Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3801

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
200.072.427/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BN4352, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 3, eerste lid van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, geen keuze tussen toepassing van Belgisch dan wel Duits recht, geen vervangende toestemming verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 8 maart 2011 in de zaak met zaaknummer 200.072.427/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.B. Streefkerk te Almere.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 25 augustus 2010 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 26 mei 2010 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 442869/FA RK 09-8676.

1.3. De man heeft op 1 oktober 2010 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De vrouw heeft op 16 november 2010 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5. De vrouw heeft op 25 augustus 2010 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 8 december 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer O. Ente, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Amsterdam.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een relatie gehad, welke relatie is beëindigd omstreeks januari 2008, Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2005 (5jr). De man heeft [de minderjarige] erkend.

2.2. De vader heeft de Belgische nationaliteit en de moeder is burger van de Bondsrepubliek Duitsland.

2.3. [de minderjarige] heeft vanaf zijn geboorte de Belgische nationaliteit en is eveneens burger van de Bondsrepubliek Duitsland. In het Nederlandse gezagsregister komt [de minderjarige] niet voor.

2.4. [de minderjarige] verblijft sinds zijn geboorte samen met de man en de vrouw in Nederland. Op 7 oktober 2008 hebben de man en de vrouw in verband met de verbreking van hun relatie een overeenkomst ondertekend, waaruit onder meer een co-ouderschapsregeling blijkt.

De regeling houdt onder meer het volgende in:

‘1. Normal Schedule

As of October [de minderjarige] will spend 50 % of his time with each of the parents. This means that he will spend one full week at Nicole’s place and the next full week at Ronny’s place. This will go on indefinite.’

2.5. Eind 2009 heeft de vrouw aan de man meegedeeld dat zij zich met [de minderjarige] in Berlijn wil vestigen. De man heeft hierop een kort geding procedure aangespannen. De voorzieningenrechter heeft - onder meer - de vrouw verboden om zonder toestemming van de man met [de minderjarige] naar het buitenland te verhuizen en bepaald dat de vrouw de door partijen getekende overeenkomst van 7 oktober 2008 dient na te komen.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is - voor zover thans van belang -:

- voor recht verklaard dat de man en de vrouw tezamen ingevolge het Belgische recht met het gezag over [de minderjarige] zijn belast;

- bepaald dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen op 7 oktober 2008 in het aan de bestreden beschikking gehechte convenant, in het dictum van de beschikking als herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van de beschikking;

- de inhoud van het convenant voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- bepaald dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- voor elke keer dat de vrouw nalatig blijft om aan de bestreden beschikking te voldoen, met een maximum van € 25.000,-.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man - voor zover thans van belang -;

- primair voor recht te verklaren, dat hij en de vrouw tezamen ingevolge het Belgische recht met het gezag over [de minderjarige] zijn belast;

- subsidiair te bepalen dat partijen gezamenlijk worden belast met het ouderlijke gezag over [de minderjarige];

- meer subsidiair te bepalen dat de man met het gezag over [de minderjarige] zal worden belast; en:

- te bepalen dat [de minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft;

- te bepalen dat de regeling die partijen heben getroffen op 7 oktober 2008 integraal onderdeel uitmaakt van de te geven beschikking en voor het geval de vrouw toch gaat verhuizen naar Oost-Duitsland, de regeling vast te stellen zoals nader door de man zal worden voorgesteld;

- te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- voor elke keer dat zij nalatig blijft om aan de beschikking te voldoen, met een maximum van € 25.000,-,

en op het (zelfstandig) verzoek van de vrouw - voor zover thans van belang - :

- primair voor recht te verklaren dat zij het eenhoofdig gezag uitoefent over [de minderjarige];

- subsidiair dat haar vervangende toestemming wordt verleend om met [de minderjarige] naar Duitsland te verhuizen, en;

- een zorgregeling vast te stellen tussen de man en [de minderjarige] conform een in overleg met de psycholoog nog voor te stellen regeling dan wel een regeling welke de rechtbank juist acht.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat de man en de vrouw tezamen ingevolge het Belgische recht met het gezag over [de minderjarige] zijn belast af te wijzen;

- het verzoek van de man om de regeling zoals tussen partijen is overeengekomen op 7 oktober 2008 hier als herhaald en ingelast te beschouwen en deel te laten uitmaken van de beschikking af te wijzen;

- het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke keer dat zij nalatig blijft om aan de beschikking te voldoen, met een maximum van € 25.000,- af te wijzen;

- primair voor recht te verklaren dat de vrouw het eenhoofdig gezag heeft over [de minderjarige] en subsidiair, haar vervangende toestemming te verlenen met [de minderjarige] naar Duitsland te verhuizen.

