Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6840

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
200.077.860-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2126, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

EU-recht. Vo 261/2004. Luchtvaartzaak: compensatie bij vertraging. Hof volgt Sturgeon-arrest HvJ EU. Geen strijdigheid met IATA-arrest en Verdrag van Montreal. Geen aanleiding voor stellen van prejudiciële vragen of aanhouding. Beroep op buitengewone omstandigheden onvoldoende feitelijk toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2012/47
S&S 2012/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2011

GERECHTSHOF AMSTERDAM

DERTIENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

CHINA SOUTHERN AIRLINES COMPANY LIMITED,

gevestigd te Guangzhou City, China,

APPELLANTE,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUCLAIM B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer, kantoorhoudende te Brummen,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. C.W.J. de Bont te Doetinchem.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna aangeduid als CSA respectievelijk EUclaim.

CSA is bij dagvaarding van 6 oktober 2010 in hoger beroep gekomen van een vonnis van kantonrechter te Haarlem, in deze zaak met zaak/rolnummer 395168/CV EXPL 08-10281 gewezen tussen EUclaim als eiseres en CSA als gedaagde en uitgesproken op 15 juli 2010.

CSA heeft bij memorie acht grieven aangevoerd, bewijs van haar stellingen aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van EUclaim alsnog zal afwijzen en haar zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen ingevolge het vonnis waarvan beroep is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert de dag van die betaling, met veroordeling van EUclaim in de kosten van het geding in beide instanties.

EUclaim heeft bij memorie van antwoord een incident opgeworpen waarin zij tot niet-ontvankelijkheid van het appel concludeert en heeft voorts de grieven bestreden en producties overgelegd met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen met veroordeling van CSA in de kosten van het geding in hoger beroep.

CSA heeft in het incident geantwoord. Bij tussenuitspraak van 27 september 2011 heeft het hof het beroep van EUclaim op de niet-ontvankelijkheid van het appel verworpen.

Partijen hebben vervolgens hun zaak ter zitting van het hof van 28 oktober 2011 doen bepleiten, CSA door mrs. R.L.S.M. Pessers en A. Thissen, beiden advocaat te Rotterdam, en EUclaim door mrs. R. Bos en C.W.J. de Bont voormeld, beiden advocaat te Doetinchem, ieder aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Beide partijen hebben bij die gelegenheid nadere producties in het geding gebracht.

CSA heeft op de producties van EUclaim bij akte van 18 november 2011 gereageerd.

Partijen hebben arrest gevraagd.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in haar vonnis onder ‘De feiten’ (1 tot en met 4) de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3. Beoordeling

3.1.(i) [Passagier A], [passagier B] en hun minderjarige zoon [C] (hierna: de passagiers) hebben bij touroperator Kuoni een reis geboekt met onder meer een vlucht van Schiphol naar Beijing.

(ii) Op basis van de daartoe (door Kuoni) met CSA gesloten overeenkomst zou CSA de passagiers op 13 juli 2007 om 20.55 uur lokale tijd vanuit Schiphol per vliegtuig met vluchtnummer CZ 346 vervoeren.

(iii) De passagiers hebben zich op 13 juli 2007 tijdig bij de incheckbalie op het vliegveld gemeld en hebben toen te horen gekregen dat hun vlucht die dag geen doorgang zou vinden.

(iv) CSA heeft de passagiers een overnachting, telefoonkaarten, eten en drinken aangeboden. De passagiers zijn de volgende dag om 23.30 uur alsnog met CSA naar Beijing gevlogen, met vluchtnummer CZ 346d. Eerder die dag was de dagelijkse reguliere vlucht van Schiphol naar Beijing vertrokken.

(v) De passagiers hebben hun aanspraken jegens CSA uit hoofde van voormeld uitstel van hun vlucht gecedeerd aan EUclaim.

(vi) Op 19 november 2009 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ EU) in de gevoegde zaken Sturgeon – Condor en Böck - Air France (zaaknummers C-402/07 en C-432/07, LJN: BK4714, hierna: het Sturgeon-arrest) uitspraak gedaan. Hierin zijn de artikelen 5, 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PbEG 2004, L 46/1) (hierna: verordening nr. 261/2004) aldus uitgelegd dat op het recht op compensatie als bedoeld in artikel 7 ook aanspraak bestaat in het geval van een langdurige vertraging (zijnde een vertraging bij het bereiken van de eindbestemming van drie of meer uren ten opzichte van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd), tenzij de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat deze vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.

