Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3398

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
200.055.401 en 200.070.232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sluiten van nieuwe pensioenovereenkomst bij voordurend dienstverband. Mocht werknemer verwachten dat zijn pensioenjaren onverkort zouden gelden in nieuwe regeling? Uitleg overeenkomst. Vertrouwen op fouten in overzichten niet gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0928
PJ 2011/161 met annotatie van R.A.C.M. Langemeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

nevenzittingsplaats Arnhem

sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.055.401 en 200.070.232

(zaaknummer rechtbank hoofdzaak 599905, vrijwaring 622051)

arrest van de vijfde civiele kamer van 25 oktober 2011

inzake 200.055.412 (hoofdzaak)

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in de hoofdzaak,

advocaat: mr. P.F. Doornik,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GlaxoSmithKline B.V.,

gevestigd te Zeist,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

advocaat: mr. J.E. Hoetink,

inzake 200.070.232 (vrijwaring)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GlaxoSmithKline B.V.,

gevestigd te Zeist,

appellante in de vrijwaringszaak,

advocaat: mr. J.E. Hoetink,

tegen:

de naamloze vennootschap

Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V.

(ING Life Insurance N.V.),

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in de vrijwaringszaak,

advocaat: mr. R.J.G. Veugelers.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het door de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) in de hoofdzaak gewezen vonnis van 18 februari 2009 en naar de inhoud van de zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringszaak gewezen vonnissen van de kantonrechter van 22 juli 2009 en 23 september 2009. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht. Het vonnis van 18 februari 2009 is gewezen tussen appellant in de hoofdzaak (hierna ook te noemen: [appellant]) als eisende partij en geïntimeerde in de hoofdzaak (hierna ook te noemen: GSK) als gedaagde partij. De vonnissen van 22 juli 2009 en 23 september 2009 zijn gewezen in de hoofdzaak tussen [appellant] en GSK, zoals voornoemd, en in de vrijwaringszaak tussen GSK als eisende partij en geïntimeerde in de vrijwaringszaak (hierna ook te noemen: Nationale Nederlanden) als gedaagde partij.

2. Het geding in hoger beroep

In de hoofdzaak

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 22 december 2009 GSK aangezegd van voornoemd vonnis van 23 september 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van GSK voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en twaalf producties overgelegd. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, zijn vordering om GSK te veroordelen tot nakoming van de op 31 augustus 2004 tussen [appellant] en GSK gesloten overeenkomst inzake pensioen in dier voege dat [appellant] pensioenaanspraken en rechten worden toegekend uit hoofde van de “Collectieve directiepensioenregeling GSK” uitgaande van de feitelijke datum van indiensttreding van [appellant] bij GSK per [datum], alsnog zal toewijzen, met veroordeling van GSK in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Bij akte wegens hoger beroep in vrijwaring, tevens memorie van antwoord, van 20 juli 2010, heeft GSK de grieven bestreden en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vordering van [appellant] in hoger beroep zal afwijzen, onder bekrachtiging van het bestreden vonnis en met veroordeling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, waaronder zijn begrepen de kosten van de advocaat van GSK.

in de vrijwaringszaak

2.4 GSK heeft bij exploot van 8 juli 2010 Nationale Nederlanden aangezegd van voornoemd vonnis van 23 september 2009 voorwaardelijk in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Nationale Nederlanden voor dit hof. GSK heeft bij voormeld exploot één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en aangekondigd te zullen vorderen dat - indien en voor zover van enige toewijzing van de vordering van [appellant] jegens GSK in hoger beroep sprake zou zijn - die vordering zal worden toegewezen jegens Nationale Nederlanden onder vrijwaring van GSK, met veroordeling van Nationale Nederlanden in de kosten van de onderhavige procedure, de kosten van de procedure in eerste aanleg en in de kosten van de procedure tussen GSK en [appellant] in hoger beroep en in eerste aanleg, in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak, de kosten van de advocaat, tevens in eerste aanleg gemachtigde, van GSK daaronder begrepen.