3.3. De man verzoekt in principaal appel de bestreden beschikking te bekrachtigen. In incidenteel appel verzoekt hij, voor zover wordt bepaald dat de vrouw alleen met het gezag over [de minderjarige] is belast, primair te bepalen dat de ouders gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige], en subsidiair, dat de man met het gezag over [de minderjarige] zal worden belast. Voor zover aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om met [de minderjarige] te mogen verhuizen, verzoekt de man een nog nader in te vullen omgangsregeling te bepalen tussen de man en [de minderjarige].

3.4. Het verweer van de vrouw strekt tot verwerping van het incidenteel appel.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De eerste grief van de vrouw richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man - mede met de vrouw - het gezag heeft over [de minderjarige]. Het hof overweegt als volgt.

Op grond van artikel 3, eerste lid van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (hierna: HKV) wordt een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de Staat waarvan de minderjarige onderdaan is, in alle Verdragsstaten erkend.

Deze erkenningsregel is gericht op de continuïteit van een in een andere staat van rechtswege ontstane gezagsverhouding.

Vast staat dat [de minderjarige] zowel de Belgische als Duitse nationaliteit heeft.

Naar Duits recht heeft de vrouw het eenhoofdig gezag over [de minderjarige]. Naar Belgisch recht oefenen de man en de vrouw gezamenlijk het ouderlijk gezag uit.

Anders dan de vrouw heeft aangevoerd behoeft geen keuze te worden gemaakt tussen toepassing van Belgisch dan wel Duits recht. De beide nationale rechtsstelsels dienen in het onderhavige geval op grond van genoemde erkenningsregel cumulatief te worden toegepast, zodat beide gezagsverhoudingen dienen te worden erkend. Feiten of omstandigheden die daaraan in de weg staan, zijn niet gebleken.

Dit heeft tot gevolg dat in het navolgende het hof tot uitgangspunt strekt dat ook tussen [de minderjarige] en de vader een gezagsrelatie bestaat. Het hof volgt de vrouw niet in haar standpunt dat in het onderhavige geval Nederlands recht van toepassing is bij de beantwoording van de vraag, wie (van rechtswege) is belast met het gezag over het kind. Dat [de minderjarige] al sinds zijn geboorte in Nederland woont, leidt niet tot een ander oordeel. De eerste en ook de tweede grief van de vrouw faalt.

4.2. Door middel van de derde grief (in het beroepsschrift kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘grief 4’) ligt aan het hof ter beoordeling voor het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar Duitsland te verhuizen, nu de vader weigert zijn toestemming hiervoor te geven.

De vrouw stelt in de toelichting op deze grief dat [de minderjarige] in Berlijn een gelukkiger thuissituatie zal hebben. De vrouw voelt zich ongelukkig in Nederland en heeft hier geen familieleden. Dat werkt door naar het kind, dat heel goed aanvoelt of de vrouw zich gelukkig voelt of niet. Voorts stelt de vrouw dat zij meteen kan intrekken in het huis van haar zuster, die elders is gaan wonen en aldus duurzaam kan beschikken over passende woonruimte in Berlijn. Mocht de zuster op enig moment weer willen beschikken over haar woning, dan kan de vrouw zonder problemen een woning vinden op de woningmarkt. Ten slotte voert de vrouw aan dat zij weliswaar geen garantie kan geven dat zij meteen over een baan zal beschikken in Berlijn, maar dat zij, gelet op haar werkervaring en kwaliteiten een baan zal kunnen vinden.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw nog aangevoerd dat een verhuizing haar in staat stelt dichter bij haar moeder, die ziek is, te gaan wonen