(vii) Twijfel over, kort gezegd, de in het Sturgeon-arrest gegeven uitleg van verordening nr. 261/2004 en de rechtsgeldigheid van deze verordening in het licht van die uitleg, heeft diverse rechterlijke instanties, waaronder de High Court of Justice Queen’s Bench Division Administrative Court te Londen, het Amtsgericht Köln en de kantonrechter te Breda ertoe gebracht (nadere) prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU.

3.2. EUclaim vordert in dit geding de veroordeling van CSA tot betaling aan haar van een bedrag van in totaal € 2.157,- bestaande uit € 1.800,- aan hoofdsom en € 357,- voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met rente.

De kantonrechter heeft de vordering van EUclaim toegewezen.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt CSA met haar grieven op.

3.3. Niet in geschil is dat verordening nr. 261/2004 op de rechtsverhouding van CSA met de passagiers van toepassing is.

Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of in de gegeven omstandigheden CSA aan de passagiers de in artikel 7 van deze verordening bedoelde compensatie verschuldigd is geworden, die, gelet op de vliegafstand, in het onderhavige geval € 600,- per persoon beloopt.

3.4. EUclaim heeft zich (primair) op het standpunt gesteld dat de vlucht waarmee de passagiers op 13 juli 2007 naar Beijing zouden afreizen door CSA is geannuleerd en de passagiers derhalve reeds op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 1 sub c van verordening nr. 261/2004 aanspraak hebben op compensatie als bedoeld in artikel 7 van die verordening. Het hof verwerpt dit standpunt (waarvan de juistheid door de kantonrechter in het midden is gelaten). In het Sturgeon-arrest heeft het HvJ EU met betrekking tot het verschil tussen de in de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 261/2004 voorkomende begrippen annulering en vertraging overwogen dat zich een annulering voordoet wanneer de oorspronkelijk geplande en vertraagde vlucht wordt vervangen door een andere vlucht, dat wil zeggen wanneer de planning van de oorspronkelijke vlucht wordt opgegeven en de passagiers zich aansluiten bij de passagiers van een los van de oorspronkelijke vlucht geplande andere vlucht. Indien de vlucht echter volgens de oorspronkelijke planning wordt uitgevoerd maar de daadwerkelijke vertrektijd later valt dan de geplande vertrektijd is sprake van een vertraging, dit ongeacht de duur van het opgetreden uitstel. In het licht hiervan moet de vlucht waarop het onderhavige geschil betrekking heeft als vertraagd worden aangemerkt. Vast staat immers dat de passagiers niet zijn omgeboekt naar een andere, qua planning losstaande vlucht, maar dat hun oorspronkelijke vlucht alsnog is uitgevoerd, zij het op een tijdstip dat gelegen was ruim 26 uur na de oorspronkelijke vertrektijd. Dat zich een vertraging van de vlucht en niet een annulering daarvan heeft voorgedaan vindt ook steun in het feit dat, zoals CSA onweersproken heeft gesteld, er in de desbetreffende week, zoals gepland, zeven lijnvluchten van Schiphol naar Beijing door haar zijn uitgevoerd en van het opgeven van de vooraf door de vervoerder vastgestelde planning van een vlucht op dit traject derhalve geen sprake is geweest.

3.5. Aan de orde is vervolgens de vraag of de passagiers van een vertraagde vlucht als de onderhavige aanspraak kunnen maken op een vergoeding ex artikel 7 van verordening nr. 261/2004 hoewel artikel 6 van deze verordening, waarin de genoegdoening door maatregelen ter compensatie van ongemakken in geval van vertraging is geregeld, daarin niet uitdrukkelijk voorziet. De kantonrechter heeft onder verwijzing naar het Sturgeon-arrest bedoelde vraag in positieve zin beantwoord.

