Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8168

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
200.087.566/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is gedeeltelijk verrekenen verrekenen in de zin van artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/128 met annotatie van B.E. Reinhartz
JIN 2012/5 met annotatie van mr. P.M. de Vries
FJR 2012/21
RFR 2012/28

Uitspraak

bij vervroeging)

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 1 november 2011 in de zaak met zaaknummer 200.087.566/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. Ch.L. van den Puttelaar te Rotterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.E.H. Dumont te Rotterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 20 mei 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 23 februari 2011 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 362930 / FA RK 07-1034 en 401860 / FA RK 08-5042.

1.3. De man heeft op 11 juli 2011 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De vrouw heeft op 1 september 2011 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5. De zaak is op 3 oktober 2011 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

• de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

• de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1979 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Hun huwelijk is op 25 mei 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 januari 2008 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. In de door partijen op 20 oktober 1979 overeengekomen huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald:

Artikel 1

1. Tussen de echtgenoten zal geen gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd, bestaan. (…)

Artikel 3

De goederen waarvan niet vaststaat aan wie van de echtgenoten deze ingevolge de bepalingen der wet in verband met het hiervoor bepaalde toekomen, worden geacht eigendom te zijn van beide echtgenoten tezamen, ieder voor de helft.

De echtgenoten verbinden zich over en weer beschrijvingen op te maken, door hen beiden te tekenen, van de rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn, welke zij gedurende het huwelijk door erfenis, legaat, schenking, belegging, wederbelegging, of - in het algemeen - als vermogen verkrijgen. Overigens kunnen zij de verkrijgingen van deze goederen met alle middelen bewijzen.

Kosten van de huishouding

Artikel 5

1. De kosten van de huishouding in een kalenderjaar komen eerst ten laste van de netto-inkomsten der echtgenoten in dat jaar en voorzover de netto-inkomsten daartoe ontoereikend zijn, ten laste van de vermogens van de echtgenoten, zulks steeds naar evenredigheid van die inkomsten onderscheidenlijk vermogens.

2. Onder kosten van de huishouding worden verstaan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding (…).

Verdeling van gespaarde inkomsten

Artikel 6

1. Indien in een kalenderjaar de kosten van de huishouding lager zijn dan de netto-inkomsten, zal ieder der echtgenoten bevoegd zijn om ten laste van het voordelig verschil vooruit te nemen hetgeen hij eerder ter bestrijding van de kosten van de huishouding uit vermogen voldeed, naar evenredigheid van hetgeen zij aldus voldeden.

2. Indien er na de toepassing van het bepaalde in lid 1 een voordelig verschil resteert, wordt dit voordelig verschil tussen de echtgenoten bij helfte verdeeld.

3. Geen verdeling als in de leden 1 en 2 bedoeld kan worden gevorderd aangaande inkomsten over de periode dat er feitelijk geen gemeenschappelijke huishouding is. Indien ondanks het bepaalde in de vorige zin toch verdeling van inkomsten heeft plaatsgevonden, zal hetgeen aldus is terugbetaald niet als onverschuldigd kunnen worden teruggevorderd.

Termijn voor omslag van kosten en verdeling van gespaarde inkomsten

Artikel 7

De jaarlijkse bijdrage in de kosten van de huishouding verschuldigd ingevolge artikel 5 en de aanspraken op verdeling van gespaarde inkomsten ingevolge artikel 6 leden 1 en 2 dienen te worden vastgesteld uiterlijk in het tweede kalenderjaar volgende op het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft onderscheidenlijk de besparing van de inkomsten plaatsvond, bij gebreke van welke vaststelling verrekening niet meer kan worden gevorderd.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is voor zover in het onderhavige hoger beroep van belang:

• voor recht verklaard dat de door de man betaalde bijdragen van 3000 (het hof begrijpt: € 3.000,- per maand) aan de vrouw vanaf 14 februari 2005 tot en met 28 november 2006 kosten van huishouding zijn, en is het onder 2.5 en 2.6 verzochte voor zover zulks buiten de hiervoor genoemde periode valt, afgewezen;