2.5 Op de roldatum 3 augustus 2010 heeft GSK schriftelijk voor eis geconcludeerd overeenkomstig voormeld exploot.

2.6 Bij memorie van antwoord heeft Nationale Nederlanden verweer gevoerd, bewijs aangeboden en vier producties in het geding gebracht. Nationale Nederlanden heeft geconcludeerd dat het hof de vordering van GSK zal afwijzen, met veroordeling, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, van GSK in de kosten van (bedoeld zal zijn:) de procedure in hoger beroep.

in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak

2.7 Ter zitting van 18 februari 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. P.F. Doornik, advocaat te Amsterdam, GSK door mr. J.E. Hoetink, advocaat te Utrecht en Nationale Nederlanden door mr. R.J.G. Veugelers, advocaat te Vlaardingen. Mr. Doornik en mr. Veugelers hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.8 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast:

3.1 [appellant] is op [datum] bij de rechtsvoorgangster van GSK, Beecham Farma B.V., later SmithKline Beecham Farma B.V., in dienst getreden. Na enkele jaren is [appellant] toegetreden tot de directie van SmithKline Beecham. Op 1 januari 2001 is SmithKline Beecham Farma B.V. gefuseerd met Glaxo Wellcome, waarna GSK de werkgever van [appellant] is geworden. [appellant] vervulde de functie van titulair directeur van GSK en maakte deel uit van de directie. De arbeidsovereenkomst tussen GSK en [appellant] is geëindigd op 1 juni 2007, na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.

3.2 [appellant] heeft deelgenomen aan de pensioenregeling van SmithKlineBeecham (verder te noemen de SB-pensioenregeling of de oude regeling). Op enig moment na 1 januari 2001 is [appellant] toegezegd dat hij zou gaan deelnemen aan de nieuwe directiepensioenregeling van GSK. Deze pensioenregeling was destijds nog niet uitgewerkt.

3.3 Ter introductie van de nieuwe directiepensioenregeling heeft de pensioenadviseur van GSK, Towers Perrin, in juli 2004 een presentatie gegeven. In deze presentatie is de deelnemerstijd omschreven als: “Alle jaren vanaf indiensttreding. Bij 35 pensioenjaren volledige benefit.”

3.4 Op 31 augustus 2004 hebben [appellant] en GSK een pensioenovereenkomst gesloten waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“IN AANMERKING NEMENDE DAT

(…)

• Werknemer deelnemer is aan de SB pensioenregeling, uitgevoerd door Stichting Pensioenfonds GSK.

• Werkgever een collectieve directiepensioenregeling heeft getroffen voor haar werknemers;

• Werkgever de werknemer toestaat met terugwerkende kracht toe te treden tot de collectieve directiepensioenregeling;

• Werknemer wenst deel te nemen aan de collectieve directiepensioenregeling vanaf

1 januari 2001;

• Werknemer zijn opgebouwde pensioenrechten uit de SB pensioenregeling wel / niet wenst over te dragen naar de collectieve directiepensioenregeling; (…)

KOMEN ALS VOLGT OVEREEN:

• Deelname van de deelnemer aan de GSK SB regeling wordt beëindigd per 1 januari 2004.

• De werknemer neemt deel aan de collectieve directiepensioenregeling vanaf 1 januari 2001.

• De GSK SB pensioenpolis premievrij wordt gemaakt per 1 januari 2004.

• Werknemer stemt wel / niet in met de waardeoverdracht naar de collectieve directiepensioenregeling.

• Wanneer er niet wordt overgedragen blijven de opgebouwde pensioenrechten premievrij achter in de SB pensioenregeling en worden de het verschil in pensioenopbouw tussen de SB regeling en de GSK directieregeling over de jaren 2001, 2002 en 2003, aangevuld in de collectieve GSK directieregeling

• Wanneer de waarde van de premievrij gemaakte polis wordt overgedragen naar de collectieve directie pensioenregeling zullen als deelnemersjaren in aanmerking worden genomen de jaren die in collectieve directieregeling ingekocht kunnen worden met de overgedragen waarde.

• De overdrachtswaarde wordt bepaald op basis van de reguliere grondslagen van het pensioenfonds.

