Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU4623

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
200.072.324-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding; behoefte; ouderbijdrage; onderhoudsplicht.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 7 juni 2011 in de zaak met zaaknummer 200.072.324/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. M. Verkijk te Haarlem,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A.M. van der Maten te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 23 augustus 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 mei 2010 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 164578/09 4224.

1.3. De man heeft op 11 oktober 2010 een verweerschrift ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 2 september, 22 oktober, 30 november en 2 december 2010 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 13 december 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1993 gehuwd. Hun huwelijk is op 26 mei 1999 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 februari 1999 van de rechtbank Haarlem in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren […] (hierna: [het kind]) [in] 1992. [het kind] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw, doch verblijft thans feitelijk in een kamertrainingscentrum van een zorgaanbieder.

2.2. Bij beschikking van 25 mei 1999 van de rechtbank Haarlem is, voor zover thans van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] op nihil gesteld.

2.3. Partijen hebben nadien nadere afspraken gemaakt over een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind], welke de man sedert 2003 aan de vrouw is gaan voldoen. In de periode van 1 januari 2008 tot 1 maart 2009 heeft de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 250,- per maand voldaan.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1962. Zij vormt met [het kind] een eenoudergezin.

2.5. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1966. Hij is alleenstaand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is het door de vrouw ter zitting van de rechtbank gewijzigde verzoek, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 25 mei 1999, te bepalen dat de man over de maanden maart tot - naar het hof begrijpt - september 2009 aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] zal betalen van € 250,- per maand, afgewezen.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de man over de periode van 1 maart 2009 tot 1 september 2009 aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] zal betalen van € 250,- per maand, althans een zodanige bijdrage als het hof juist zal achten, alsmede met ingang van 1 juni 2010 aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] zal betalen van € 65,- per maand, welk verzoek zij ter zitting in hoger beroep heeft verminderd tot € 60,- per maand.

3.3. De man verzoekt de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek te bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2010 aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] zal voldoen, althans het in hoger beroep verzochte af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat sedert de beschikking van 25 mei 1999 van de rechtbank Haarlem sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek, zodat het hof daarvan uitgaat.

4.2. De vrouw stelt primair dat [het kind] in de periode van 1 maart 2009 tot 1 september 2009 zowel juridisch als feitelijk zijn hoofdverblijf bij haar had en subsidiair dat zij in die maanden daadwerkelijk kosten voor [het kind] heeft gehad die de aan haar uitgekeerde kinderbijslag overstijgen. Zij stelt voorts dat door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) met ingang van 1 juni 2010 een ouderbijdrage van € 120,33 per maand bij haar wordt geïnd in verband met aan [het kind] geboden jeugdzorg en dat de man de helft van die kosten aan haar dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind]. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3. Met betrekking tot de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] over de periode van 1 maart 2009 tot 1 september 2009 overweegt het hof als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat [het kind] in september 2009 bij zijn grootmoeder van vaderszijde is gaan wonen.

De vrouw heeft gesteld dat [het kind] in verband met gedragsproblemen vanaf 1 maart 2009 geregeld bij de grootmoeder van moederszijde (hierna: de grootmoeder mz) logeerde, doch dat zij zelf de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] is blijven betalen. Volgens een door de vrouw overgelegde verklaring van de grootmoeder mz verbleef [het kind] in de periode van 28 februari 2009 tot en met mei 2009 feitelijk bij de grootmoeder mz, hetgeen door de man ook niet wordt betwist. De man betwist echter wel dat [het kind] na diens verblijf bij de grootmoeder mz weer bij de vrouw is gaan wonen. Nu evenwel niet is gebleken van een formele wijziging van de hoofdverblijfplaats van [het kind] in de Gemeentelijke Basisadministratie en evenmin is gebleken dat [het kind] in de onderhavige periode uit huis is geplaatst, acht het hof deze stelling van de man, mede in het licht van de uitdrukkelijke betwisting door de vrouw, onvoldoende aannemelijk geworden.

Anders dan de man voorts betoogt, betekent het enkele feit dat [het kind] gedurende drie maanden bij de grootmoeder mz heeft gewoond, niet dat de vrouw in die periode niet meer verplicht was in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te voorzien. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [het kind] blijkens de stukken in het dossier in die periode op het adres van de vrouw stond ingeschreven en het verblijf bij de grootmoeder mz, mede bezien tegen de achtergrond van het feit dat [het kind] toen niet uit huis was geplaatst, niet bedoeld was van langere duur te zijn. Gelet op de verklaring van de grootmoeder mz en het door de vrouw overgelegde bankafschrift is voorts voldoende komen vast te staan, dat de vrouw aan de grootmoeder mz een bijdrage voor [het kind] van € 200,- per maand heeft voldaan in de periode dat [het kind] feitelijk bij deze laatste verbleef. De man voert nog aan dat voormelde verklaring van de grootmoeder mz onbetrouwbaar is. Het hof volgt de man daarin niet, aangezien het enkele feit dat er sprake is van een familieband tussen de vrouw en de grootmoeder mz onvoldoende is om voornoemde verklaring op grond daarvan onbetrouwbaar te achten en de man zijn stelling overigens niet verder heeft onderbouwd. Anders dan de man acht het hof voorts aannemelijk, mede gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep, dat de vrouw naast de door haar betaalde bijdrage aan de grootmoeder mz nog andere kosten, zoals voor kleding, sport en school, voor [het kind] heeft betaald.