• het onder 2.3, 2.7, 2.8, 2.12, 2.15, 2.16 en 2.18 verzochte afgewezen;

• iedere verdere beslissing omtrent de partneralimentatie en de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden aangehouden.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre;

I. de peildatum ter zake van de verrekening te bepalen op 31 december 2004;

II. te bepalen dat partijen het gezamenlijke vermogen per 31 december 2004 dienen te verrekenen met uitzondering van haar privévermogen en dat haar uit hoofde van deze verrekening toekomt een bedrag van € 131.114,50, alsmede de wettelijke rente ex artikel 1:119 BW over genoemd bedrag vanaf 31 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. de man te veroordelen om binnen een maand na de in dezen te wijzen beschikking, aan haar te betalen een vergoeding in de kosten van de huishouding van € 92.800,- over de periode van 14 februari 2005 tot en met 15 november 2007 ex artikel 1:84 BW alsmede de wettelijke rente over dit bedrag van 15 november 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. voor recht te verklaren dat het door haar van de man te ontvangen bedrag genoemd onder sub III alsook de door haar reeds ontvangen bedragen van € 3.000,- netto per maand vanaf februari 2005 tot 15 november 2007 kosten huishouding zijn en derhalve niet fiscaal aftrekbaar voor de man en belastbaar voor haar;

V. de man te veroordelen om binnen een maand na de in dezen te wijzen beschikking aan haar te betalen een bedrag van € 10.000,- ter zake van het door de man aan het gezamenlijk vermogen onttrokken bedrag van € 20.000,- alsmede de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 juni 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. de man te veroordelen om binnen een maand na de in dezen te wijzen en af te geven beschikking volledige inzage te geven in zijn inkomen en vermogen zowel in binnen- als in buitenland vanaf 1993 tot en met heden en omtrent zijn lijfrenteaftrek onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de man niet voldoet aan de in dezen te wijzen beschikking;

VII. de man te veroordelen om binnen een maand na de in dezen te wijzen en af te geven beschikking adequaat uitleg te geven omtrent het negatieve eigen vermogen gedurende de jaren 2003 tot en met 2006 eveneens onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de man niet voldoet aan de in dezen te wijzen beschikking;

VIII. de man te veroordelen in de werkelijke kosten van rechtsbijstand in beide instanties van € 102.828,70 + p.m.

3.3. De man verzoekt in principaal appel het verzoek van de vrouw de peildatum ter zake de verrekening van opgespaard inkomen te bepalen op 31 december 2004 toe te wijzen, en haar verzoek voor het overige af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure. In incidenteel appel verzoekt hij de vrouw te veroordelen om aan hem over te leggen al haar pensioengegevens ter zake de pensioenopbouw van de vrouw zodat ook te dier zake de wet pensioenverevening na echtscheiding correct toegepast kan worden, en de vrouw te veroordelen om haar aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting vanaf 2000 tot en met 2010 over te leggen aan hem met veroordeling van de vrouw met een bedrag van € 100,- per dag dat zij nalatig zal zijn met een te dier zake beslissing van het hof na de dag van betekening van een veroordeling daartoe, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in eerste aanleg alsmede dit hoger beroep.

3.4. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in incidenteel appel, althans zijn verzoek af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. In hoger beroep gaat het om de verrekening op grond van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden van de overgespaarde inkomsten, alsmede verrekening van de kosten van de huishouding en niet over de partneralimentatie. De rechtbank heeft een deelbeschikking gegeven. Van de daarin genomen eindbeslissingen zijn partijen deels in hoger beroep gekomen. Voorts is de vrouw in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank vastgestelde peildatum voor de verrekening en heeft de man in hoger beroep zijn verzoek vermeerderd. Het hof zal de onderwerpen die partijen in hun respectievelijke hoger beroep aan de orde hebben gesteld, achtereenvolgens behandelen.

