Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3974

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
200.085.448-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Litispendentie; wijziging kinderalimentatie; ingangsdatum; draagkracht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 3
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 12
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 431
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 985
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 30 augustus 2011 in de zaak met zaaknummer 200.085.448/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. D.G. Peters te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. V. Stokvis-Goldstein te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 11 april 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 12 januari 2011, hersteld bij beschikking van 2 maart 2011, van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 449646 / FA RK 10-629 (TG/NW).

1.3. De man heeft op 20 mei 2011 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De vrouw heeft op 9 juni 2011 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5. De man heeft op 20 juni 2011 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 6 juli 2011 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen partijen, beiden bijgestaan door hun advocaten.

1.7. Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft de man nog stukken aan het hof toegezonden, met afschriften daarvan aan de vrouw.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1996 gehuwd. Hun huwelijk is op 31 januari 2002 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 oktober 2001 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn [in] 1998 geboren […] (hierna: [kind A]) en […] (hierna: [kind B]) (hierna gezamenlijk: de kinderen).

2.2. Bij beschikking van 13 maart 2002 van de rechtbank Amsterdam is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 120,25 per maand ten behoeve van [kind B] en van € 50,- per maand ten behoeve van [kind A]. Bij beschikking van 3 augustus 2006 van dit hof is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 13 maart 2002, de bijdrage bepaald op € 175,- per kind per maand met ingang van 3 augustus 2006. Bij beschikking van 13 juni 2007 is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 augustus 2006, de bijdrage op nihil gesteld.

2.3. De vrouw heeft op 24 juli 2009 bij de Marokkaanse rechter een verzoek ingediend, inhoudende haar verzoek de man te veroordelen met ingang van 24 september 2006 een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen aan haar te betalen. De Marokkaanse rechter heeft op haar verzoek nog geen uitspraak gedaan.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1965. Zij heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij vormt met de kinderen een eenoudergezin.

2.5. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1967. Hij heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. Hij is [in] 2010 gehuwd met [x]. Zijn echtgenote verbleef aanvankelijk in Marokko, maar heeft zich op 6 april 2011 in Nederland gevestigd en woont sindsdien samen met de man.

Bij rechtbankvonnis van 25 september 2006 is ten aanzien van hem de toepassing van de schuldsaneringsregeling ingevolge de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna: WSNP) uitgesproken. Op 22 januari 2010 is de toepassing van de WSNP voor hem beëindigd door verbindendverklaring van de slotuitdelingslijst.

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgave over 2010 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 29.766,-.

Hij huurt vanaf 25 augustus 2010 zijn huidige woning. Voor de woning waarin hij voordien heeft gewoond, heeft hij € 190,- per maand aan huur betaald. Hij betaalt thans € 549,- per maand aan huur.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 131,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met de kinderen.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking, hersteld bij beschikking van 2 maart 2011, is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 13 juni 2007, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald op € 90,- per kind per maand met ingang van 12 januari 2011.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de bijdrage te bepalen op € 300,- per kind per maand.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de bijdrage te bepalen op:

a. € 75,- per kind per maand vanaf 25 september 2006 tot 28 oktober 2009;

b. € 175,- per kind per maand vanaf 28 oktober 2009 tot 25 augustus 2010, vermeerderd met de jaarlijkse indexering;

c. € 195,- per kind per maand vanaf 25 augustus 2010, althans zodanig als het hof juist zal achten;

en de man te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad;

- alle achterstallige bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de verschuldigdheid aan haar te betalen;

- bij vooruitbetaling de te vervallen termijnen te voldoen;

- in de kosten van de procedure.

3.3. De man verzoekt primair de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de vrouw niet-ontvankelijk is in de onderhavige procedure, subsidiair de bestreden beschikking te bekrachtigen voor de periode vanaf 12 januari 2011 tot 1 april 2011 en deze te vernietigen voor de periode na 1 april 2011 met vaststelling van die kinderalimentatie die alsdan overeenkomt met de draagkracht van de man onder afwijzing van al hetgeen verzocht is door de vrouw.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Allereerst stelt het hof vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft op grond van artikel 2 lid 1 van de EEX-verordening juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.2. De man stelt in incidenteel appel dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek in principaal appel een door hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen te bepalen, vanwege het hierboven onder 2.3 genoemde, eerder door de vrouw bij de Marokkaanse rechter ingediende verzoek.

4.3. Het hof begrijpt het verzoek van de man als een beroep op het bepaalde in artikel 12 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Hierin is onder meer bepaald dat indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling kan aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing van de buitenlandse rechter voor erkenning en voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd.

