Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU5148

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
200.072.263/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2006:AV0699
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof komt terug op onjuiste beslissing in arrest van 22 februari 2011 (LJN:BP6510) met betrekking tot het aan zich houden van de zaak en verwijst de zaak voor verdere afdoening (alsnog) naar de kantonrechter te Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/428
NJF 2012/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.072.263/01

23 augustus 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ R ],

APPELLANT,

advocaat: mr. W.H. van Zundert te Rotterdam,

t e g e n

het KONINKRIJK MAROKKO, vertegenwoordigd door zijn

Consulaat-Generaal te Rotterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam.

Partijen worden hierna [ Appellant ] en het Koninkrijk genoemd.

1. Het verdere verloop van het geding na cassatie en verwijzing

Het hof heeft op 22 februari 2011 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest (verder ook: het tussenarrest).

Vervolgens heeft [ Appellant ] onder overlegging van een productie bij memorie nader gesteld en gevorderd als in die memorie is neergelegd. Hij heeft daarbij een bewijsaanbod gedaan en zijn eis gewijzigd.

Hierna heeft het Koninkrijk zich onder overlegging van producties uitgelaten en geconcludeerd tot, kort gezegd, afwijzing van de vorderingen van [ Appellant ].

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2. De verdere beoordeling na cassatie en verwijzing

2.1. Bij het tussenarrest heeft het hof het bestreden vonnis van de kantonrechter te Rotterdam vernietigd, de zaak aan zich gehouden en de zaak naar de rol verwezen opdat [ Appellant ] zijn stellingen uit de inleidende dagvaarding desgewenst kon aanvullen. Het Koninkrijk kon daarop (ten principale) antwoorden.

2.2. Overweging 2.11 van het tussenarrest luidt als volgt:

“Hoewel beide partijen bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof – overigens om begrijpelijke redenen - te kennen hebben gegeven te wensen dat de zaak ingeval van vernietiging van het bestreden vonnis ter verdere afdoening naar de kantonrechter te Rotterdam wordt verwezen, zal het hof de zaak aan zich houden. Tot verwijzing is het hof na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad niet bevoegd, omdat de Hoge Raad die mogelijkheid in zijn arrest van 11 september 2009 niet zelf heeft geopend (laatstelijk HR 24 december 2010, NJ 2011,16)”.

2.3. Het hof stelt thans vast dat die overweging in het licht van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie reeds

HR 16 april 1993, NJ 1993, 654) onjuist is. Immers, nu het hof bij het tussenarrest het bestreden vonnis, waarbij de kanton-rechter te Rotterdam zich bij het ontbreken van rechtsmacht onbevoegd had verklaard tot kennisneming van het onderhavige geschil, had vernietigd, had het de zaak naar die kanton-rechter moeten terugwijzen, tenzij (beide) partijen afdoening door de appelrechter hadden verlangd. Dat was echter niet het geval. Integendeel, partijen hadden het hof juist gevraagd de zaak naar genoemde kantonrechter te verwijzen.

2.4. Het hof komt dan ook – onder aanbieding van excuses aan partijen en hun advocaten – terug van de desbetreffende overweging en zal, doende wat het eerder had behoren te doen, de zaak in de stand waarin zij zich bevindt ter verdere afdoening naar de kantonrechter te Rotterdam verwijzen.

2.5. Het Koninkrijk zal, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze instantie worden verwezen. De kosten na het tussenarrest van 22 februari 2011 worden daarbij buiten beschouwing gelaten. Met betrekking tot de eerste aanleg zal geen kostenveroordeling worden uitgesproken, omdat in die instantie nog verder zal worden geprocedeerd.

3. Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de kantonrechter te Rotterdam teneinde op de hoofdzaak te worden beslist;

verwijst het Koninkrijk in de kosten van het geding in hoger beroep vóór verwijzing en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [ Appellant ] gevallen, op € 332,87 aan verschotten en € 2.682,- aan salaris procureur, op de voet van art. 243 Rv (oud) te voldoen aan de griffier van dit hof;

verwijst het Koninkrijk in de kosten van het geding in hoger beroep na verwijzing en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [ Appellant ] gevallen, op € 87,93 aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat, op de voet van art. 243 Rv (oud) te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C.A. Joustra en A.M.A. Verscheure, en is in het openbaar uitgesproken op

23 augustus 2011 door de rolraadsheer.