4.2. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de peildatum voor de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden bepaald op 14 februari 2005. In hoger beroep heeft de vrouw verzocht uit praktische overwegingen de peildatum te bepalen op 31 december 2004. De man is het met dat verzoek eens, zodat voor het hof als peildatum geldt 31 december 2004. De vrouw mist belang bij grief I.

4.3. De vrouw heeft met het oog op het te verrekenen bedrag uit overgespaarde inkomsten drs. T.C.E. Boringa RA ingeschakeld. Deze heeft op 14 oktober 2008 een rapport uitgebracht, welk rapport hij heeft gewijzigd bij brief van 23 april 2009 (hierna: rapport Boringa). Partijen zijn het erover eens dat laatstgenoemde versie van het rapport de juiste is, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Uit het rapport van Boringa blijkt dat het aannemelijk is dat er tussen partijen in de periode 1979 tot en met 1992 geen verrekening heeft plaatsgevonden, omdat er geen sprake was van overgespaard inkomen, dat er tussen partijen in de periode 1993 tot en met 2000 deels is verrekend en daarna niet meer. De rechtbank heeft overwogen dat nu blijkt dat gedurende het huwelijk van partijen slechts gedurende minder dan een derde van de tijd gedeeltelijk is verrekend, het op de peildatum aanwezige vermogen in het licht van artikel 1:141 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) gevormd is uit datgene dat verrekend had moeten worden. Daartegen richt zich de tweede grief, onderdeel A, van de vrouw. De vrouw maakt aanspraak op betaling van een bedrag van € 131.114,50 voordat er verrekend wordt tussen partijen. Zij stelt dat zij in het kader van de gedeeltelijke verrekening van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 78.642,83 van de man heeft ontvangen, dat zij dit bedrag heeft afgescheiden en succesvol heeft belegd. Omdat zij dit bedrag heeft afgescheiden, dient dit bedrag met het rendement niet in de verrekening te worden betrokken, doch slechts het overige van partijen aanwezige vermogen per de peildatum. Het standpunt van de vrouw komt er op neer dat, nu de man zijn aandeel dat hij op grond van de gedeeltelijke verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden eveneens had behoren te ontvangen niet heeft afgezonderd, er voor wat betreft de man thans geen aanspraak meer bestaat op verrekening van dit bedrag zodat het totale overige aanwezige vermogen in de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden meegenomen dient te worden.

Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling. Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid van dat artikel niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Uit het rapport Boringa blijkt dat over de periode 1993 tot 2000 door de man aan de vrouw in het kader van de verrekening een bedrag van € 78.642,83 is betaald, doch dat dit niet het volledige bedrag betreft dat over die jaren verrekend had behoren te worden. Onder die omstandigheden kan niet volgehouden worden dat over die jaren aan de periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel is voldaan. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat het op de peildatum totale aanwezige vermogen - inclusief dat van de vrouw - wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Indien het hof de redenering van de vrouw zou volgen, zou dit, naar het oordeel van het hof, voor de man tot een volstrekt onbillijke en onredelijke uitkomst leiden. Teneinde die onbillijkheid weg te nemen, zou bepaald dienen te worden dat de man van het aanwezige vermogen eerst eenzelfde bedrag zou kunnen uitnemen als de vrouw eerder heeft ontvangen, verhoogd met eenzelfde rendement als door de vrouw genoten, althans met een redelijk rendement. Deze rekenwijze zou (min of meer) tot dezelfde uitkomst leiden als de toepassing van finale verrekening zoals door de rechtbank bepaald. Onderdeel A van de tweede grief van de vrouw faalt dan ook.