• De bepalingen van de collectieve directiepensioenregeling worden vastgelegd in een pensioenreglement dat aan de deelnemers wordt uitgereikt.(…)”

3.5 In het in de vorige regel bedoelde pensioenreglement is onder meer opgenomen:

“Artikel 1. Begrippen (…)

In dit pensioenreglement wordt verstaan onder:

(…)

c. Deelnemer:

de werknemer die voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 2. (…)

m. Pensioenjaren:

de pensioenjaren zijn de jaren gelegen tussen de datum van indiensttreding en de pensioendatum. Voorts worden als pensioenjaren in aanmerking genomen de extra jaren die zijn vastgesteld aan de hand van de bij een vorige werkgever verworven pensioenaanspraken waarvan de waarde bij aanvang van het deelnemerschap is overgedragen aan Nationale Nederlanden.”

Artikel 2. Deelnemerschap (…)

1. Voor opneming in deze pensioenregeling komen in aanmerking de werknemers die behoren tot de directie

2. De opneming geschiedt per de 1-ste dag van de maand waarin de werknemer aan de gestelde eisen voldoet. (…)”

3.6 GSK heeft [appellant] in 2005 en 2006 door haar pensioenuitvoerder Nationale Nederlanden opgemaakte polisbladen doen toekomen waarin de verzekerde pensioenbedragen zijn vermeld en waarin is opgenomen: “diensttijd telt vanaf [datum]”. In de polisbladen is tevens de volgende bepaling opgenomen: “De verzekerde bedragen gelden slechts als de vermelde gegevens juist zijn en de verschuldigdheden tijdig zijn voldaan.”. Towers Perrin heeft in de bij een aan [appellant] gerichte brief van 25 september 2006 gevoegde bijlagen A en B, beide getiteld “Statement new pension plan 1-1-2006”, vermeld “Date of entrance [datum]”.

3.7 Bij brief van 15 november 2006 meldt GSK aan [appellant]:

“In 2004 is GlaxoSmithKline B.V. met u overeengekomen dat u per 1 januari 2001 opgenomen wordt in de collectieve directiepensioenregeling. U heeft daarbij aangegeven dat u de waarde van de door u opgebouwde aanspraken in de GSK SB regeling wil overdragen naar de directiepensioenregeling.

Met deze overgedragen waarde worden extra dienstjaren ingekocht in de directieregeling. Omdat de directieregeling een hogere jaarlijkse pensioenopbouw heeft dan de GSK SB regeling, kan met de overgedragen waarde minder jaren ingekocht worden dan u werkelijk in dienst bent bij GlaxoSmithKline. In zulke situaties wordt er gerekend met een fictieve datum van indiensttreding die gelegen is na de werkelijke datum van indiensttreding.

Helaas is in de pensioenopgaven van Nationale-Nederlanden en in de pensioenprognoses die u recent van Towers Perrin ontvangen heeft gerekend met de werkelijke datum van indiensttreding in plaats van de fictieve, waardoor u een te hoog opgebouwd en te bereiken pensioen voorgespiegeld is.”

3.8 Bij brief van 22 februari 2007 deelt Nationale Nederlanden aan [appellant] mee:

“(…) Tussen u en GlaxoSmithKline B.V. zijn specifieke afspraken gemaakt omtrent het moment van opneming in de (collectieve) directiepensioenregeling en de wijze waarop de voor u in de Stichting Pensioenfonds GSK opgebouwde reserve diende te worden aangewend. Deze afspraken zijn in 2004 vastgelegd in een “Overeenkomst inzake pensioen”.

Kort samengevat houden de specifieke afspraken in dat u in de directieregeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 moet worden opgenomen en dat de per 1 januari 2004 opgebouwde aanspraken binnen de fondsregelingen moeten worden aangewend voor inkoop van extra pensioenjaren vóór 1 januari 2001. Omgerekend leveren die aanspraken 12 extra pensioenjaren op, zodat voor de bepaling van uw pensioenaanspraken gerekend moet worden vanaf de datum 1 januari 1989 (…).

Bij het inregelen van de collectieve directieregeling in 2004 was met hetgeen was afgesproken in de genoemde “Overeenkomst” nog geen rekening gehouden. (…)

Op grond van de genoemde overeenkomst dienen uw polissen te worden aangepast. De aanspraken zullen hierdoor lager uitvallen ten opzichte van hetgeen op eerder verstrekte pensioenopgaven heeft gestaan. (…)”

3.9 Bij memorandum van 8 mei 2009 heeft [A] van Towers Perrin (hierna: [A]) aan mr. J.E. Hoetink meegedeeld:

“I have acted on behalf of Towers Perrin as pension advisor to GSK, following the merger of SmithKlineBeecham (SB) and GlaxoWelcome (GW). (…)

