Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6148

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
200.023.758-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease; Dexia toegelaten te bewijzen dat echtgenote met het bestaan van de door haar echtgenoot gesloten leaseovereenkom¬sten bekend was meer dan drie jaar voor 13 september 2005. Dexia is niet in het bewijs geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANTE ],

wonend te [ H ],

APPELLANTE,

advocaat: mr. S.A. van der Sluijs te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk [ Appellante ] en Dexia genoemd.

Op 1 maart 2011 is door het hof in deze zaak een tussen¬arrest (hierna: het tussenarrest) uitgesproken. Voor het ver¬loop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar het tus¬senarrest.

Vervolgens zijn aan de zijde van Dexia op 27 april 2011 twee getuigen gehoord. Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt. [ Appellante ] heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.

Daarna hebben partijen ieder – eerst Dexia, daarna [ Appellante ] – een memorie na enquête genomen.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het hof blijft bij en bouwt hierna voort op hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist.

2.2 In het tussenarrest is Dexia toegelaten te bewijzen dat [ Appellante ] met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend was meer dan drie jaar voor 13 september 2005.

2.3 Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft Dexia als getuigen doen horen [ Appellante ] en [ X ], de geregistreerde partner van [ Appellante ].

2.4 Als getuige heeft [ X ] voor zover van belang – als volgt verklaard:

“Het is juist dat op grond van die overeenkomsten flinke bedragen aan mij zijn uitgekeerd. (rc: Dexia noemt in de memorie van antwoord onder 8 een totaal bedrag van € 80.000,-). Ik heb een gedeelte van de uitgekeerde bedragen benut als spaarpot, een gedeelte heb ik opnieuw belegd in effecten-leaseovereenkomsten en van een gedeelte heb ik in 1999 een nieuwe auto gekocht. Ik heb mijn vrouw Sophia [ Appellante ], die in die tijd niet mijn vrouw was, nooit over de uitbetalingen door Dexia verteld. Zij wist wel dat ik een nieuwe auto had gekocht en daarmee heeft zij ook gereden. Ik heb gezegd dat ik die uit een spaarpotje had betaald. In de periode waarin ik deze leaseovereenkomsten ben aangegaan, leefde ik van een uitkering van ongeveer 1800 gulden bruto per maand.

Naar aanleiding van de opmerking dat ik € 80.000,- heb ontvangen op grond van de hier bedoelde leaseovereenkomsten wil ik opmerken dat het volgens mij 80.000,- gulden is geweest, dus geen euro’s.

(...)

Ik heb mijn vrouw niets verteld over het aangaan van deze leaseover¬eenkomsten. Ik vond dat haar dit niets aanging. Ik heb haar pas voor het eerst over deze leaseovereenkomsten gesproken naar aanleiding van een ontmoeting bij mijn dochter en een vriendin van mijn dochter, waarbij het onderwerp effectenlease ter sprake kwam. (...) Dit zou dus ergens in 2004 moeten zijn geweest, maar zeker weten doe ik dit niet.

(...) Het tweede [stuk, het aanmeldingsformulier Dexia Aanbod, hof] is door mijn vrouw ondertekend. Daarvan weet ik niets. Ik heb nooit met mijn vrouw over het Dexia Aanbod gesproken en ik heb nooit met haar over het ondertekenen van deze stukken gesproken.

Van deze [door [ Appellante ] aangegane, hof] overeenkomsten wist ik niets. Dit is ook in 2004 naar voren gekomen tijdens een gesprek met de vriendin van mijn dochter waarover ik daarnet verklaarde.

(...)

De betalingen die ik aan Dexia heb gedaan wegens de leaseovereenkomsten zijn steeds gedaan vanaf een bankrekening die alleen op mijn naam stond.

Ik verklaarde eerder dat ik in 1999 een nieuwe auto heb gekocht na de ontvangst van een uitbetaling van Dexia. Ik denk bij nader inzien dat dit in 2000 is geweest, maar helemaal helder voor de geest staat mij dit niet. Mijn vrouw is erbij geweest toen ik de auto kocht. Wij zijn samen gaan kijken.

Ik heb mijn vrouw verteld dat ik een spaarrekening had toen ik de auto kocht. Zij was verbaasd. Ik vond dat zij niet meer hoefde te weten. Ik heb haar niet verteld dat ik een rekening bij Legiolease of Dexia had.

Ik heb niet samen met mijn vrouw belastingaangifte gedaan in de jaren waarin de effectenleaseovereenkomsten liepen.

(...)

Ik heb niet bijgedragen aan kosten voor de kinderen. Mijn vrouw heeft niet doorgevraagd over het geld waarmee de nieuwe auto werd betaald. Ik leefde puur op mijzelf.”

2.5 Als getuige heeft [ Appellante ] – voor zover van belang – als volgt verklaard:

“Deze overeenkomsten van effectenlease zijn door mij aangegaan. (...) Ik dacht dat het iets voor mij was omdat ik van collega’s had gehoord dat zij op zulke overeenkomsten winst hadden gemaakt. Ik heb pas in 2004 met mijn man [ X ] over deze overeenkomsten gesproken. Bij het aangaan van de overeenkomsten heb ik er niet met hem over gesproken.