4.4. Het voorgaande komt per 31 december 2004 op het volgende neer:

Totaal aanwezig vermogen volgens rapport Boringa € 368.787,-

Ieder der partijen heeft recht op de helft € 184.393,50

Vrouw heeft reeds ontvangen € 106.558,-

Nog te ontvangen door de vrouw € 77.835,50

Het hof merkt daarbij op dat in genoemd bedrag is verdisconteerd een bedrag van € 24.225,-, zijnde de helft van het gezamenlijke vermogen per 31 december 2004. Uit het rapport van Boringa blijkt dat na de peildatum mutaties hebben plaatsgevonden op het gezamenlijk vermogen. Voor het hof is niet duidelijk wie van partijen het beheer en gebruik van dit vermogen heeft gehad. Het hof zal de man veroordelen aan de vrouw in het kader van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden een bedrag te betalen van € 77.835,50 minus € 24.225,-, derhalve € 53.610,50 en zal voorts bepalen dat de vrouw recht heeft op een bedrag van € 24.225,- voor zover zij van dat gezamenlijk vermogen na de peildatum niets in bezit had of heeft ontvangen en dat de bedragen die zij daarvan wel in bezit had of heeft ontvangen, in mindering komen op laatstgenoemd bedrag van € 24.225,-.

4.5. Met het voorgaande behoeft de grief van de vrouw waarin zij hoger beroep instelt tegen de beslissing van de rechtbank dat zij zich dient uit te laten over de hoogte van het bedrag dat haar is toegekomen uit hoofde van hetgeen reeds verrekend is en het rendement dat zij daarop heeft behaald, geen nadere bespreking. Onderdeel B van grief II faalt eveneens.

4.6. De rechtbank heeft partijen in rechtsoverweging 6.4.e.2 van de bestreden beschikking gelegenheid gegeven hun stellingen aangaande de waarde van de eenmanszaak [naam eenmanszaak] nader te concretiseren en te onderbouwen. Het voorgaande betekent dat de rechtbank aan behandeling van dit onderdeel van de verrekening niet meer kan toekomen, nu van het te verrekenen vermogen berekend in het rapport Boringa de waarde van de eenmanszaak per de peildatum onderdeel uitmaakt. Deze waarde is verdisconteerd in het hiervoor onder 4.4 bepaalde bedrag. Voor de goede orde meldt het hof dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte overweegt dat het kapitaal in [naam eenmanszaak] ultimo 2004 € 10.512,- bedroeg. Het gaat hier om een negatief bedrag van € 10.512,- en niet om een positief bedrag.

4.7. Evenmin kan de rechtbank nog toekomen aan verdeling van de saldi van de gemeenschappelijke rekeningen. Aan toedeling van de verschillende rekeningen kan de rechtbank overigens nog wel toekomen.

4.8. Blijkens de bestreden beschikking maken van het te verrekenen vermogen diverse lijfrentepolissen c.q. polissen van levensverzekering onderdeel uit. Deze polissen, althans de waarde daarvan en de eventueel te verwachten belastingclaims op de diverse uitkeringen, maken geen onderdeel uit van het rapport Boringa. Nu geen van partijen hoger beroep heeft ingesteld van het door de rechtbank op dit punt bepaalde, kan het hof daarover niet beslissen en zal de rechtbank op dit punt van de verrekening nog nader dienen te beslissen met inachtneming van de door het hof te bepalen peildatum. Het hof merkt op dat de rechtbank met betrekking tot de polissen heeft overwogen dat de vrouw splitsing wenst van de betreffende polissen. In haar verzoek in hoger beroep stelt de vrouw dat zij de rechtbank bij brief van 4 maart 2010 heeft bericht dat zij haar verzoek daartoe niet langer handhaaft en dat zij verzoekt om volledige toedeling van de bestaande voorzieningen aan de man, waaronder de lijfrenten.

