Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU5792

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
200.085.630
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

voornaamswijziging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2012/31 met annotatie van I.J. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.085.630

(zaaknummer rechtbank 295397 / FA RK 10-6433)

beschikking van de familiekamer van 11 oktober 2011

op het verzoek van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen "verzoekster",

advocaat: mr. H.K. Jap-A-Joe te Utrecht.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 april 2011, is verzoekster in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, haar oorspronkelijke verzoek alsnog toe te wijzen.

2.2 De mondelinge behandeling heeft op 30 augustus 2011 plaatsgevonden. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3. De vaststaande feiten

3.1 Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1947 te [geboorteplaats]. Bij haar geboorte is haar de voornaam [M.] gegeven.

3.2 Bij verzoekschrift van 15 oktober 2010 heeft verzoekster de rechtbank verzocht haar toestemming te verlenen om haar voornaam "[M.]" te wijzigen in die zin dat hieraan "[W.]" als tweede voornaam wordt toegevoegd, zodat verzoekster als voornamen zal hebben "[M.] [W.]". Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:4 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter wijziging van de voornamen gelasten op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijk vertegenwoordiger. Voor een dergelijke wijziging dient een voldoende zwaarwichtig belang te bestaan. De vraag wanneer sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang, wordt in de wet en de wetsgeschiedenis niet beantwoord. Naar het oordeel van het hof biedt de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een aantal bruikbare aanknopingspunten die hieronder in 4.2 worden genoemd.

4.2 Voornamen zijn een middel om personen binnen hun familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren. Daarom vallen voornamen onder het begrip privéleven en familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (Guillot v. Frankrijk, rov. 21, EHRM 24 oktober 1996, NJ 1997, 324). Niet iedere regulering houdt ook een inmenging in; een weigering om een voornaam aan te vullen kan niet zonder meer als ongeoorloofde inmenging worden aangemerkt (Stjerna v. Finland, EHRM 25 november 1994, series A no 299-B, rov. 38). Steeds dient in dit verband onderzocht te worden of er sprake is van een "fair balance" tussen enerzijds de belangen van het individu en anderzijds de belangen van de staat, waarbij niet uit het oog kan worden verloren dat de staat een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt (o.a. Evans v. het Verenigd Koninkrijk, EHRM [GC] 10 april 2007, no. 6339/05, rov. 75 en Johansson v. Finland, EHRM 6 september 2007, no. 10163/02 rov. 29). Bepalend bij de vraag of een weigering om een bepaalde voornaam toe te kennen een ongerechtvaardigde inmenging oplevert, is de mate van ongemak/overlast ("the degree of inconvenience") die de betrokkene hiervan ondervindt. Daarbij dienen alle feiten en omstandigheden te worden meegewogen, waaronder ook de vraag of het voor de betrokkene feitelijk toch mogelijk is de gewenste voornaam te voeren (vgl. de hiervoor bedoelde uitspraak van het EHRM Guillot v. Frankrijk, rov. 23 e.v. en Salonen v. Finland, Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, 2 juli 1997, no. 27868/95).

4.3 Naar het oordeel van het hof staat vast dat de door verzoekster gewenste voornaam niet ongepast is in de zin van artikel 1:4 lid 2 BW, dat deze niet overeenstemt met een bestaande geslachtsnaam en het daarnaast voor verzoekster ook feitelijk mogelijk is de naam [W.] als tweede voornaam te voeren.

4.4 Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij al jarenlang lijdt onder de vrees voor misbruik van haar identiteit door derden en dat zij van mening is dat toevoeging van de voornaam [W.] haar vrees zal wegnemen en haar gemoedsrust zal geven. Zij vermoedt dat haar huidige naam door anderen, onder wie haar broer, voor illegale doeleinden gebruikt wordt, maar zij kan niet aangeven waarop haar vermoedens gebaseerd zijn en op welke wijze het door haar gevreesde misbruik voorkomen kan worden door toevoeging van de naam [W.]. Voorts heeft verzoekster verklaard dat zij door haar familie noch door anderen ooit [W.] is genoemd, dat zij deze voornaam zelf niet voert en ook nooit gevoerd heeft en dat deze voornaam geen bijzondere betekenis voor haar heeft.

4.5 Het hof is van oordeel dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij feitelijk hinder ondervindt van de voornaam [M.] zonder toevoeging van [W.] als tweede voornaam. Hoewel aannemelijk is dat verzoekster een persoonlijk belang ervaart bij toevoeging van de voornaam [W.] doordat – naar zij hoopt – voornoemde vrees daardoor zal verminderen of verdwijnen, heeft zij geen feiten of omstandigheden gesteld die dat subjectieve belang in meer of mindere mate kunnen objectiveren. Al hetgeen zij ter zitting heeft aangevoerd komt naar het oordeel van het hof uitsluitend voort uit haar persoonlijke beleving van de werkelijkheid. Hoewel het hof op zichzelf begrip heeft voor de wens van verzoekster haar voornaam te wijzigen als verzocht, is het door haar gevreesde misbruik van haar identiteit naar het oordeel van het hof geenszins komen vast te staan en is haar vrees daarvoor objectief niet invoelbaar.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat verzoekster niet een voldoende zwaarwichtig belang heeft voor de door haar gewenste toevoeging van de voornaam [W.].

5. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, P.L.R. Wefers Bettink en J.W.P. Verheugt, bijgestaan door mr. F.C. Alink als griffier, en is op 11 oktober 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.