The GW executive team enjoyed at the time of the merger individual pension contracts

(C-policies) with Nationale-Nederlanden. The nature of the pension promise sumarised in the “pensioenbrief” provided to GW executive team members was however identical. We advised GSK to move these executives into a group arrangement, as this would provide the individuals with more security and GSK with economy of scale. The presentation(s) I made to the executive team were designed to explain the change. As Mr [appellant] was to participate in the Executive Plan he was entitled to attend. He did not however, participate in the

C-policy or have a pension promise described, as the other GW executive members, in a “pensioenbrief” as he was a participant in the collective SB plan like all SB-directors. As a large part of the presentation related to the change from an individual C-policy to a group contract, this would be irrelevant information to him, however an explanation of the Executive Plan that was provided was considered worthwhile. (…)

Late in 2003 we were advised that Mr [appellant] would be offered participation in the new Group Executive Plan. On december 5 2003 we asked Nationale-Nederlanden to provide temporary risk cover (voorlopige risicodekking) for him.

In april 2004 we received salary information from GSK and passed this through to Nationale-Nederlanden. In this GSK en Towers Perrin specifically stated that Mr [appellant] date of entry into service was 1-2-1984 membership of the executive plan commenced on

1-1-2001.

Further I can confirm that Mr [appellant] was asked to sign an agreement with respect to participation in the new Executive Plan with retrospective effect from 1 Januari 2001 and was offered in this agreement the possibility to transfer accrued rights under the SB plan. To assist him in this regard I was asked to meet, and actually met with him.

During this conversation I explained to him the benefits of the new arrangement. Being allowed to participate in the Executive Plan retroactively from 1 January 2001 really was a substantial benefit improvement. I also explained that to maximise the values of the new plan it would be sensible for him to transfer into the executive plan benefits accrued in the SB plan. This would ensure that within the Executive Plan any increases in final salary would effectively also be credited over the benefits accrued in the SB plan.

I declare that at no time did I state that a transfer would secure years of service equal to actual years worked with SB. To do so would be to offer him a far gretaer benefit than had already been offered. (…)

All our records in 2004 indicate a start date of 2001.

Unfortunately NN processed in their administration a start date of 1-2-1984 and issued statements to this effect. When we were later asked to provide calculations for Mr [appellant] to enable him to secure a mortgage, Towers Perrin staff used actual information provided to us bij Natioanle-Nederlanden. This had the incorrect start date of 1984 and led to Towers Perrin issuing incorrect figures. (…)

When I was advised by GSK that they were seeking to terminate Mr [appellant]’s employment, I was asked to make calculations with respect to the possibility of compensating a loss in pension accrual. I can confirm that it was at this time that I personally noted the error in Nationale-Nederlanden’s administration.

I hereby therefore declare that the generous offer to switch to the Executive Plan has been explained to Mr [appellant], that he wisely accepted the offer, and at no time was he told that he would enjoy Executive Level benefits over his entire SB service period. (…)”

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

In de hoofdzaak

4.1 Het geschil tussen partijen in de hoofdzaak betreft in de kern de vraag van welke startdatum voor de pensioenopbouw voor [appellant] moet worden uitgegaan bij de op 31 augustus 2004 tussen partijen gesloten pensioenovereenkomst. [appellant] stelt dat moet worden uitgegaan van [datum], de feitelijke datum van zijn indiensttreding. GSK stelt dat uitgegaan moet worden van een fictieve datum van indiensttreding, te weten 1 januari 1989. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De grieven van [appellant] lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 [appellant] stelt dat hij op grond van de pensioenovereenkomst met GSK en op grond van de informatie die aan hem door GSK, Towers Perrin en Nationale Nederlanden is verstrekt, zowel voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, als daarna, ervan uit mocht gaan dat hij in de directiepensioenregeling van GSK pensioen zou opbouwen vanaf zijn feitelijke datum van indiensttreding, te weten [datum].