4.9. De derde en de vijfde grief van de vrouw lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In haar derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank haar op artikel 1:84 BW gebaseerde verzoek tot vergoeding door de man aan haar van de kosten van de huishouding gedurende de periode van 14 februari 2005 tot 15 november 2007 ten onrechte heeft afgewezen. De vijfde grief betreft het in eerste aanleg door de vrouw onbetwist laten van de stelling van de man dat hij haar in 2005 als kosten van de huishouding een bedrag van € 54.143,- netto heeft betaald. De vrouw stelt dat de man over genoemde periode te weinig heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding en dat die bijdrage niet overeenkomstig de draagplicht van de man is geweest. De man betaalde aan huishoudgeld in genoemde periode een bedrag van € 3.000,- per maand, waarmee zij maandelijks een netto bedrag van € 1.900,- tekort kwam, aldus de vrouw. De vrouw verwijst naar de beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Amsterdam van 3 december 2008 waarin de huwelijks gerelateerde behoefte van de vrouw is vastgesteld op een bruto bedrag van € 8.800,-. Zij stelt dat daarmee vaststaat dat zij in de periode waarover de grieven handelen behoefte had aan een netto bijdrage in de kosten van de huishouding van € 4.900,- per maand.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de man in de periode waarover deze grief gaat maandelijks een bedrag van € 3.000,- aan de vrouw heeft betaald. De vrouw stelt dat dit bedrag onvoldoende was voor de bestrijding van de kosten van de huishouding en dat zij heeft moeten interen op haar vermogen. Partijen woonden in genoemde periode feitelijk niet samen: de man woonde in [a] en de vrouw in [b]. De vrouw stelt weliswaar dat zij er regelmatig bij de man op heeft aangedrongen een hoger bedrag te betalen, doch zij heeft toen de man aan die verzoeken geen gehoor gaf, daarin kennelijk nimmer aanleiding gezien een op artikel 1:84 BW gebaseerd verzoek in te dienen. De stelling van de vrouw dat de hoogte van een bijdrage in de kosten van de huishouding op grond van artikel 1:84 BW gelijk is te stellen aan de huwelijksgerelateerde behoefte zoals deze in alimentatiezaken wordt berekend, is onjuist. Bij het bepalen van partneralimentatie gelden andere uitgangspunten dan bij het bepalen van een bijdrage in de kosten van de huishouding. Daar komt bij dat de vrouw het door haar gestelde bedrag van € 1.900,- per maand dat zij maandelijks tekort kwam, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende heeft onderbouwd. Het door haar overgelegde overzichtje van kosten is daartoe, gelet op de daarover door de man gemaakte opmerkingen, onvoldoende. Voorts constateert het hof dat volgens het rapport van Boringa het vermogen van de vrouw in 2005 en 2006 niet is afgenomen doch is toegenomen, hetgeen niet aannemelijk maakt dat de vrouw op haar vermogen heeft moeten interen. Het hof zal, evenals de rechtbank, het verzoek van de vrouw afwijzen. Door het falen van de derde grief, heeft de vrouw bij bespreking van de vijfde grief geen belang meer.

4.10. In de vierde grief stelt de vrouw dat de rechtbank haar verzoek om een verklaring voor recht te geven dat de door haar van de man ontvangen bedragen vanaf 14 februari 2005 tot 15 november 2007 kosten van de huishouding zijn, ten onrechte gedeeltelijk heeft afgewezen. Het hof volgt de vrouw deels in deze grief. Ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de man de aan de vrouw betaalde bedragen over genoemde periode als alimentatiebetalingen bij zijn aangiften inkomstenbelasting heeft opgegeven en dat hem daarvoor fiscale aftrek is verleend. Voorts is gebleken dat aan de vrouw over 2005 en 2006 reeds definitieve aanslagen inkomstenbelasting zijn opgelegd en dat zij over de bedragen die de man in die jaren fiscaal heeft afgetrokken, geen inkomstenbelasting heeft moeten betalen. Dat betekent dat zij bij haar verzoek over genoemde jaren geen belang heeft. Anders ligt dat voor de periode van 1 januari tot 15 november 2007. De man heeft zijn verzoek tot echtscheiding eind november 2006 ingediend. Tot het moment dat de vrouw de rechtbank vroeg een bijdrage in haar levensonderhoud bij wege van voorlopige voorziening vast te stellen in oktober 2007, is hij aan haar de tot dan gebruikelijke kosten van de huishouding blijven betalen. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de grief van de vrouw slaagt en dat, voor zover alsnog aan de vrouw een belastingaanslag zal worden opgelegd gebaseerd op de betalingen door de man van 1 januari tot 15 november 2007, de man het bedrag van de aanslag voor zover betrekking hebbend op de betalingen van € 3.000,- per maand aan de vrouw zal dienen te vergoeden.