4.3. De man meent dat een verhuizing niet in het belang van [de minderjarige] is. Er is geen sprake van een goed voorbereide en geplande verhuizing. De vrouw heeft geen enkel vooruitzicht op een baan en indien haar zuster terugkeert, beschikt zij niet meer over een woning. De man betwist dat de vrouw zonder problemen een andere woning op de woningmarkt zou kunnen vinden. Ook is volgens de man onduidelijk wat voor scholing [de minderjarige] in Duitsland zal krijgen. Scholen in Duitsland staan zeer slecht aangeschreven en ook in dit opzicht is een verhuizing van [de minderjarige] volgens de man niet in zijn belang. Aantoonbaar is uit onderzoek gebleken dat kinderen in Nederland het gelukkigst zijn, een verhuizing naar Oost-Duitsland is zeker niet het beste dat [de minderjarige] geboden wordt.

De man betwijfelt voorts of de vrouw wel zo ongelukkig is als zij stelt.

Tot slot voert de man aan dat een verhuizing naar Oost-Berlijn een gelijkwaardige opvoeding door ieder van beide ouders, zoals partijen altijd voor ogen heeft gestaan, illusoir maakt.

4.4. De Raad heeft ter zitting als advies gegeven - zakelijk weergegeven - dat het kind vooral is gebaat bij overeenstemming tussen de beide ouders. [de minderjarige] bevindt zich in een fase van zijn ontwikkeling waarbij hij zaken op zichzelf gaat betrekken. Wat tussen de ouders niet werkt trekt hij zich aan; hij voelt zich daar medeverantwoordelijk voor. Zij inlevingsvermogen gaat zich ontwikkelen. Kinderen blijken flexibel om te kunnen gaan met (de uitvoering van) een co-ouderschap, maar een co-ouderschap is over het algemeen slecht uit te voeren, wanneer de beide ouders op grote afstand van elkaar wonen. Bij co-ouderschap dienen de ouders dan ook dicht bij elkaar te wonen. Tot slot dient volgens de Raad nog te worden meegewogen dat kinderen weliswaar heel goed pas vanaf hun zevende jaar op school kunnen beginnen, zoals het onderwijssysteem in Duitsland kennelijk meebrengt, maar dat [de minderjarige] reeds in het Nederlandse schoolsysteem is begonnen, derhalve op zijn vierde al naar school is gegaan en thans in groep 2 zit.

4.5. Het hof zal een zodanige beslissing nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij de beoordeling dienen de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar te worden afgewogen. Het belang van het kind staat daarbij voorop, maar dat neemt niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

Bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw dienen het belang van het kind om in een veilige en vertrouwde omgeving te kunnen opgroeien, het belang van de vrouw om met het kind naar Duitsland (Berlijn) te verhuizen en aldaar een nieuw bestaan op te bouwen en het belang van de vader en het kind om regelmatig contact met elkaar te hebben tegen elkaar te worden afgewogen.

4.6. Partijen zijn in oktober 2008, na beëindiging van hun relatie, een zorgregeling overeengekomen als hiervoor onder 2.4 vermeld, waaraan zij sindsdien ook uitvoering hebben gegeven. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van deze zorgregeling, de betrokkenheid van beide ouders bij [de minderjarige], de kwaliteiten van de ouders als verzorgers en opvoeders en het belang dat met het oog op een gezonde ontwikkeling van [de minderjarige] bestaat bij continuïteit in zijn verzorging.

Waar [de minderjarige] thans om de week bij zijn vader woont en dan door hem wordt verzorgd, zullen als gevolg van een verhuizing van [de minderjarige] naar Berlijn de frequentie en daarmee ook de intensiteit van dat contact ingrijpend worden gewijzigd, hetgeen naar het oordeel van het hof onvoldoende wordt ondervangen door de in hoger beroep voorgestelde regeling, die inhoudt dat [de minderjarige] telkens drie weken bij de vrouw in Berlijn verblijft en vervolgens tien dagen bij de man in [a] en waarbij [de minderjarige] dan afwisselend in Duitsland en Nederland naar school zal gaan. Aangenomen moet worden dat een dergelijke regeling voor [de minderjarige] - die vijf jaar oud is - sociaal, emotioneel en fysiek erg belastend zal zijn, dat sprake zal zijn van discontinuïteit in school (maandelijkse wisselingen tussen school in Nederland en voorschool/opvang in Duitsland) alsmede van - naar alle waarschijnlijkheid - verschillen dan wel achterstanden in leerstof en leerniveau. Voorts zal [de minderjarige] twee keer per maand de reis [a]/Berlijn moeten maken, wat eveneens gelet op de afstand en zijn jonge leeftijd belastend zal zijn.

Hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de door de vrouw voorgestelde zorgregeling van een weekend in de zes weken alsmede een vakantieregeling wordt door het hof onderschreven. Deze zorgregeling kan in de praktijk lastig uitvoerbaar zijn. Indien [de minderjarige] op zondag om 18.00 uur weer terug in Berlijn moet zijn, moet hij rond 13.00 uur uit Nederland vertrekken, hetgeen het contact met zijn vader in het omgangsweekend ook nog eens beperkt.

Dat [de minderjarige] en de man door middel van telefoon, e-mail, brief of Skype contact met elkaar kunnen onderhouden gedurende de tijd dat [de minderjarige] in Berlijn woont/verblijft, biedt onvoldoende compensatie voor het verlies van het huidige, intensieve, contact.

4.7. Daarbij komt dat de vrouw ook in hoger beroep teveel onduidelijkheid heeft laten bestaan over de vraag, hoe de situatie voor haar en [de minderjarige] er in Berlijn concreet uit zal zien. Het moge zo zijn dat de vrouw het appartement van haar zus kan betrekken, maar die huisvestingssituatie is met teveel onzekerheden omgeven. Het hof volgt de vrouw, bij gebreke van voldoende onderbouwing, niet in haar stelling dat zij zonder problemen een woning op de woningmarkt zal kunnen vinden als haar zus haar woning weer wil betrekken. Dat klemt temeer nu de vrouw thans geen inkomsten uit arbeid heeft en zij haar stelling dat zij gelet op haar werkervaring en kwaliteiten ook in Berlijn een baan zal kunnen vinden, niet verder heeft toegelicht. Tegen de achtergrond van de door de man overgelegde gegevens over de verschillen in werkloosheid in (Oost)Duitsland en Nederland had het op haar weg gelegen nader toe te lichten, waarom het perspectief op het vinden van een (passende) baan in Berlijn groter is dan in Nederland, waar de vrouw al van mei 2000 tot mei 2003 en vanaf juli 2004 tot april 2010 heeft gewerkt.

4.8. Dat de vrouw, dichter bij haar zieke moeder wil gaan wonen kan, hoe begrijpelijk haar wens daartoe ook is, niet opwegen tegen het belang van [de minderjarige] bij continuering van de zorg, rust en stabiliteit in de huidige situatie. Daarbij komt dat de vrouw in het licht van de bestaande co-ouderschapsregeling voldoende mogelijkheden heeft om contact met haar moeder te onderhouden en haar op gezette tijden in Duitsland te bezoeken.

4.9. Voor het overige onderschrijft het hof hetgeen de rechtbank op bladzijde 5 (4e en 5e alinea) en bladzijde 6 (1e alinea) van de bestreden beschikking heeft overwogen in het kader van de vereiste belangenafweging. Om onnodige herhaling te voorkomen wordt daarnaar verwezen. In hoger beroep zijn geen andere of nieuwe feiten aangevoerd die tot een andere afweging nopen.

4.10. Alle belangen en omstandigheden van dit geval afwegende, is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar belang bij verhuizing naar Berlijn zwaarder weegt dan het belang van [de minderjarige] om in zijn vertrouwde omgeving te blijven wonen alsmede het belang van de man en [de minderjarige] bij voortzetting van het thans bestaande frequente contact tussen hen beiden in het kader van de co-ouderschapsregeling, waarbij in aanmerking wordt genomen de leeftijd van [de minderjarige] en de hechtingsfase. De conclusie is dat aan de vrouw geen toestemming zal worden verleend om met [de minderjarige] naar Duitsland te verhuizen.

4.11. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht een zorgregeling te bepalen tussen de man en [de minderjarige] overeenkomstig een in overleg met een psycholoog nog voor te stellen regeling, dan wel een in goede justitie te bepalen regeling.