Ik ben er pas achter gekomen dat ook mijn man het Dexia Aanbod had aanvaard naar aanleiding van, ik meen, een lezing van Piet Koremans van het Platform Aandelenlease. Eerder wist ik daar niets van. (...) Ik heb niet met mijn man gesproken dat ik het Dexia Aanbod zou aanvaarden.

Ik heb die brief [van 13 september 2005, hof] wel ondertekend maar niet zelf geschreven. Mijn man kwam hiermee en legde uit dat als ik deze brief zou ondertekenen, hij goede kans had dat geld terug te krijgen.

(...) Onze belastingconsulente heeft de brief geschreven (...). Mijn man en ik deden ieder apart belastingaangifte. De consulente verzorgde dit voor ieder van ons.

(...)

Nu u mij voorhoudt dat ik de drie leaseovereenkomsten die mijn man in 2000 en 2001 is aangegaan heb vernietigd, herinner ik mij dat het mijnheer Meijer is geweest die mij heeft gezegd dat ik juist deze overeenkomsten moest vernietigen. Met de eerdere overeenkomsten kon hij niets meer. (...)

Ik heb pas in november 2004 gehoord dat mijn man effectenlease¬overeenkomsten was aangegaan. Dit was op een feestje bij mijn dochter, waar een vriendin van mijn dochter vertelde over leaseovereenkomsten die zij was aangegaan en waardoor zij zich tekort gedaan voelde. Zij vertelde mij toen dat ik mijn man erin kon steunen om net als zij ook een proces tegen Dexia te beginnen om op die manier nog geld terug te halen. Toen hoorde ik pas voor het eerst dat mijn man leaseovereenkomsten was aangegaan; ik dacht nog: “nou jij weet meer dan ik”. Na het feestje bij mijn dochter zijn de leaseovereenkomsten die mijn man was aangegaan, voor het eerst tussen hem en mij besproken; toen nog niet met naam en toenaam, dit is pas later bij mijnheer Meijer op kantoor gebeurd.

De nummers van de leaseovereenkomsten die in mijn verklaring zijn vermeld, heb ik op kantoor bij mijnheer Meijer vernomen. (...)

Ik weet dat er een nieuwe auto is gekocht nadat mijn man en ik een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Die is voor het grootste deel betaald met geld van mijn man. Ik weet niet hoe hij daaraan kwam. Ik heb daarnaar ook niet doorgevraagd. (...)

Ik hoor dit nu voor het eerst. Ik wist niet dat mijn man ruim € 80.000,- van Dexia, volgens Dexia, zou hebben ontvangen. Het is een verrassing voor mij. Ik vraag mij af of het geen guldens zijn geweest. Het viel mij wel op dat mijn man altijd gul was, maar zijn moeder was dit ook.

Ik heb één keer post van Dexia gericht aan mijn man op het adres aan de [ adres ] te [ plaatsnaam ] waarop ik woon, gezien, niet vaker. (...) Ik was in 2000 niet bekend met de hoogte van het inkomen van mijn man.”

2.6 Gelet op hetgeen de getuigen hebben verklaard en verder uit de gedingstukken blijkt, is het hof van oordeel dat Dexia er niet in is geslaagd het bewijs te leveren van haar stelling dat [ Appellante ] met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend was meer dan drie jaar voor 13 september 2005. [ X ] en [ Appellante ] hebben beiden verklaard dat [ X ] voor het eerst in 2004 met [ Appellante ] over de leaseovereenkomsten heeft gesproken.

2.7 De door Dexia in haar memorie na enquête aangevoerde omstan¬digheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat [ Appellante ] vóór 13 september 2002 van het bestaan van de leaseovereen¬komsten op de hoogte was, nu deze omstandigheden slechts veronder¬stel¬lingen behelzen, die niet door getuigenverklaringen worden bevestigd. Voor zover Dexia stelt dat de getuigen¬verklaringen kennelijk in strijd met de waarheid zijn, gaat het hof daaraan voorbij, omdat die stelling louter gebaseerd is op speculaties. Uit het feit dat [ X ] wel met hun dochter heeft gesproken over de door hem gesloten leaseovereenkomsten, volgt niet dat [ X ] ook met [ Appellante ] over de in 2000 en 2001 door hem gesloten leaseovereenkomsten moet hebben gesproken en dat hun verklaringen waarin dat wordt ontkend, om die reden niet geloof¬waardig zijn. Evenmin volgt uit het feit dat [ Appellante ] op haar eigen adres ten minste één maal post van Dexia voor [ X ] heeft gezien, dat zij met [ X ] moet hebben besproken dat zij leaseoveenkomsten met Dexia wilde aangaan en dat haar andersluidende verklaring om die reden niet geloof¬waardig is. Voorts stelt Dexia dat door het antwoord van [ Appellante ] op de vraag naar de forse uitkeringen die [ X ] in het verleden heeft genoten, wordt bevestigd dat de verklaringen van de getuigen niet stroken met de waarheid. Uit het feit dat, naar aanleiding van de opmerking dat [ X ] € 80.000,- van Dexia heeft ontvangen, [ Appellante ] zich verrast toont en zich afvraagt of het geen guldens zijn geweest, hetgeen ook [ X ] als getuige heeft opgemerkt, leidt Dexia af dat [ Appellante ] en [ X ] kennelijk reeds lang geleden over deze uitkeringen hebben gesproken en in een zodanige context dat hen beiden voor de geest is blijven staan dat het om guldens ging. Met die opmerking heeft [ Appellante ] volgens Dexia verraden dat zij wel van die uitkeringen wist. Ook deze uitleg van de verklaring van [ Appellante ] is louter speculatief. Bovendien volgt uit de uitleg van Dexia niet dat [ X ] vóór 13 september 2002 met [ Appellante ] heeft gesproken over de leaseovereenkomsten die hij in 2000 en 2001 heeft gesloten, reeds niet omdat die leaseovereenkomsten zijn geëindigd met een restschuld.