4.11. De zesde grief van de vrouw betreft een schenking van de vader van de man groot € 20.000,- op 30 juni 2006 op de zogenaamde en/of rekening van partijen met als omschrijving: “bekend”. In een latere brief staat de schenking omschrijven als: “[de man] gift van [vader van de man]”. De vrouw maakt aanspraak op de helft van genoemd bedrag. De rechtbank heeft haar verzoek afgewezen omdat zij in het licht van de betwisting door de man en mede gezien de inhoud van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen, onvoldoende heeft onderbouwd op welke gronden de gift van de vader van de man een schenking aan beide partijen betrof. Het feit dat het geld enige tijd op een gemeenschappelijke rekening van partijen heeft gestaan, zegt niets over de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de tegoeden op een dergelijke rekening, aldus de rechtbank. Daartegen richt zich de grief van de vrouw. De vrouw beroept zich op het onder 2.2 van deze beschikking opgenomen artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden.

Het hof overweegt dat de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat de door de vader van de man ná de peildatum gedane schenking ook voor de helft voor haar was bedoeld. Uit de tekst van de overschrijving blijkt naar het oordeel van het hof niet dat de schenking ook voor de vrouw was bedoeld. De overmaking van de schenking op de en/of rekening is onvoldoende om te kunnen aannemen dat de wil van de vader was gericht op schenking aan beide partijen. Dit klemt te meer daar de man onweersproken heeft gesteld dat de schenking is gedaan op rekeningnummer […], een rekening die de man sinds zijn tienerjaren had en bij de vader bekend was en die tijdens het huwelijk met de vrouw is omgezet naar een en/of rekening. Voorts heeft de man onweersproken gesteld dat hij diverse pogingen heeft gedaan om de vrouw te bewegen tot ongedaan making van de huidige tenaamstelling, doch dat de vrouw daaraan haar medewerking weigert. Het hof is, gegeven deze omstandigheden, van oordeel dat uit het woord “bekend” bij de gift moet worden afgeleid dat de vader de schenking alleen aan de man wilde doen toekomen. De zesde grief faalt dan ook.

4.12. De zevende grief van de vrouw richt zich tegen de afwijzing van de rechtbank van haar verzoek de man te veroordelen inzage te geven in zijn inkomen en vermogen in zowel binnen- als buitenland vanaf 1993 tot en met 2008 en omtrent zijn lijfrenteaftrek en uitleg te geven over het negatieve eigen vermogen over de jaren 2003 tot en met 2006, dit alles op straffe van een dwangsom.

Ook het hof wijst de verzoeken van de vrouw af en zal de beschikking van de rechtbank op dit punt bekrachtigen. Het onderhavige dossier omvat onder meer zeven ordners met stukken. Alle financiële stukken van de man alsmede zijn belastingaangiften die voor de onderhavige procedure van belang zijn, bevinden zich daarin. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw onvoldoende concreet heeft toegelicht en onderbouwd op welke grond zij van oordeel is dat inzage in andere stukken alsnog wenselijk is en welk doel dat zou dienen. Haar stelling dat de man vermogen in het buitenland heeft dat hij buiten de verrekening tracht te houden heeft zij, na de gegeven uitleg van de man over een bedrag dat in het verleden op een rekening bij een Belgische bank heeft gestaan maar thans niet meer en de gemotiveerde betwisting door de man dat er thans nog geld op enige bank in het buitenland staat, onvoldoende onderbouwd.

4.13. Tot slot het verzoek de man te veroordelen in de werkelijk door de vrouw gemaakte kosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 102.828,70. Nog daargelaten dat de vrouw op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd dat haar advocaatkosten voor het onderhavige hoger beroep dit bedrag hebben bedragen, acht het hof in hetgeen de vrouw aanvoert geen termen aanwezig tot toewijzing van haar verzoek. De proceshouding van beide partijen maakt dat de proceskosten van dit hoger beroep op de gebruikelijke wijze zullen worden gecompenseerd, derhalve acht het hof evenmin termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten van het hoger beroep van de vrouw, zoals door de man verzocht.