4.3 Het hof stelt bij de beoordeling van het geschil tussen partijen voorop dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel dient te worden beantwoord aan de hand van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst, maar dat het tevens aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.4 Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat hij ervan uit mocht gaan dat hij in de collectieve directiepensioenregeling van GSK (hierna: directiepensioenregeling) pensioen zou opbouwen vanaf [datum]. In de pensioenovereenkomst van 31 augustus 2004, die door beide partijen is ondertekend, is immers expliciet aangegeven hoe de pensioenaanspraken van [appellant] worden vastgesteld. Zoals hiervoor onder 3.4 vermeld is in de overeenkomst opgenomen dat [appellant] met ingang van 1 januari 2001 deelneemt aan de collectieve directiepensioen- regeling van GSK, dat [appellant] instemt met waardeoverdracht van de SB pensioenregeling naar de directiepensioenregeling en dat als deelnemersjaren in aanmerking worden genomen de jaren die in de collectieve directieregeling ingekocht kunnen worden met de overgedragen waarde. [appellant] heeft ook bevestigd dat hij bewust heeft gekozen voor waardeoverdracht van zijn pensioen in de nieuwe regeling. Daarbij wordt door [appellant] niet betwist dat - zoals ook uit de hiervoor onder 3.9 vermelde verklaring van [A] blijkt - door [A] van Towers Perrin voorafgaand aan het tekenen van de overeenkomst aan hem is uitgelegd dat [appellant] er voor kon kiezen om de oude aanspraken in de SB-regeling over te dragen naar de nieuwe pensioenregeling en dat dit - in algemene zin - gunstig voor hem zou zijn.

4.5 Op zichzelf is het niet onmogelijk dat, zoals door [appellant] wordt gesteld, bij een waardeoverdracht van pensioen in de nieuwe regeling evenveel jaren ingekocht zouden kunnen worden als in de oude regeling waren opgebouwd. Gelet op de verbetering die de directiepensioenregeling voor [appellant] zou betekenen - hetgeen tussen partijen vaststaat - lag dat echter niet voor de hand. In de nieuwe regeling werd immers een hoger opbouwpercentage gehanteerd. Wanneer de stelling van [appellant] gevolgd zou worden, zou dat bovendien betekenen dat de regeling terugwerkende kracht tot [datum] zou hebben, terwijl in de overeenkomst uitdrukkelijk is aangegeven dat sprake is van deelname met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001. [appellant] stelt niet dat [A] bij het gesprek voorafgaand aan het tekenen van de overeenkomst heeft toegezegd dat bij overdracht het aantal opgebouwde jaren gelijk zou blijven. [appellant] heeft ook overigens niet gesteld dat er

- al dan niet na een daarop gerichte vraag van [appellant] - een specifieke toezegging van [A] of van GSK is geweest dat een waardeoverdracht evenveel pensioenjaren zou opleveren.

4.6 De presentatie van Towers Perrin ter introductie van de directiepensioenregeling in juli 2004 kan niet als een zodanige toezegging gelden. Tijdens deze presentatie is weliswaar gemeld dat als deelnemerstijd alle jaren vanaf indiensttreding worden aangemerkt, maar zoals [appellant] wist, was de presentatie met name bedoeld voor de directeuren die, anders dan [appellant], voorheen een pensioenvoorziening op basis van een individuele PSW C-polis hadden. Dat bij de presentatie ook waardeoverdracht van pensioen aan de orde is geweest, zoals tussen partijen in de onderhavige pensioenovereenkomst is overeengekomen, is door [appellant] niet gesteld en blijkt ook niet uit de overgelegde stukken.

4.7 [appellant] kan evenmin een beroep doen op de bepaling in het pensioenreglement waarin de pensioenjaren zijn omschreven als de jaren gelegen tussen de datum van indiensttreding en de pensioendatum, om zijn stelling te onderbouwen dat hij bij het tekenen van de pensioenovereenkomst mocht verwachten dat hij in de nieuwe pensioenregeling evenveel pensioenjaren zou hebben als in de oude regeling. Het pensioenreglement is immers van een latere datum dan de pensioenovereenkomst. Het pensioenreglement voorziet bovendien niet specifiek in de vaststelling van deelnemerstijd bij een overdracht van pensioen, zonder dat sprake is van een nieuwe werkgever. Dat een dergelijke situatie in het reglement wel voorzien is, blijkt ook uit het slot van het pensioenreglement, in artikel 26 onder 2 “Voor bepaalde deelnemers geldt dat de krachtens de vorige regeling gesloten verzekeringen

(C-polissen) zijn vervallen en de waarde daarvan is ingebracht in de krachtens het onderhavige reglement gesloten verzekeringen.”