3.6. De grieven III tot en met VI van CSA, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, strekken ten betoge dat de kantonrechter zich niet op het Sturgeon-arrest had mogen baseren nu dit arrest om meerdere redenen niet geacht kan worden het geldende recht weer te geven en dat een en ander tot het stellen van prejudiciële vragen noopt. CSA stelt daarin verder dat voor zover in de onderhavige procedure niet tot het stellen van vragen wordt overgegaan de te nemen beslissing in ieder geval moet worden aangehouden tot dat op de onder 3.1 vii bedoelde vragen door het HvJ EU antwoord is gegeven. Het hof verwerpt dit betoog en overweegt daartoe als volgt.

3.7. In zijn arresten van 10 januari 2006 in de zaak C-344/04 (LJN: AU9523, hierna het IATA-arrest), van 22 december 2008 in de zaak C-549/07 (LJN: BG9388 hierna het Wallentin-arrest, waarover hieronder meer), alsmede het reeds besproken Sturgeon-arrest, die alle betrekking hebben op de geldigheid en/of uitleg van verordening nr. 261/2004, heeft het HvJ EU (eerst de grote kamer daarna twee keer de vierde kamer telkens met dezelfde rapporteur) steeds gewezen op de doelstelling van deze verordening – kort gezegd, het waarborgen van een hoog beschermingsniveau van passagiers met inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen, aangezien instapweigering, annulering of langdurige vertraging van vluchten voor passagiers ernstige moeilijkheden en ongemakken met zich meebrengt – en de gestelde vragen over de verordening in dat licht beantwoord. In zoverre kan worden gesproken van een door het HvJ EU ingezette en ook in het Sturgeon-arrest gevolgde consistente lijn die, althans op het eerste gezicht, niet tot het stellen van (verdere) vragen aanleiding geeft.

3.8. Uit het IATA-arrest volgt dat het HvJ EU de bepalingen van verordening nr. 261/2004 die ertoe strekken de passagier onmiddellijke en gestandaardiseerde compensatie te bieden voor identieke schade – waaronder, kennelijk (zie de in overweging 84 van het bedoeld arrest gekozen formulering) ook het uitbetalen van een gestandaardiseerde vergoeding voor tijdverlies moet worden begrepen - niet in strijd acht met de artikelen 19, 22 en 29 van het Verdrag van Montreal die betrekking hebben op de voorwaarden voor het instellen van een vordering tot vergoeding van de individuele schade die aan de reden van de verplaatsing van de desbetreffende passagier inherent is. De nationale rechter, en mitsdien ook dit hof, is aan het oordeel van het HvJ EU over de geldigheid en uitleg van de verordening gebonden.

3.9. Dat de in het Sturgeon-arrest gegeven uitleg van de artikelen 5, 6 en 7 van verordening nr. 261/2004 in strijd is met het IATA-arrest, vermag het hof niet in te zien. De kantonrechter wijst er in dit verband terecht op dat de in het Sturgeon-arrest beantwoorde vraag een andere is dan die in het IATA-arrest aan de orde was.

Het IATA-arrest betrof vragen over de geldigheid van de artikelen 5, 6 en 7 van verordening nr. 261/2004. Na onderzoek is de uitkomst – kort gezegd – dat genoemde artikelen de verplichtingen van de luchtvaartmaatschappijen nauwkeurig en duidelijk vastleggen en dat deze niet ongeldig zijn vanwege schending van het Verdrag van Montreal dan wel van de beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en gelijkheid en de motiveringsplicht.

Het Sturgeon-arrest handelt vervolgens over de uitleg van genoemde artikelen. Niet valt in te zien dat de in dit arrest gegeven uitleg aan bedoelde artikelen van verordening nr. 261/2004 onverenigbaar is met de uitkomst van het IATA-arrest. Met name is met daarmee niet onverenigbaar het aannemen van een - niet expliciet in artikel 6 voorzien - recht op monetaire compensatie op de voet van artikel 7 omdat er, kort gezegd, geen objectieve rechtvaardiging te vinden is voor het verschil in behandeling tussen passagiers van vertraagde en van geannuleerde vluchten. Het HvJ EU heeft bij deze uitleg (ten overvloede) aansluiting gezocht bij hetgeen in punt 15 van de considerans bij verordening nr. 261/2004 is overwogen. Dat diezelfde considerans en de hierin vermelde disculpatiemogelijkheid in het IATA-arrest geen reden was voor het ongeldig verklaren van de artikelen 5 en 6 verordening nr. 261/2004 omdat in deze artikelen geen disculpatiemogelijkheid is opgenomen voor de verplichting om in geval van annulering en vertraging verzorging en bijstand te bieden, betekent nog niet dat deze considerans bij de hiervoor bedoelde uitleg geen rol kan spelen.