4.14. In incidenteel hoger beroep heeft de man het hof verzocht de vrouw te veroordelen aan haar over te leggen al haar pensioengegevens terzake de pensioenopbouw - naar het hof aanneemt - ten tijde van het huwelijk, zodat te dier zake de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding correct toegepast kan worden. De vrouw heeft ter zitting verklaard daartegen geen bezwaar te hebben en bereid te zijn alle door de man gewenste gegevens over te leggen, zodat het hof dit verzoek van de man zal toewijzen. Zijn verzoek de vrouw te veroordelen om haar aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting vanaf 2000 tot en met 2010 over te leggen op straffe van verbeurte van een dwangsom, heeft de man ter zitting ingetrokken, zodat het hof op dat verzoek niet meer hoeft te beslissen.

4.15. De conclusie van het voorgaande is dat het hof de peildatum bepaalt op 31 december 2004. In principaal hoger beroep zal de man worden veroordeeld aan de vrouw te betalen een bedrag van € 53.610,50. Voorts zal worden bepaald dat de vrouw recht heeft op betaling van de man van een bedrag van € 24.225,-, te weten de helft van het gezamenlijk vermogen voor zover de vrouw na de peildatum van het gezamenlijk vermogen daarvan niets in bezit had of heeft ontvangen, en dat de bedragen die de vrouw na de peildatum wel van het gezamenlijk vermogen in bezit had of heeft ontvangen, op genoemd bedrag in mindering komen. Voorts zal worden bepaald dat voor zover de vrouw over de periode 1 januari tot 15 november 2007 een aanslag inkomstenbelasting ontvangt over de in die periode ontvangen maandelijkse betalingen van € 3.000,-, de man de daarop betrekking hebbende belastingaanslag aan de vrouw zal dienen te voldoen. Voor het overige worden de verzoeken van de vrouw afgewezen.

In incidenteel hoger beroep zal de vrouw worden veroordeeld aan de man binnen één maand na heden alle gegevens te verstrekken omtrent tijdens het huwelijk door haar opgebouwd pensioen met het oog op een correcte afwikkeling van een en ander op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

4.16. Dit leidt tot de navolgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

In principaal hoger beroep

bepaalt de peildatum voor de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen op 31 december 2004;

veroordeelt de man aan de vrouw terzake van verrekening op grond van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden een bedrag te betalen van € 53.610,50 (zegge: drieënvijftig duizend zeshonderd en tien euro en vijftig eurocent);

bepaalt dat de vrouw recht heeft op een bedrag van € 24.225,- zijnde de helft van het op genoemde peildatum volgens het rapport Boringa bestaande gezamenlijk vermogen, onder aftrek van eventuele bedragen die de vrouw na de peildatum van dit gezamenlijk vermogen heeft ontvangen of waarover zij de beschikking heeft gehad;

bepaalt dat indien en voor zover aan de vrouw over de periode van 1 januari tot 15 november 2007 een aanslag inkomstenbelasting zal worden opgelegd gebaseerd op door de man gedane betalingen in die periode van € 3.000,- per maand, de man de door de vrouw te betalen belasting aan haar dient te vergoeden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin het onder 2.3, 2.7, 2.8, 2.15 en 2.16 verzochte is afgewezen;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam ter verdere afdoening en beslissing met inachtneming van het in deze beschikking bepaalde;

In incidenteel hoger beroep

veroordeelt de vrouw binnen één maand na heden aan de man alle gegevens te verstrekken omtrent tijdens het huwelijk door haar opgebouwd pensioen met het oog op een correcte afwikkeling van een en ander op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In principaal en in incidenteel hoger beroep

wijst af het zowel in principaal hoger beroep als in incidenteel hoger beroep meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, W.J. van den Bergh en L.H.M. Zonnenberg in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2011.