Daargelaten of de uitspraak van de Marokkaanse rechter op het door de vrouw in Marokko ingediende verzoek om een kinderbijdrage in Nederland voor erkenning in aanmerking komt, overweegt het hof over de tenuitvoerlegging daarvan in Nederland als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 431 Rv kunnen buitenlandse rechterlijke beslissingen niet binnen Nederland ten uitvoer worden gelegd, behoudens het bepaalde in de artikelen 985 tot en met 994 Rv. Dit leidt ertoe dat voor tenuitvoerlegging van de door de Marokkaanse rechter te geven uitspraak een door de Nederlandse rechter te verlenen rechterlijk verlof nodig zal zijn. Daartoe dient de uitspraak krachtens een verdrag of krachtens de wet in Nederland uitvoerbaar te zijn. Een afwijkende voorziening kan evenwel op grond van een verdrag of een bijzondere wet van toepassing zijn. Het hof overweegt dat, nu gesteld noch gebleken is dat een verdrag of (bijzondere) wet als in een der vorenbedoelde betekenissen van toepassing is, ten aanzien van de door de Marokkaanse rechter te geven uitspraak niet is voldaan aan het vereiste van een voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbare beslissing, zodat artikel 12 Rv toepassing mist.

4.4. In principaal appel is aan de orde of en zo ja, met welk bedrag de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.5. Bij beschikking van 13 juni 2007 is de door de man te betalen bijdrage in voornoemde kosten op nihil gesteld, omdat ten aanzien van hem de toepassing van de WSNP is uitgesproken. De vrouw stelt dat de man ten minste € 150,- per maand zou moeten bijdragen in voornoemde kosten over de periode waarin de WSNP op hem van toepassing was, zodat de nihilstelling behoort te worden herzien. Het hof overweegt dat de vrouw voor die periode evenwel geen wijzigingsgrond in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft gesteld. Voor zover de vrouw heeft bedoeld te betogen dat de beschikking van 13 juni 2007 - die in kracht van gewijsde is gegaan - dient te worden gewijzigd, omdat van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven is voldaan, volgt het hof de vrouw hierin niet, nu zij geen gronden daartoe heeft aangevoerd.

4.6. Beide partijen zijn het erover eens dat een wijzigingsgrond in de zin van artikel 1:401 BW schuilt in de omstandigheid dat de WSNP niet langer op de man van toepassing is. Wel strijden partijen over de datum met ingang waarvan de draagkracht van de man tot het betalen van een onderhoudsbijdrage in verband daarmee opnieuw dient te worden bepaald. Het hof overweegt als volgt. Namens de man is ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij vanaf maart 2010 weer de volledige beschikking heeft over zijn inkomen uit arbeid. Aangezien de man zijn salaris tegen het einde van de maand ontvangt, zal het hof met ingang van 1 april 2010 de draagkracht van de man opnieuw bepalen. Daarbij zal worden uitgegaan - naast de hierboven onder 2.4 genoemde feiten - van het volgende.

Het hof zal het inkomen van de man bepalen aan de hand van zijn jaaropgave over 2010.

Volgens de thans gebruikelijke normen dient bij het bepalen van de draagkracht tot het betalen van een kinderbijdrage geen rekening te worden gehouden met de nieuwe echtgenoot van de onderhoudsplichtige. Het hof zal de man derhalve aanmerken als alleenstaande en ten aanzien van hem de daarbij behorende bijstandsnorm hanteren.

Gelet op hetgeen ten aanzien van de man is gebleken, gaat het hof ervan uit dat hij een zorgtoeslag ontvangt van € 28,- per maand.

Gebleken is dat de man en de kinderen tot voor kort iedere zaterdag omgang met elkaar hebben gehad. Weliswaar vindt thans nauwelijks omgang tussen hen plaats, maar het hof gaat ervan uit dat dit een tijdelijke situatie betreft en het omgangscontact zich weer zal herstellen. Nu het hof de door de man opgevoerde omgangskosten van € 20,- per maand niet onredelijk voorkomt, zal het hof met deze kosten rekening houden.

Van de aanwezige draagkracht acht het hof volgens de thans gebruikelijke normen 70% beschikbaar voor kinderalimentatie.

4.7. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, en gelet op de omvang van het geschil in hoger beroep, is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 175,- per kind per maand met ingang van 1 april 2010 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.8. Er is onvoldoende aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van de procedure, zoals door de vrouw is verzocht. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze te worden gecompenseerd.

4.9. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 13 juni 2007, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, bij vooruitbetaling te betalen voor zover dit toekomstige termijnen betreft, op € 175,- (HONDERD VIJFENZEVENTIG EURO) per kind per maand met ingang van 1 april 2010;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, M.M.A. Gerritzen-Gunst en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2011.