Dat de uitspraak van het HvJ EU in de Sturgeon-zaak in relevante mate tot ongelijke behandeling kan leiden is niet zodanig evident dat het door het HvJ EU in die zaak (juist) aan het gelijkheidsbeginsel ontleende argument niet opgaat.

CSA heeft voorts nog aangevoerd dat het aannemen van het bestaan van een recht op vergoeding in geval van vertraging in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, welk beginsel aan een extensieve uitleg van de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 261/2004 in weg staat, en met het evenredigheidsbeginsel, dit laatste mede in verband met de daarvan te verwachten (aanzienlijke) nadelige financiële consequenties voor de luchtvaartmaatschappijen. Uit het Sturgeon-arrest valt echter op te maken dat een en ander in de visie het HvJ EU niet opweegt tegen het belang om het met verordening nr. 261/2004 nagestreefde doel te verwezenlijken en daarbij vergelijkbare situaties niet verschillend te behandelen. Van aanwijzingen dat het HvJ EU deze lijn zal verlaten, is niet gebleken. Dit brengt reeds mee dat hier besproken grieven geen doel kunnen treffen.

3.10. Met grief VII stelt CSA aan de orde haar standpunt dat zich buitengewone omstandigheden hebben voorgedaan als bedoeld in het Sturgeon-arrest (en artikel 5 lid 3 van verordening nr. 261/2004) en dat dit aan het honoreren van een aanspraak op vergoeding in de weg staat. CSA beroept zich in dit verband op technische mankementen waarmee niet alleen het voor de uitvoering van de vlucht bestemde luchtvaartuig bij aankomst in Beijing vanuit Guangzhou City maar tevens een vanuit Guangzhou City aangevlogen reserveluchtvaartuig en een Beijing aanwezig reserveonderdeel behept bleken te zijn. In het reeds genoemde Wallentin-arrest is met betrekking tot artikel 5 lid 3 van verordening nr. 261/2004, onder verwijzing naar het reeds besproken doel van deze verordening, onder meer overwogen dat die bepaling strikt moet worden uitgelegd en is de ook in dit geding aan de orde zijnde vraag of technische mankementen daaronder vallen in die zin beantwoord dat een technisch probleem bij een luchtvaartuig niet valt onder het begrip buitengewone omstandigheden behoudens indien dit probleem voortvloeit uit gebeurtenissen die wegens hun aard of hun oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en waarop deze geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. In het arrest van het HvJ EU worden als voorbeelden van dit laatste genoemd de bekendmaking door de fabrikant van het betrokken toestel, of een bevoegde autoriteit, van een verborgen fabricagefout die gevolgen heeft voor de vliegveiligheid of beschadigingen aan het vliegtuig als gevolg van sabotage of terrorisme.

Dat zich in het onderhavige geval bijzondere omstandigheden van zodanige aard hebben voorgedaan, is door CSA onvoldoende feitelijk toegelicht. Het enkele feit dat CSA aan haar onderhoudsverplichting heeft voldaan en dat de technische mankementen niet tijdens het verrichten van dit onderhoud zijn geconstateerd, is daartoe onvoldoende. Haar bewijsaanbod zal mitsdien worden gepasseerd. Dit brengt mee dat ook deze grief geen doel treft.

3.11. Grief VIII mist zelfstandige betekenis en kan na het voorgaande buiten bespreking blijven. Over de appellabiliteit van het vonnis van de kantonrechter is reeds in voor CSA gunstige zin beslist; zij heeft geen verder belang bij de behandeling van grief I. Bij een bespreking van grief II, die in hoger beroep door CSA niet langer gehandhaafd verweer betreft bestaat evenmin belang.

3.12. Het voorgaande brengt mee dat de grieven niet leiden tot een andere uitkomst van het geding. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. CSA zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4. Beslissing

het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt CSA in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van EUclaim tot op heden begroot op € 640,- aan verschotten en € 1.896,- voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en C.C.W. Lange en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 december 2011.