4.8 [appellant] heeft nog aangevoerd dat na de fusie in 2001 geen sprake was van een nieuwe werkgever, zodat de datum van indiensttreding niet is veranderd. Dat is echter voor de beoordeling van het geschil tussen partijen niet relevant. In de onderhavige zaak gaat het immers niet om de oude pensioenregeling (die na de fusie ongewijzigd voortgezet had kunnen worden), maar om het vier jaar na de fusie vrijwillig aansluiten bij een nieuwe, gunstiger pensioenregeling én kiezen voor overdracht van de opgebouwde waarde in de vorige regeling naar de nieuwe regeling. Dat die nieuwe regeling op zichzelf gunstiger was dan de oude, wordt door [appellant] niet betwist. Daaraan doet niet af dat die regeling nog gunstiger zou zijn geweest wanneer de opgebouwde jaren in de oude regeling onverkort zouden zijn omgezet in de nieuwe regeling.

4.9 Tussen partijen staat vast dat door Nationale Nederlanden en door Towers Perrin aan [appellant] diverse overzichten en polisbladen met betrekking tot de nieuwe pensioenregeling zijn verstrekt waarbij als startdatum voor de opbouw van pensioen de datum van indiensttreding van [appellant] op [datum] is vermeld en/of waarbij met opbouw van pensioen vanaf die datum is gerekend. Het is op zichzelf juist dat, zoals [appellant] stelt, indien een pensioenfonds een deelnemer onjuiste informatie verstrekt ter zake diens pensioenuitkering, het pensioenfonds daarmee onder omstandigheden bij die deelnemer het gerechtvaardigde vertrouwen kan wekken dat die informatie juist was, waaraan de deelnemer dan rechten kan ontlenen. In de onderhavige zaak is van een zodanig gerechtvaardigd vertrouwen naar het oordeel van het hof echter geen sprake.

4.10 De overzichten en polissen waarbij is uitgegaan van opbouw van pensioen vanaf [datum] zijn gedurende een periode van ruim twee jaar aan [appellant] verstrekt. Gelet op de looptijd van pensioenovereenkomsten is dat niet een zodanig lange periode, dat daardoor een gerechtvaardigd vertrouwen op de juistheid van die overzichten wordt gewekt. Daarnaast is in de overzichten en polissen een voorbehoud gemaakt voor het geval er is uitgegaan van onjuiste gegevens. Gelet op hetgeen in de pensioenovereenkomst tussen partijen is overeengekomen mocht [appellant] er, ook na de verstrekking van deze onjuiste overzichten, niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij in de nieuwe pensioenregeling evenveel pensioenjaren zou hebben, als hij in de oude SB-regeling had opgebouwd. Dat de fout eerst is ontdekt, nadat door GSK is besloten het dienstverband met [appellant] te beëindigen, maakt dat niet anders.

4.11 Gelet op het bovenstaande mocht [appellant], met inachtneming van alle omstandigheden, zowel voorafgaand als na het sluiten van de pensioenovereenkomst, naar het oordeel van het hof er niet vanuit gaan dat hij in de nieuwe pensioenregeling pensioen zou gaan opbouwen met ingang van [datum]. De vorderingen van [appellant] dienen dan ook afgewezen te worden.

In de vrijwaringszaak

4.12 Nu de voorwaarde waaronder GSK het hoger beroep in de vrijwaringszaak heeft ingesteld niet is vervuld, behoeft de vordering in vrijwaring geen verdere bespreking.

Slotsom

In de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

De grieven van [appellant] falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Het hoger beroep in de vrijwaringszaak behoeft geen behandeling, omdat de voorwaarde waaronder het hoger beroep is ingesteld niet is vervuld. GSK zal in de kosten van het hoger beroep in de vrijwaringszaak worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 23 september 2009;

in de hoofdzaak

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van GSK begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 263,- voor griffierecht;

in de vrijwaringszaak

veroordeelt GSK in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Nationale Nederlanden begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 263,- voor griffierecht;

verklaart dit arrest, voor zover het de proceskostenveroordeling in zowel de hoofdzaak als de vrijwaringszaak betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, G.P.M. van den Dungen en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2011.