Onder deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode van 1 maart 2009 tot 1 september 2009, waarin [het kind] bij de grootmoeder mz en daarna bij haar woonde, alle kosten van [het kind] heeft voldaan en dat deze de kinderbijslag van - naar de man onweersproken heeft gesteld - € 279,- per kwartaal overstijgen. Gelet op het vorenstaande heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de behoefte van [het kind] aan een door hem te betalen bijdrage van € 250,- per maand, waarvan partijen zelf met ingang van 1 januari 2008 zijn uitgegaan, is verminderd. Hieruit volgt dat deze behoefte van [het kind] in de periode van 1 maart 2009 tot 1 september 2009 nog steeds € 250,- per maand heeft bedragen.

4.4. Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn verweer dat hij onvoldoende draagkracht had en heeft, ingetrokken, zodat dit geen verdere bespreking behoeft. Voor zover de man verzoekt de kosten van [het kind] tussen partijen naar rato van draagkracht te verdelen, stelt het hof vast dat de man geen inzicht heeft gegeven in zijn draagkracht, zodat het hof niet in staat is een draagkrachtvergelijking te maken.

4.5. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man in de periode van 1 maart 2009 tot 1 september 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 250,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.6. Met betrekking tot het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2010 aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] zal voldoen van € 60,- per maand, zal het hof gelet op het verweer van de man eerst beoordelen of de vrouw daarin ontvankelijk is.

De man voert aan dat het hier gaat om een verzoek dat in eerste aanleg door de vrouw is ingetrokken en dat het verzoek bovendien is gebaseerd op de omstandigheid dat de vrouw een ouderbijdrage dient te voldoen aan het LBIO, welke omstandigheid pas na de beschikking van de rechtbank is ontstaan.

Dit betoog faalt reeds, omdat het niet strookt met de feitelijke gang van zaken. De vrouw heeft in haar inleidend verzoek, voor zover thans van belang, verzocht te bepalen dat de man met ingang van 1 maart 2009 aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] zal betalen van € 250,- per maand. Anders dan de man stelt, heeft de vrouw dat verzoek niet prijsgegeven voor zover het de periode na september 2009 betreft. Ter zitting in eerste aanleg van 19 april 2010 heeft de vrouw dat verzoek slechts ingetrokken, voor zover dat betrekking had op de periode dat [het kind] bij zijn grootmoeder van vaderszijde woonde en de man aan zijn moeder een bijdrage voor [het kind] betaalde en zou blijven betalen. Ten tijde van voormelde zitting woonde [het kind] nog bij deze grootmoeder en stond hij op een wachtlijst voor een begeleid kamertraject. Die situatie is nadien gewijzigd. Thans verblijft [het kind] in een zogenoemd kamertrainingscentrum. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 19 april 2010 blijkt bovendien dat de vrouw daar al aan de orde heeft gesteld dat zij een bijdrage van € 120,- per maand zou moeten gaan voldoen. Het hof is van oordeel dat noch enige rechtsregel noch enig beginsel van goede procesorde zich verzet tegen het doen van een verzoek om een bijdrage vanaf juni 2010. De vrouw is dus in dat verzoek ontvankelijk.

4.7. Blijkens de stukken in het dossier is de vrouw op 1 juni 2010 door het LBIO aangesproken tot het voldoen van een ouderbijdrage als bedoeld in artikel 69 van de Wet op de jeugdzorg, ten bedrage van € 120,33. Anders dan de man stelt, brengt het feit dat het LBIO alleen de vrouw heeft aangesproken als de ouder die de ouderbijdrage is verschuldigd, niet mee dat de man niet door de vrouw kan worden aangesproken ter zake van zijn onderhoudsplicht jegens [het kind]. Weliswaar heeft de vrouw sedert juni 2010 niet meer de feitelijke verzorging en opvoeding over [het kind], doch zij kan de man, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:406 lid 1 Burgerlijk Wetboek niettemin aanspreken op zijn verplichting een bijdrage in door haar gemaakte kosten van verzorging en opvoeding te voldoen. Daarvoor is niet vereist dat de minderjarige feitelijk bij de verzoekende ouder verblijft. Tot deze kosten behoort ook vorenbedoelde ouderbijdrage.

Op grond van de stukken in het dossier acht het hof genoegzaam gebleken dat voormelde ouderbijdrage bij de vrouw wordt geïnd. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw deze ouderbijdrage niet verschuldigd is, omdat zij in aanmerking zou kunnen komen voor een vrijstelling van deze betalingsverplichting. Zijn niet nader onderbouwde stellingen in dit verband dat [het kind] een studiefinanciering ontvangt en dat de vrouw een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ontvangt, zijn in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet aannemelijk geworden. Uit door de vrouw overgelegde stukken blijkt juist dat de vrouw een uitkering ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO) en de Werkloosheidswet (WW) geniet. Volgens de cumulatieven vermeld in de uitkeringsspecificatie van november 2010 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar tot dan toe € 25.101,-.

Voorts staat vast dat de vrouw met ingang van 1 juni 2010 geen kinderbijslag meer ontvangt.

Gelet op het vorenstaande en hetgeen hiervoor onder 4.4 ten aanzien van de draagkracht van de man is overwogen, is een door de man met ingang van 1 juni 2010 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 60,- per maand, zoals door de vrouw verzocht, in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 25 mei 1999, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] in de periode van 1 maart 2009 tot 1 september 2009 op € 250,- (TWEE HONDERD VIJFTIG EURO) per maand en met ingang van 1 juni 2010 op € 60,- (ZESTIG EURO) per maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, H.S.G. Verhoeff en A.V.T. de Bie in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2011.