De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen, en daartoe overwogen, kort samengevat, dat partijen na beëindiging van hun relatie een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen, dat beide ouders sinds de geboorte van [de minderjarige] bij zijn opvoeding zijn betrokken, althans dat sprake is van regelmatig en betekenisvol contact, dat de kwaliteit van de ouders als verzorgers en opvoeders niet in het geding is en dat het voor een gezonde ontwikkeling van [de minderjarige] belangrijk is dat de continuïteit in zijn verzorging en opvoeding zoveel mogelijk gewaarborgd wordt. De - goed lopende - co-ouderschapsregeling dient volgens de rechtbank in het belang van [de minderjarige] voort te duren.

Door middel van de vierde grief (aangeduid als ‘grief 5’) komt de vrouw op tegen dat oordeel. Zij voert aan dat de school en zij zich zorgen maken over de ontwikkeling van [de minderjarige] en dat de tussen partijen overeengekomen zorgregeling kennelijk geen positieve invloed heeft op zijn ontwikkeling. Ook los van de vraag of de toestemming wordt verleend voor verhuizing naar Berlijn, dient de huidige zorgregeling volgens de vrouw dan ook te worden herbeoordeeld.

4.12. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de tussen partijen overeengekomen zorgregeling niet langer in het belang van [de minderjarige] zou zijn. De vrouw heeft haar standpunt dat de school zich zorgen maakt over de ontwikkeling van [de minderjarige], tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet met concrete bewijsstukken onderbouwd, hetgeen wel van haar mocht worden verlangd, temeer nu zij in eerste aanleg (aanvullend verweerschrift, nr. 14) nog heeft aangegeven dat het beter gaat met [de minderjarige], omdat er wat meer structuur in zijn leven is gekomen en beide ouders van school en het kinderdagverblijf een aantal handvatten hebben gekregen, zodat er lijn in de opvoeding komt en [de minderjarige] bij beide ouders weet waar hij aan toe is. Ook bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de vrouw beaamd dat de uitvoering van de co-ouderschapsregeling is verbeterd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat [de minderjarige] ’s ochtends niet naar school wil en dat uit zijn rapport bleek dat het op alle onderdelen wat minder gaat, maar de man heeft daartegenover gesteld dat hij niet heeft gemerkt dat [de minderjarige] niet naar school wil. [de minderjarige] heeft alleen soms wat moeite met de naschoolse opvang. Uit de recente rapportbespreking door de juf van [de minderjarige] met beide ouders bleek dat [de minderjarige], die de jongste van de klas is, wat speelser is dan de andere leerlingen. Eerder had [de minderjarige] wat moeite met taal en rekenen, maar uit de rapportbespreking bleek dat het nu veel beter ging en dat [de minderjarige] niet meer of minder moeite heeft met leren dan zijn klasgenoten, aldus de man. Bij die stand van zaken acht het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de bestaande zorgregeling niet in het belang van [de minderjarige] is.

Daarnaast heeft de vrouw niet toegelicht of, en zo ja in welke mate, de door haar gestelde zorgen samenhangen met de bestaande zorgregeling. Nu is gebleken dat de bestaande zorgregeling tussen partijen thans over het algemeen goed verloopt, faalt ook de vierde grief.

4.13. De vrouw heeft ook wat betreft de opgelegde dwangsommen verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en het desbetreffende verzoek van de man af te wijzen. Zij heeft evenwel - buiten de hiervoor reeds besproken stellingen en weren - in appel niet toegelicht, welke bezwaren zij heeft tegen de opgelegde dwangsommen, zodat het hof de bestreden beschikking ook in zoverre in stand zal laten.

4.14. In incidenteel appel heeft de man, voor het geval zou worden beslist dat de vrouw alleen met het gezag is belast, primair verzocht om te bepalen dat de ouders gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag en subsidiair om te bepalen dat de man (alleen) wordt belast met het gezag. Voor het geval aan de vrouw toestemming zou worden verleend om met [de minderjarige] te verhuizen heeft de man tevens verzocht om vaststelling van een nog nader in te vullen omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige]. Nu aan de voorwaarden waaronder de man het incidenteel appel heeft ingesteld niet is voldaan, behoeft dat appel verder geen bespreking meer.

4.15. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, H.S.G. Verhoeff en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van mr. G.H. Verschuur-Jansen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2011.