zal alsnog geheel worden afgewezen.

[ Geïntimeerde ] dient als in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding in beide instanties te dragen, in hoger beroep zowel van het principaal als van het incidenteel appel.

4. Beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [ Geïntimeerde ] af;

veroordeelt [ Geïntimeerde ] in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van de Basismedia begroot op € 568,- aan verschotten en op € 816,- voor salaris in eerste aanleg en in hoger beroep tot op heden op € 800,18 aan verschotten en op € 2.682,- voor salaris in principaal appel en op € 1.341,- voor salaris in incidenteel appel;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, M.A. Goslings en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 december 2011.