2.8 Aan het slot van de memorie na enquête heeft Dexia voor het eerst aangevoerd dat [ Appellante ] met haar beroep op artikel 1:88 BW misbruik van recht maakt, omdat genoemd artikel strekt ter bescherming van de gemeenschappelijke huishouding, terwijl er in deze zaak ten tijde van het sluiten van de door [ Appellante ] vernietigde leaseovereenkomsten geen gemeenschappelijke huis¬houding bestond en evenmin een gemeenschappelijk financieel belang. Gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde in beginsel strakke tweeconclusieregel is het nieuwe verweer van Dexia, wat daar verder ook van zij, tardief. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat er voor Dexia enige belemmering is geweest om reeds bij memorie van antwoord genoemd verweer te voeren.

2.9 Het voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat toen [ Appellante ] bij brief van 13 september 2005 de leaseover¬eenkomsten buitengerechtelijk vernietigde, de bevoegdheid van [ Appellante ] tot vernietiging van de leaseovereenkomsten was ver¬jaard. De leaseovereenkomsten zijn derhalve rechtsgeldig ver¬nietigd. Dit betekent dat grieven 1 tot en met 3 slagen. Grief 4 behoeft geen afzonderlijke behandeling, omdat de devolutieve werking van het hoger beroep reeds meebrengt dat het hof alle onderdelen van de vordering van [ Appellante ] dient te beoordelen.

3. Slotsom en kosten

De gevorderde verklaring voor recht dat de leaseover¬eenkomsten met de nummers 74881223, 27140815 en 27240490 rechtsgeldig door [ Appellante ] zijn vernietigd zal worden toegewezen, evenals de gevorderde veroordeling van Dexia tot betaling aan [ Appellante ] van al hetgeen uit hoofde van de lease¬overeenkomsten met de nummers 74881223, 27140815 en 27240490 onverschuldigd aan Dexia is betaald. Dexia is wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop zij in verzuim is met de nakoming van haar terug¬betalingsverplichting ter zake van hetgeen [ X ] uit hoofde van die drie leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald. Bij de brief van 13 september 2005 heeft [ Appellante ] genoemde leaseovereenkomsten vernietigd en Dexia verzocht die drie overeenkomsten ongedaan te maken. Bij brief van 18 oktober 2005 heeft Dexia aan [ Appellante ] bericht dat Dexia de vernietiging niet accepteert, omdat naar haar mening de leaseovereenkomsten niet op grond van artikel 1:88 BW aantastbaar zijn. Uit het voorgaande volgt dat Dexia, op grond van artikel 6:83 aanhef en onder c BW, vanaf 18 oktober 2005 jegens [ Appellante ] in verzuim is. Vanaf die datum is Dexia wettelijke rente verschuldigd.

De gevorderde veroordeling van Dexia tot, kort gezegd, onge¬daanmaking van de BKR-registratie, is als na te melden toewijs¬baar.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de leaseovereenkomsten met de nummers 74881223, 27140815 en 27240490 rechtsgeldig zijn vernietigd en veroordeelt Dexia tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [ Appellante ] te betalen hetgeen tot en met heden uit hoofde van de leaseovereenkomsten met de nummers 74881223, 27140815 en 27240490 onverschuldigd aan Dexia is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2005 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Dexia, indien en voor zover bedoelde inschrijving (nog) bestaat, binnen twee weken na de dag van de betekening van dit arrest de inschrijving van [ X ] bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel te doen doorhalen door het BKR te verzoeken deze inschrijving door te halen als ten onrechte geschied, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,-;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van het geding in beide instanties en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [ Appellante ] gevallen, in eerste aanleg op € 189,87 aan verschotten en € 500- aan salaris advocaat, op de voet van artikel 243 Rv. te betalen aan de griffier van de rechtbank en in hoger beroep op € 347,44 aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat, op de voet van artikel 243 Rv. te betalen aan de griffier van het hof;

wijst af het anders of meer gevorderde;

verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en in het openbaar uitge¬sproken op dinsdag 1 november 2011 door de rolraadsheer.